Lockheed-affaire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld keert op 26 augustus 1976 op Paleis Soestdijk terug uit Italië, omdat minister-president Joop den Uyl in het Nederlandse parlement de resultaten van de Commissie van Drie bekend ging maken. Achterin zijn echtgenote koningin Juliana met het hondje Zara.

De Lockheed-affaire uit 1976 is de naam van een omkoopschandaal waarbij prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld, de echtgenoot van de Nederlandse koningin Juliana, begin jaren zestig 1,1 miljoen US-dollar aan steekpenningen ontving van de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed. In 1974 verlangde Bernhard van Lockheed opnieuw om een grote som geld, deze keer als Nederland over zou gaan tot de aankoop van de Lockheed P-3 Orion.

In de jaren van de Lockheed-kwestie hield het kabinet-Den Uyl zich onder meer bezig met de vervanging van alle Nederlandse Lockheed F-104 Starfighters. De Tweede Kamer besloot uiteindelijk op advies van defensie-minister ir. Henk Vredeling dat de opvolger van deze straaljager de F-16 zou worden, van de concurrerende vliegtuigbouwer General Dynamics. De aankoop van de Lockheed P-3 Orion ging wegens bezuinigingen niet door.

Aanleiding en samenstelling Commissie van Drie[bewerken]

De affaire kwam aan het licht door hoorzittingen van de subcommissie-Church van Multinationale Organisaties, onderdeel van de Commissie voor Buitenlandse Zaken van de Amerikaanse senaat, die onderzoek deed naar smeergeldaffaires waarbij de vliegtuigbouwer betrokken was. Tijdens die verhoren werd op vrijdag 6 februari 1976 in het openbaar gesproken over een "hoge regeringsfunctionaris in Nederland" die steekpenningen zou hebben ontvangen, waarmee - zo werd al snel duidelijk - de Nederlandse prins-gemaal Bernhard werd bedoeld. Hoewel die nadrukkelijk ontkende geld te hebben aangenomen, besloot het kabinet-Den Uyl drie dagen later een commissie van wijze mannen in te stellen. Voorzitter van de Commissie van Drie werd mr. A.M. Donner (rechter bij het Europees hof voor Justitie). De overige leden waren dr. M. Holtrop (voormalig president van De Nederlandsche Bank) en de voorzitter van de Algemene Rekenkamer drs. H. Peschar.

Opdracht Commissie van Drie[bewerken]

De Commissie van Drie, van links naar rechts dr. H. W. Holtrop, mr. dr. A. M. Donner en drs. H. Peschar

De opdracht van de Commissie van Drie was:
1. Een onderzoek in te stellen naar de juistheid van de afgelegde verklaringen en gedane suggesties in zittingen van de Commissie Church, voorzover prins Bernhard daarin is bedoeld dan wel indirect ter sprake gebracht.
2. Voorzover het onder 1 genoemde onderzoek daartoe aanleiding geeft, mede na te gaan of bij de beslissingen over het plaatsen van vliegtuigorders door overheidsinstanties, sprake is geweest van beïnvloeding als gevolg van laakbare activiteiten van vliegtuigfabrikanten.
3. De resultaten van haar onderzoek en de conclusies die zij uit de door haar vastgestelde feiten trekt, zo spoedig mogelijk ter kennis van de regering te brengen.

De commissie werd op 13 februari geïnstalleerd. Meteen werd met de werkzaamheden begonnen. De volgende dag al werd prins Bernhard geïnterviewd. Hij werd bijgestaan door zijn advocaten C.R.C. Wijckerheid Bisdom en Y. Scholten, de voormalig minister van Justitie uit het kabinet-Marijnen. Wat volgde was een onderzoek door registeracccountants in de administratie en vermogensadministratie van de prins, evenals bij een aantal instellingen waarbij hij nauw betrokken was.

Omkooppraktijken prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld[bewerken]

Steekpenningen 1960-1962[bewerken]

Tijdens de Amerikaanse senaatsverhoren had de president van Lockheed, A.C. Kotchian, het volgende verklaard. Eind 1959 of begin 1960 was binnen de top van Lockheed de gedachte ontstaan Bernhard een JetStar-vliegtuig van eigen makelij aan te bieden. Dit enerzijds om het klimaat in Nederland ten opzichte van Lockheed te verbeteren, anderzijds omdat Lockheed ervan uitging dat het feit dat een Nederlandse prins zou rondvliegen in een Lockheedtoestel gunstige effecten zou hebben op de verkoop. Het idee werd bij Lockheed aangeroerd door Fred Meuser, verkoopagent van Lockheed voor Europa, het Midden-Oosten en Afrika, kantoorhoudend in Genève en sinds de oorlogsjaren een vriend van de prins. Uiteindelijk zag Lockheed daar om praktische redenen van af - er was geen mogelijkheid om het toestel om niet in eigendom aan Bernhard over te dragen - waarop Meuser voorstelde om in dat geval Bernhard een som van 1 miljoen dollar aan te bieden. De betaling zou moeten geschieden via advocaat H. Weisbrod in Zürich. Dat laatste kreeg de juridisch adviseur R.B. Smith van Lockheed, volgens een verslag van hem, op 30 september 1960 van Bernhard te horen tijdens een ontmoeting in Paleis Soestdijk. Op 3 oktober 1960 had Smith in Hotel Dolder in Zürich een ontmoeting met Alexei Pantchoulidzew, de langdurige levensgezel van Armgard von Sierstorpff-Cramm, de moeder van Bernhard. Van hem kreeg Smith een briefje met het bankrekeningnummer waarop het geld gestort moest worden. Het bleek diens eigen bankrekening te zijn. Met medewerking van Weisbrod werd het geld vervolgens op de door Pantchoulidzew aangegeven bankrekening gezet.[1]

De betalingen werden als volgt verricht: $300.000 in oktober 1960, $300.000 in februari 1961, $200.000 in maart 1962, $115.000 in juli 1962 en $85.000 in oktober 1962.[2] Kotchian gaf aan dat hij naar zijn weten nooit vernomen heeft of Bernhard het geld ontvangen heeft.

Bernhard gaf bij de Commissie van Drie aan dat hij het aanbod van de JetStar zelf had afgewimpeld, omdat hem al een Fokker Friendship was toegezegd en hij de voorkeur gaf in een Nederlands toestel te vliegen. Daarop zou de voorzitter van de Raad van Bestuur van Lockheed Robert E. Gross, een persoonlijke vriend van de prins, hem hebben gevraagd wat hij dan daarvoor in de plaats wilde hebben. Bernhard zou vervolgens naar eigen zeggen hebben verzocht of Lockheed iets voor zijn vriend Meuser kon betekenen die een lagere commissieregeling kreeg dan voorheen. Gross zou aangegeven hebben daarover na te denken. Gross zelf kon het niet bevestigen, want hij was in september 1961 overleden. Van Meuser zou Bernhard later vernomen hebben dat Lockheed hem inderdaad gecompenseerd had. Pas in 1976 zou de prins gehoord hebben dat het om een bedrag van 1 miljoen US-dollar zou zijn gegaan. De Commissie van Drie wees Bernhard er op dat het geld op de bankrekening van Pantchoulidzew was gestort. Bernhard gaf aan dat dit voor hem onbegrijpelijk en een grote verrassing was. Hij erkende dat hij Smith op de door hem aangegeven datum in Paleis Soestdijk ontmoet had, maar van het gesprek zelf zou hij zich niets meer kunnen herinneren.

Minister-president Joop den Uyl in 1975

Meuser gaf weer een ander verhaal. Die vertelde de commissie dat de JetStar voor hemzelf en zijn staf bedoeld was, maar dat het vliegtuig door Bernhard en anderen gebruikt had mogen worden. Om financiële redenen was volgens Meuser de verstrekking van het vliegtuig niet doorgegaan. De 1 miljoen US-dollar zou te maken hebben gehad met compensatie aan hem van gederfde inkomsten. Hij beweerde dat het Gross was geweest die Pantchoulidzew had ingeschakeld omdat de geldstroom voor Lockheed geheim moest blijven. Het geld zou vanaf de bankrekening van Pantchoulidzew naar andere rekeningen zijn overgemaakt, alle waar de prins geen zeggenschap over zou hebben. Hij ontkende dat hij het geld voor zichzelf had willen houden.

Steekpenningen 1968[bewerken]

In oktober 1968 deed zich iets soortgelijks voor waarbij besloten werd $100.000 uit te trekken voor de prins. Dit geld werd als een cashier's check bij een bank in het Amerikaanse Burbank afgegeven op naam van een zekere Victor Baarn.[3] De begunstiger kon het geld in Zwitserland komen afhalen op het noemen van de naam. Het bedrag was volgens Lockheed een gift aan Bernhard voor zijn hulp om te proberen een Nederlandse beslissing ongedaan te maken om de aanschaf van het patrouillevliegtuig Bréguet Atlantique te verkiezen boven die van de Lockheed P-3 Orion. In eerste instantie had Lockheed hem hiervoor $500.000 aangeboden, maar Bernhard weigerde het geld met de mededeling dat de koop niet meer kon worden teruggedraaid. Lockheed stortte vervolgens alsnog een bedrag van $100.000. Bernhard verdedigde zich tegenover de onderzoekscommissie door te zeggen dat hij zich de aanbieding niet herinnerde en dat hij het in ieder geval nooit ontvangen had.

Poging tot steekpenningen 1974[bewerken]

Kotchian vertelde ook dat Bernhard in 1974 een poging had gedaan een commissie te bewerkstelligen voor een mogelijke aanschaf door Nederland van dertien Lockheed P-3 Orion patrouillevliegtuigen. De gevraagde commissie zou neerkomen op $4 tot $6 miljoen, afhankelijk van de grootte van de order. Lockheed vond dat een absurd hoog bedrag. Bernhard zou zich daarop verontschuldigd hebben en hebben gezegd dat het slechts in zijn bedoeling lag om 1 miljoen US-dollar te vragen. Uiteindelijk accepteerde Bernhard volgens Lockheed, opnieuw tijdens een bespreking in Paleis Soestdijk, een vaste commissie van 1 miljoen dollar bij een aankoop van minimaal vier vliegtuigen. De koop ging echter niet door omdat er geen geld voor was. De commissie vond met betrekking tot deze kwestie twee brieven van de prins uit 1974, gericht aan medewerkers van Lockheed. In de tweede brief, die hij met de hand geschreven had, liet hij weten dat hij zich "after a hell of a lot of pushing and pulling" ten gunste van Lockheed had ingezet. Bernhard heeft niet ontkend dat hij die brieven geschreven had, maar steeds volgehouden dat de opzet was dat de betalingen ten goede zouden komen aan het Wereld Natuur Fonds, iets dat hij naar eigen zeggen met Meuser was overeengekomen.

Steekpenningen KLM-directeur en poging omkoping Tweede Kamerleden[bewerken]

De Commissie van Drie ontdekte tevens dat aan toenmalig KLM-directeur F. Besançon in 1969 $25.000 aan steekpenningen zou zijn betaald, iets dat hijzelf overigens ontkende. Volgens Lockheed had hij in de jaren vijftig eveneens geld gekregen. Ook waren volgens de commissie Tweede Kamerleden benaderd met de bedoeling ze om te kopen. Het zou gaan om de KVP'er en voormalig generaal-majoor J. van Elsen en de VVD'er A. Ploeg. Van Elsen was voorzitter van de vaste commissie voor Defensie en Ploeg was er lid van. Beiden bleken zonder dit gemeld te hebben een bezoek te hebben gebracht aan Lockheed in Californië. De commissie had de kwestie niet verder uitgezocht, omdat dit niet tot de opdracht behoorde.

Conclusies[bewerken]

Wat de steekpenningenkwestie uit de jaren 1960-1962 betreft geloofde de commissie niets van het verhaal van Meuser. Wat Bernhard betreft, concludeerde de commissie dat als de 1 miljoen US-dollar voor Meuser bedoeld zou zijn, dit niet overeenkwam met de feiten. Het stond voor de commissie vast dat Lockheed dacht dat het geld voor Bernhard bestemd was. "Doch dit sluit niet uit", aldus de commissie in zijn eindrapport, "dat Z.K.H. te goeder trouw anders gemeend kan hebben". De commissie vond geen onomstotelijk bewijs dat de in totaal voor Bernhard betaalde 1,1 miljoen dollar daadwerkelijk bij hem terechtgekomen was. De persoon Victor Baarn werd niet gevonden. Het zou een "kennelijk fictieve naam" zijn geweest. Het oordeel van de Commissie van Drie was desondanks hard.

De bevindingen van de commissie en de conclusies van de regering werden op 26 augustus 1976 door minister-president J. den Uyl in de Tweede Kamer voorgelezen. De bekendmaking werd rechtstreeks uitgezonden via radio en televisie. Den Uyl vatte de conclusie van de commissie over Bernhard als volgt samen:[4]

"... dat Z.K.H., in de overtuiging dat zijn positie onaantastbaar en zijn oordeel niet te beïnvloeden was, zich aanvankelijk veel te lichtvaardig heeft begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten. Vervolgens heeft hij zich toegankelijk getoond voor onoorbare verlangens en aanbiedingen. Tenslotte heeft hij zich laten verleiden tot het nemen van initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren en die hem zelf en het Nederlandse aanschaffingsbeleid bij Lockheed - en, zo moet er thans aan worden toegevoegd, ook bij anderen - in een bedenkelijk daglicht moesten stellen."

Dreiging constitutionele crisis[bewerken]

De bevindingen dreigden te leiden tot een constitutionele crisis. Hoewel vanaf de presentatie van het eindrapport geruchten de kop opstaken dat koningin Juliana gedreigd zou hebben met aftreden indien de prins strafrechtelijk vervolgd zou worden en hun dochter en kroonprinses Beatrix aangegeven zou hebben in dat geval haar moeder niet te willen opvolgen, is hiervoor in 2016 - na een studie van zes jaar naar het leven van Juliana - door sociologe en biografe Jolande Withuis geen bewijs gevonden. Wel is uit de aantekeningen van de secretaris van de ministerraad J. Middelburg duidelijk dat Den Uyl zetelverlies voor zijn partij vreesde, mocht het kabinet gedwongen worden af te treden bij een strafrechtelijke vervolging van Bernhard en nieuwe verkiezingen noodzakelijk zouden worden. Mede daarom wenste Den Uyl geen strafrechtelijk onderzoek.[5]

D'66-minister H. Gruijters liet zich in de ministerraad kritisch uit over prins Bernhard

Uit de aantekeningen blijkt ook dat D'66-minister H. Gruijters meedeelde met "een gevoel van walging" het rapport gelezen te hebben, evenals: "Ik heb er vanmiddag over zitten peinzen. Ik voel me als Nederlander bepaald beschadigd. (...) Ik heb me afgevraagd: zou je de omgang met lieden die dit doen niet moeten beëindigen? Ik voel me door wat hier gebeurd is beledigd. Als ik persoonlijk in het geding was, dan zou ik het voor gezien houden."[5] De ministers van Christen-Democratische huize reageerden milder, hoewel ze wel aangaven verbijsterd te zijn over de inhoud van het rapport. Volgens hen zou Bernhard gestraft moeten worden, maar tegelijkertijd moest voorkomen worden dat de koningin aftrad. ARP-minister J. Boersma vond dat Bernhard niet meer aanwezig kon zijn bij het op Prinsjesdag door de koningin uitspreken van de jaarlijkse troonrede. "Hij kan op safari", oordeelde hij. Den Uyl vond van niet: "De prins kan niet worden weggestopt". De meeste PvdA-ministers steunden Den Uyl, maar Vredeling liet zich als enige kritisch uit: "De rechtstaat is in het geding. Als hij weg moet als militair, dan is de vraag of dat eervol moet gebeuren."[5] Den Uyl stond echter niet toe dat de ministers zich met zijn conclusies in zijn brief aan de Tweede Kamer zouden bemoeien. Hij werd hierin gesteund door de vicepresident van de Raad van State M. Ruppert, die bij de vergadering aanwezig was. Dat betekende dat er geen verzoek tot strafrechtelijk onderzoek zou volgen. Minister Westerterp zei "een zweem van klassenjustitie" te proeven, Toch was hij niet ontevreden: "Als ik Zijne Koninklijke Hoogheid een beetje ken, dan vindt hij de publicatie erger dan dat de staat een proces gaat voeren".[5] Doordat het kabinet niet om een strafrechtelijk onderzoek van Bernhard wilde vragen, zag het kabinet er ook vanaf om dat voor Besançon te doen. Evenmin durfde het kabinet een onderzoek in te laten stellen naar mogelijke omkoping van Tweede Kamerleden. Mochten Besançon en meerdere Tweede Kamerleden namelijk daadwerkelijk voor het gerecht worden gebracht, dan zou de roep om ook Bernhard te vervolgen alleen maar groter worden en dat moest hoe dan ook voorkomen worden.[5]

Den Uyl gaf in de Tweede Kamer als reden aan voor het niet strafrechtelijk vervolgen van Bernhard dat een deel van zijn vergrijpen inmiddels verjaard was, strafrechtelijk onderzoek "zeer geruime tijd" zou duren en een uiteindelijke strafrechtelijke vervolging "zeer onzeker" zou zijn, evenals dat de prins door de conclusies die de regering aan het rapport verbonden heeft "al ingrijpende gevolgen van zijn gedragingen zal ondervinden". Ten slotte werd door Den Uyl aangegeven dat een strafrechtelijk onderzoek en vooral strafrechtelijke vervolging van Bernhard "ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de positie van het staatshoofd". Die consequentie zou dan moeten worden aanvaard, zo stelde Den Uyl. Omdat het kabinet daarvoor geen verantwoordelijkheid wilde nemen werd besloten af te zien van justitiële maatregelen.[6]

Bernhard moest als gevolg van de affaire zijn functies in het bedrijfsleven en bij de krijgsmacht neerleggen en werd geadviseerd in het openbaar niet meer in militair uniform te verschijnen.[5] Bernhard werd niet ontslagen als inspecteur-generaal der krijgsmacht, maar kreeg op verzoek van Juliana de gelegenheid deze functie zelf neer te leggen. Andere functies bij de krijgsmacht die hij opgaf waren onder meer de lidmaatschappen van de Algemene Verdedigingsraad en die van de Defensieraad. Aan zijn jarenlange bemoeienissen met de Bilderbergconferenties kwam abrupt een einde. Zijn voorzitterschap legde hij per direct neer.

Een concept van de brief die Den Uyl namens de regering in de Tweede Kamer ging voorlezen, werd aan Bernhard ter inzage gegeven. Daarin stond: "Dat de prins ernstige fouten heeft gemaakt, heeft hij erkend". Bernhard weigerde dat te onderschrijven en de zin werd geschrapt.[5]

De eigen officiële reactie van Bernhard dateert van 23 augustus 1976 en werd drie dagen later door Den Uyl als onderdeel van zijn eigen brief in de Tweede Kamer voorgelezen:

"Het rapport van de Commissie van Drie heeft mij ervan overtuigd dat in mijn jarenlange vriendschappelijke relatie met enkele hooggeplaatste functionarissen van Lockheed mijn betrekkingen met Lockheed zich verkeerd hebben ontwikkeld. In het bijzonder heb ik daarbij niet de zorgvuldigheid in acht genomen, die op grond van mijn kwetsbare positie als echtgenoot van de Koningin en als Prins der Nederlanden vereist is. Ik erken dit en betuig hierover mijn oprechte spijt. Ik heb initiatieven, die mij werden voorgelegd, niet voldoende kritisch beoordeeld. Ik heb brieven geschreven, die ik niet had mogen verzenden. Ik aanvaard hiervoor de volle verantwoordelijkheid en dus de afkeuring, die de Commissie daarover in haar rapport uitspreekt. Ik heb kennis genomen van het standpunt dat de Regering inzake mijn gedragingen heeft bepaald. Ik aanvaard de consequenties en zal de functies, die in dat verband zijn genoemd, neerleggen. Ik hoop de gelegenheid te behouden het land te dienen en mede daardoor het vertrouwen in mij te herstellen."
— w.g. Bernhard

Op Soestdijk leefde de wens dat Bernhard in een televisie-uitzending het Nederlandse volk zou toespreken. Den Uyl wees dat af. Tegen Juliana zei hij naar eigen zeggen: "Hoe kleiner u zich maakt, hoe groter de kans is dat Hare Majesteit kan doorregeren."[5] De Tweede Kamer legde zich neer bij de kabinetswens en diende geen verzoek in om een strafrechtelijk onderzoek te laten instellen.

Op Prinsjesdag 1976 verscheen Bernhard voor het eerst niet in uniform. Echter, een paar jaar later gaf premier Van Agt de prins al incidenteel (ter gelegenheid van de begrafenis van lord Mountbatten van Birma) toestemming het uniform weer te dragen en in 1991 liet premier Lubbers hem bij diens 80e verjaardag weten dat de regering het op prijs zou stellen als hij bij voorkomende gelegenheden het uniform weer zou willen dragen. De prins maakte nauwelijks gebruik van dit gebaar, wel verkoos hij in uniform te worden begraven.

Publicaties na overlijden prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld[bewerken]

Na de dood van Bernhard in december 2004 verscheen een reportage in weekblad De Groene Amsterdammer, waarin gemeld werd dat de prins in een serie interviews met de in 2002 overleden journalist Martin van Amerongen had toegegeven 1,1 miljoen dollar te hebben ontvangen. Het overgrote deel van het geld zou volgens Bernhard direct weggegeven zijn aan goede doelen. Martin van Amerongen en Bernhard waren overeengekomen dat de reportage pas na de dood van Bernhard zou worden gepubliceerd.

Het proefschrift van Anet Bleich, een biografische studie over het leven van Den Uyl uit 2008, bevestigt eerdere berichten dat Bernhard zich naast de Lockheed-kwestie tevens gevoelig had getoond voor gunsten en giften van nóg een vliegtuigfabrikant, Northrop. Over dit tweede smeergeldschandaal werd al in 2005 gepubliceerd in tijdschrift Vrij Nederland, dat de hand had weten te leggen op een geheime bijlage bij het rapport van de Commissie van Drie. Al eerder, in 1977, had dagblad Het Vrije Volk bericht over de Northrop-smeergeldkwestie - op basis van het mogen inzien van het geheime stuk. Vermoedelijk is de bewuste bijlage indertijd door Den Uyl geheimgehouden om een monarchale crisis te voorkomen.