Lijst van voorrangsregels

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bioscoopjournaal uit 1948 over de voorrangsregels.

Voorrangsregels behoren tot de verkeersregels. Wie in het wegverkeer voorrang verkrijgt en wie voorrang moet verlenen, wordt door deze regels bepaald.

Wanneer het verkeer of de voorrang op een of andere wijze geregeld wordt door bijvoorbeeld voorrangsborden, slagbomen, verkeerslichten of een verkeersagent, dient een dergelijke regeling gevolgd te worden. Wanneer dergelijke regelingen afwezig zijn of geen uitsluitsel bieden (de verkeerslichten zijn bijvoorbeeld uit, borden ontbreken, of twee bestuurders met groen licht kruisen elkaar alsnog) dient op de voorrangsregels te worden teruggevallen.

Nederland[bewerken]

Voor bestuurders gelden in Nederland de volgende voorrangsregels:

  • Het overige verkeer moet een voorrangsvoertuig voorrang verlenen.
  • Een bestuurder op een voorrangsweg heeft voorrang op bestuurders die die weg naderen.
  • Autowegen en autosnelwegen zijn altijd voorrangswegen en dus moet invoegend verkeer uit een toerit voorrang verlenen aan verkeer op de weg zelf.
  • Een bestuurder van rechts op een gelijkwaardig kruispunt (verharde of onverharde wegen onderling) heeft voorrang.
  • Een bestuurder die van een onverharde weg komt, moet voorrang verlenen aan bestuurders op een verharde weg die voor hem van links en/of rechts komen.
  • Ook verkeer komende uit een uitrit moet voorrang geven aan alle bestuurders op de weg zelf. Wanneer een zijstraat weliswaar verhard is maar de stoep van de hoofdweg niet onderbroken is (ook bij verzonken of door hellinkjes onderbroken stoepranden) geldt deze zijstraat als uitrit (uitritconstructie) en moet dus aan alle bestuurders op de hoofdweg voorrang gegeven worden.
  • Recht doorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor op afslaand verkeer op die weg, inclusief voetgangers. De enige uitzondering op de regel is een afslaande tram; die heeft altijd voorrang op recht doorgaand verkeer op dezelfde weg.
  • Een afslaande bestuurder die een korte bocht maakt (dus rechtsaf), gaat voor op de afslaande bestuurder die een lange bocht maakt (dus linksaf).
  • Bij bijzondere manoeuvres, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moet een bestuurder alle verkeer (ook voetgangers) voor laten gaan.
  • Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats (dat kan ook een OV-halte zijn) oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan. Dat geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne.
  • Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met een of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan.
  • Binnen de bebouwde kom moeten bestuurders aan bestuurders van een autobus de gelegenheid geven van een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder van die autobus door het geven van een teken met zijn richtingaanwijzer zijn voornemen om weg te rijden kenbaar maakt. Dit geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen.
  • Wanneer zich een versmalling of obstakel (bijvoorbeeld een bloembak of geparkeerde auto) aan een zijde van de weg bevindt op zodanige wijze dat tegemoet rijdende bestuurders elkaar niet meer kunnen passeren, dient de bestuurder aan wiens wegzijde het obstakel zich bevindt voorrang te verlenen aan de ander.

Tram[bewerken]

  • Trams hebben voorrang op bestuurders en op gelijkwaardige kruispunten op alle verkeer. Verkeer op een voorrangsweg of -kruising heeft echter voorrang op trams die van links of rechts de voorrangsweg of -kruising naderen.
  • Afslaande trams vormen derhalve een uitzondering op de regel dat recht doorgaand verkeer op dezelfde weg voorgaat; recht doorgaand verkeer op dezelfde weg moet voorrang verlenen aan afslaande trams.

Trein[bewerken]

Een trein heeft altijd voorrang op overige weggebruikers. Het maakt hierbij niet uit hoe en of de spoorwegovergang beveiligd is. Wanneer de overweg met lichten beveiligd is moet het verkeer wachten tot de lichten gedoofd zijn; er kan immers nog een tweede trein na de eerste komen.

Voetgangers[bewerken]

Voetgangers zijn geen bestuurders maar behoren wel tot het verkeer.

  • Voetgangers doen niet mee in de voorrang. Voorrang verlenen is namelijk iets wat alleen geldt voor bestuurders onderling.
  • De regel rechtdoor op dezelfde weg gaat voor geldt ook voor voetgangers in hun relatie met het overige verkeer, met uitzondering van afslaande trams.
  • Op een erf mogen voetgangers de gehele weg gebruiken, maar het andere verkeer is niet verplicht de voetgangers voor te laten gaan.
  • Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren moeten voetgangers voor laten gaan.

Overige regels[bewerken]

  • Een militaire colonne mag op kruisingen van gelijkwaardige wegen niet worden doorsneden.
  • Een rouwstoet mag op kruisingen van gelijkwaardige wegen niet worden doorsneden. Tot de rouwstoet behorende voertuigen zijn herkenbaar aan twee op het voertuig aangebrachte zwarte vlaggen in de vorm van een gelijkbenige driehoek.
  • Bestuurders die een wegversmalling naderen met verkeersbord F5 (richting a) moeten verkeer (inclusief voetgangers) uit de tegengestelde richting voor laten gaan. Verkeer van de andere zijde (verkeersbord F6, richting b) heeft recht op vrije doorgang. Voetgangers uit richting a hoeven zich hier niet aan te houden.

Rotonde[bewerken]

Op een rotonde geldt in principe dat verkeer (bestuurders) van rechts voorrang heeft. In de praktijk is meestal met verkeersborden of verkeerstekens op het wegdek aangegeven dat het verkeer op de rotonde voorrang heeft op de naderende wegen.

Ligt er naast de rotonde een fietspad of fiets/bromfietspad, dan kan dat pad binnen of buiten de voorrang liggen. Ligt het pad buiten de voorrang, dan geldt niet de regel dat rechtdoor op dezelfde weg voorgaat, met andere woorden: een auto die de rotonde verlaat heeft voorrang op een fietser die de rotonde vervolgt.

Veranderde voorrangsregels[bewerken]

  • Tijdens de Duitse bezetting (1940-1945) is met ingang van 8 oktober 1941 ingevoerd (tot mei 2001), dat langzaam verkeer (fietsers en bromfietsers) voorrang moest verlenen aan snelverkeer.[1]
  • Tot 1991 bestond de categorie B-weg.
  • Tot 1991 had een uitvaartstoet dezelfde voorrechten als een militaire colonne. Per juli 2010 heeft een uitvaartstoet weer dezelfde voorrechten als een militaire colonne.

België[bewerken]

De voorrangsregels zijn hetzelfde als in Nederland, met uitzondering van:

  • Trams hebben altijd voorrang.
  • Op bergwegen en andere hellende wegen heeft stijgend verkeer voorrang op dalend verkeer. In de praktijk hebben zware voertuigen, zoals bussen, voorrang op lichtere voertuigen.
  • Verkeer op een rotonde heeft voorrang.
  • Bij voorrang van rechts blijft de voorrang gelden, zelfs als de bestuurder die voorrang heeft stopt (vroeger verloor hij of zij daardoor zijn of haar voorrang).
  • Verkeer (fietsers en bromfietsers) op een doorlopend fietspad hebben voorrang.

Bijzondere voorrangsregels in andere Europese landen[bewerken]

  • Denemarken: een bord met een omgekeerde Y op de autosnelweg duidt aan dat verkeer van een toerit voorrang heeft.
  • Duitsland: trams hebben geen absolute voorrang op andere weggebruikers.
  • Groot-Brittannië: de belangrijkste weg heeft voorrang, voetgangers hebben voorrang op oversteekplaatsen met knipperbollen.
  • Luxemburg, Zwitserland: auto's die uit tegengestelde richting op een kruispunt linksaf slaan moeten een korte bocht maken.
  • Griekenland: verkeer dat de rotonde nadert heeft voorrang op verkeer dat zich al op de rotonde bevindt: rechts heeft dus voorrang.

Zie ook[bewerken]