Mijnramp van Marcinelle

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bois du Cazier
Onderdeel van de werelderfgoedinschrijving:
Belangrijkste mijnsites van Wallonië
Schachtbokken en schroot bij Bois du Cazier
Schachtbokken en schroot bij Bois du Cazier
Land Vlag van België België
UNESCO-regio Europa en Noord-Amerika
Criteria ii, iv
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 1344
Inschrijving 2012 (36e sessie)
UNESCO-werelderfgoedlijst
Redders met zuurstofapparaten.
Schachtbokken
Overzichtsfoto
Toegangspoort

De mijnramp in Marcinelle is de grootste mijnramp uit de Belgische geschiedenis, en een van de grootste uit de Europese mijnbouwgeschiedenis. In de kolenmijn Le Bois du Cazier bij Marcinelle, ten zuiden van Charleroi, brak op 8 augustus 1956 brand uit. Dit leidde tot een ramp waarbij 262 mensen van twaalf verschillende nationaliteiten het leven lieten, onder wie 136 Italianen en 95 Belgen.

Door deze ramp kwam ook een verschuiving in de immigratie in België op gang. Wegens het grote aantal Italiaanse slachtoffers dreigde de Italiaanse regering het immigratiecontract met België op te zeggen, tenzij er extra veiligheidsmaatregelen genomen zouden worden. De Belgische overheid ging hier niet op in, wat resulteerde in de definitieve opzegging van het immigratiecontract. Hierna trok de Belgische overheid vooral gastarbeiders uit Griekenland, Spanje, Portugal en later Marokko en Turkije aan.[1]

Beschrijving van de ramp[bewerken]

Op 8 augustus 1956, rond acht uur 's ochtends, besloot de mijnwerker Antonio Ianetta op een diepte van 975 meter in de verseluchtkoker een volgeladen kolenwagen in de liftkooi te plaatsen. Hiervoor moest aan de andere kant van de liftkooi een leeg wagentje weg worden geduwd. Ianetta wist niet dat de liftkooi niet op zijn niveau in de mijnschacht mocht stoppen. Een defecte nok blokkeerde de uitstoot van de lege wagen en toen de liftkooi bruusk werd opgehaald rukten de wagens een balk van de laadplaats af. De telefoonlijnen, twee hoogspanningskabels, de oliedrukleiding van de hydraulische balans en de persluchtleiding die het ondergronds ingezette pneumatisch materieel voedde braken af. Hierdoor brak er bijna ogenblikkelijk een felle brand uit.

Door het ventilatiesysteem konden giftige gassen zich verspreiden over andere mijnschachten. In minder dan een uur was alle communicatie tussen boven- en ondergrond onmogelijk geworden.

Ianetta kwam naar boven en sloeg om 8:25 alarm. Op hetzelfde moment namen zeven mannen plaats in het bovenste compartiment van een kooi. Ze gaven een sein om naar boven te gaan, maar de kooi bewoog niet. Marceau Caillard stapte uit om aan het touw van de bel te trekken, maar daarna vertrok de kooi zonder dat hij had kunnen instappen.

De brand had de afvoer van de vuile lucht bereikt, waardoor de schacht onbruikbaar geworden was. Door de hitte braken de kabels en vielen twee kooien in deze schacht naar beneden. De mijnwerkers hadden nu geen ontsnappingsmogelijkheid meer. Een uur later daalden twee mannen af via een nieuwe schacht die van de rest van de mijn was afgesloten door een betonnen muur waarin een mangat was geplaatst. Ze openden het mangat maar de opening was te klein voor hun zuurstofapparaat. Rook zorgde ervoor dat ze niet verder konden.

De ventilatie werd opnieuw opgestart. Vijftien uren later werden nog zes overlevenden teruggevonden. De reddingsactie duurde nog voort tot 23 augustus, toen de laatste tunnel verkend was en de redders naar boven kwamen met de boodschap: “Tutti cadaveri” (“allemaal lijken”).[2]

Later werd Antonio Ianetta ervan beschuldigd de veroorzaker van de ramp te zijn. Men vreesde voor zijn leven; hij werd naar Canada gestuurd. Hij overleed daar op 11 februari 2012.[3]

Het proces[bewerken]

Pas drie jaar later, in 1959, volgde een proces over de verantwoordelijkheid voor de grootste mijnramp in de Belgische geschiedenis. Ingenieur Demeuse klaagde de regering aan, want aan de wettelijke veiligheidseisen was in 1956 voldaan in Marcinelle. De enige die werd veroordeeld was Adolphe Calicis, de ‘directeur des travaux’ van de mijn. Hij kreeg in 1961 een voorwaardelijke straf van zes maanden en een geldboete, omdat hij niets had gedaan aan signalen die verkeerd konden worden begrepen. Nochtans had hij na de ramp zo veel mogelijk gedaan om mijnwerkers het leven te redden. Hij wordt gezien als een zondebok die moest hangen om hogere verantwoordelijken buiten schot te houden.[4]

De ware oorzaak van de ramp[bewerken]

De infrastructuur van de mijn in Marcinelle was in alle opzichten verouderd. Het hydraulisch systeem werkte in Marcinelle nog op olie terwijl in vele andere mijnen al op water was overgeschakeld. De mijnschachten en de tussendeuren waren van hout en (nog) niet van staal. Toch voldeed Marcinelle aan de wettelijke voorschriften van die tijd. Pas na de ramp werden de veiligheidsregels grondig bijgesteld.

Na de ramp[bewerken]

Het werk in de mijn van Marcinelle werd gewoon voortgezet, zij het in een trager tempo. Niemand wilde er werken, maar elders in de streek was geen werk te vinden. De mijn werd officieel gesloten op 15 januari 1961. Bij de sluiting en ontmanteling stuitten de mijnwerkers echter op een nieuwe, rijke laag steenkool en men ging opnieuw aan de slag. In december 1967 werd de rampmijn definitief opgedoekt.

De mijn doet nu dienst als museum en herdenkingsplaats.

In 2006 werden enkele ritten van de Giro d'Italia in België verreden. In het jaar 2006 viel namelijk de 60e verjaardag van het zogenaamde Accord du Charbon, de overeenkomst die de eerste immigratiegolf uit Italië net na de Tweede Wereldoorlog regulariseerde. Het was ook de 50e verjaardag van de mijnramp te Marcinelle. Niet toevallig kwam de zondagetappe van de beroemde Italiaanse wielerronde dat jaar aan in Marcinelle.

In 2012 werd Le Bois du Cazier samen met drie andere sites onder de naam 'belangrijkste mijnsites van Wallonië' opgenomen op de werelderfgoedlijst van UNESCO.