Minnelijke schikking

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Samenvoegen   Ten minste één Wikipediagebruiker vindt dat de onderstaande inhoud, of een gedeelte daarvan, samengevoegd zou moeten worden met Belgische wet op de minnelijke schikking in strafzaken, of dat er een duidelijkere afbakening tussen deze artikelen dient te worden gemaakt  (hier melden).

De minnelijke schikking is een rechtsfiguur uit het Belgisch strafrecht die het openbaar ministerie onder bepaalde voorwaarden toelaat om aan de verdachte van een misdrijf verval van strafvordering voor te stellen in ruil voor een tegenprestatie (meestal het betalen van een geldsom, maar soms ook het afstaan van bepaalde goederen, het uitvoeren van aanpassingswerken...).

De algemene regeling is vervat in het strafwetboek en staat bekend als verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom (V.S.B.G.). Daarnaast zijn er ook afwijkende regelingen voor specifieke categorieën van misdrijven (verkeer, stedenbouw).

Geschiedenis[bewerken]

De mogelijkheid om de strafvervolging te schikken werd voor het eerst ingevoerd door het koninklijk besluit nr. 59 van 10 januari 1935. Dit voorzag in het teniet gaan van de publieke vordering door vrijwillige betaling. De regeling werd gemotiveerd vanuit de noodzaak om de rechtbanken te ontlasten en de gerechtskosten te drukken.

Verruiming van 1984[bewerken]

In 1984 werden de mogelijkheden verruimd door de invoeging van artikel 216bis in het wetboek van strafvordering.[1] De bedoeling was alternatieve oplossingen te zoeken met betrekking tot de kleine criminaliteit en het gevoel van straffeloosheid tegen te gaan. Voorts was men alweer op zoek naar een manier om de overbelasting van de rechtbanken tegen te gaan.

De Procureur des Konings kreeg de mogelijkheid om voor alle misdrijven met een gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar een betaling van een geldsom (al dan niet met verbeurdverklaring ) voor te stellen (uitgangspunt is hier: de wet). Voorwaarde was dat de (eventuele) schade aan het slachtoffer volledig vergoed moest zijn of dat de dader zijn aansprakelijkheid schriftelijk erkende en het bewijs leverde van de vergoeding van het niet-betwiste deel van de schade.

Deze procedure was enkel mogelijk zolang de strafvordering nog niet was ingesteld, of zolang een onderzoeksrechter niet was gevorderd. Op burgerlijk vlak betekende de aanvaarding van de minnelijke schikking een onweerlegbaar vermoeden van fout.

Het bedrag van de minnelijke schikking mocht niet meer zijn dat het maximum van bij de strafwet bepaalde geldboete.

Verruiming van 2011 (afkoopwet)[bewerken]

Het artikel 216bis werd in 2011 aangevuld met een § 2 (de zogenoemde afkoopwet).[2] Men spreekt van het verruimde verval van de strafvordering tegen betaling van een geldsom (V.V.S.B.G.).

Het artikel werd op twee domeinen uitgebreid:[3]

  • procedurele uitbreiding: ook al is de strafvordering ingesteld, een minnelijke schikking blijft altijd mogelijk, maar het is dan de rechter die nagaat of aan alle voorwaarden is voldaan en het einde van de strafvordering uitroept
  • materiële uitbreiding: voor alle overtredingen, wanbedrijven en correctionaliseerbare misdaden (door aanname van verzachtende omstandigheden); is mogelijk indien Procureur meent dat het feit niet van die aard is om gestraft te worden met gevangenisstraf van meer dan twee jaar; (uitgangspunt is hier: de bestraffing)

Pas een jaar later, in mei 2012, omschreef een circulaire van het College van de procureurs-generaal de toepassingscriteria. Deze circulaire, hoewel de wetgeving al een jaar bestond, veroorzaakte een storm van protest in de media: bepaalde criminelen konden hun proces afkopen, wat voor onrechtvaardigheid zou zorgen.

Een nieuwe wetswijziging bracht in 2016 een verstrenging van het systeem: minnelijke schikkingen konden niet meer worden afgesloten na het eindvonnis (zelfs al werd cassatieberoep ingesteld) en afgesloten minnelijke schikkingen werden voortaan vermeld in het strafregister.

Later dat jaar oordeelde het Grondwettelijk Hof op prejudiciële vraag dat de verruiming in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces en met de rechterlijke onafhankelijkheid.[4] Doordat het niet nodig is een minnelijke schikking te motiveren, kan de strafrechter geen volwaardig toezicht uitoefenen, noch op de proportionaliteit van de voorgenomen minnelijke schikking, noch op haar wettigheid. Bijgevolg is de afkoopwet ongrondwettig (met handhaving van de lopende gevolgen tot de publicatie van het arrest).

Controversiële totstandkoming[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Belgische wet op de minnelijke schikking in strafzaken voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In oktober 2012 kwam aan het licht dat de Belgische afkoopwet er mee gekomen zou zijn onder Franse druk, om de steenrijke Oezbeeks-Belgische zakenman Patoch Sjodijev in staat te stellen zijn vervolging in de zaak-Tractebel af te kopen.[5]

Werking[bewerken]

Minnelijke schikking vóór de onderzoeks- en vonnisfase[bewerken]

Misdrijven waarover nog geen gerechtelijk onderzoek is ingesteld en die nog niet bij de strafrechter zijn aanbeland, kunnen eenzijdig door de Procureur des Konings worden afgehandeld.[6] Het volstaat dat hij een dubbele inschatting maakt over de feiten, namelijk dat ze (i) geen gevangenisstraf van meer dan twee jaar rechtvaardigen en (ii) geen zware aantasting inhouden van de lichamelijke integriteit. De mening van het slachtoffer doet wettelijk niet ter zake, in die mate dat het zelfs niet wordt vermeld in de procedure (en dus theoretisch compleet in onwetendheid kan zijn). Als de procureur en de dader akkoord zijn en het bedrag wordt betaald, vervalt de strafvordering.

Minnelijke schikking tijdens een gerechtelijk onderzoek of strafzaak[bewerken]

Als een zaak in handen is van een onderzoeksrechter of een strafrechter, kan de procureur het initiatief nemen om te onderhandelen over een minnelijke schikking met de verdachte of beklaagde.[7] Door de vereiste dat beklaagde en slachtoffer een akkoord moeten vinden over de omvang en de regeling van de schadevergoeding, heeft het slachtoffer een vetorecht over de minnelijke schikking. Sinds de publicatie van het arrest van 2 juni 2016 kunnen in principe geen schikkingen meer worden afgesloten.

Statistieken[bewerken]

Volgens de Jaarstatistiek van de correctionele parketten zijn er 6.760 zaken met een minnelijke schikking afgesloten in 2015.[8] De cijfers laten geen uitsplitsing toe naar de fase waarin de schikking heeft plaatsgevonden. Ook ernstige feiten als aanrandingen en verkrachtingen blijken in der minne te regelen.

"Una Via"-wet[bewerken]

Deze wetgeving moet in samenhang gezien worden met de hoger beschreven afkoopwet.

Eind september 2012 werd in het kader van de strijd tegen fiscale fraude een nieuwe wet aangenomen die het mogelijk moet maken voor het openbaar ministerie om te besluiten of de fiscus zijn werk voortzet, dan wel strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld.[9] Zodra het parket besluit om strafrechtelijk te vervolgen en de zaak wordt voor de rechtbank gebracht, vervallen alle fiscale boetes. Hiertegenover staat dan weer dat de strafrechtelijke boetes verhoogd worden tot 500.000 euro (te vermeerderen met opdeciemen).