Motie van wantrouwen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Motie van afkeuring)
Ga naar: navigatie, zoeken

Een motie van wantrouwen jegens één of meer bestuursleden (of het gehele bestuur) is een motie die wordt ingediend om het vertrouwen in betreffende bestuursleden op te zeggen. Redenen voor dit opzeggen van vertrouwen kunnen bijvoorbeeld zijn dat het betreffend bestuurslid/-leden niet (langer) in staat worden geacht om kundig zijn/haar/hun bestuurlijke taken uit te voeren, of geacht wordt/worden niet in het belang van het bedrijf, vereniging of land gehandeld te hebben.

Het indienen van een motie toont op zichzelf niet meer aan dan dat de indiener reden ziet een motie in te dienen; het uiteindelijk resultaat ervan wordt bepaald door hoeveel steun de motie krijgt. Als de motie van wantrouwen ook daadwerkelijk aangenomen wordt (dat wil zeggen dat een meerderheid vóór de motie heeft gestemd) is er een ernstige situatie ontstaan: die meerderheid heeft immers aangegeven het vertrouwen ernstig beschadigd te zien. Dit wordt meestal opgevat als een aansporing aan diegene(n) wiens/wier functioneren de motie betreft zijn/haar/hun functie neer te leggen. Een formele verplichting is dit echter niet altijd, met uitzondering van het aannemen van een motie van wantrouwen in de Tweede Kamer.

In Nederland kan de Tweede Kamer ook een motie van afkeuring aannemen. Tevens kan een orgaan een motie van treurnis aannemen -- een mildere variant waarbij geen sprake is van een vertrouwensbreuk. Deze laatste motie wordt (doorgaans) niet gevolgd door aftreden.


Nederland[bewerken]

Regering[bewerken]

De vertrouwensregel is een ongeschreven rechtsregel, die zonder meer bindend is.[bron?] De inhoud van de (ongeschreven) vertrouwensregel kan als volgt worden weergegeven: de bewindspersoon jegens wie is gebleken dat het vertrouwen is komen te ontbreken (bijvoorbeeld door het aannemen van een motie), dient zijn ontslag aan te bieden of dient te bevorderen dat de Kamer wordt ontbonden.

Of een motie het karakter heeft van een motie van wantrouwen is niet altijd duidelijk. In de Nederlandse parlementaire geschiedenis is nog nooit een motie aangenomen die in het dictum expliciet vermeldde dat het een motie van wantrouwen is. De indiener van een motie en de bewindspersoon tegen wie de motie gericht is, zijn de meest aangewezen personen om aan te geven of een motie het karakter heeft van een motie van wantrouwen. Een bewindspersoon kan dat doen door vóór de stemming uit te spreken dat hij de motie onaanvaardbaar vindt. Hiermee zal hij doorgaans proberen Kamerleden van coalitiefracties ertoe te bewegen niet voor de motie te stemmen, omdat zij geen politieke crisis willen riskeren. Omgekeerd zal de bewindspersoon een kwestie meestal ook niet op scherp willen zetten en dus niet snel zware termen als "onaanvaardbaar" gebruiken. Hij kan ook zeggen dat hij grote moeite heeft met de motie, zodat aanvaarding van de motie niet onherroepelijk inhoudt dat hij moet aftreden.

Op 13 december 2006 aanvaardde de Tweede Kamer een motie-Dijsselbloem waarin de handelwijze van de demissionaire minister Rita Verdonk werd afgekeurd, omdat zij niet bereid was eerdere moties van de Kamer uit te voeren. In die eerdere moties werd de minister gevraagd uitzetting van vreemdelingen op te schorten die in aanmerking konden komen voor het generaal pardon, omdat op dat moment bij de kabinetsformatie over zo'n pardon werd onderhandeld. Het kabinet besloot dat Verdonk niet zou aftreden, maar zij ruilde wel het onderdeel vreemdelingenbeleid in voor enkele andere onderdelen van het Ministerie van Justitie. Niet duidelijk is of de motie-Dijsselbloem feitelijk een motie van wantrouwen was, en of de vertrouwensregel hiermee werd genegeerd. De Tweede Kamer had eventueel in een volgende motie ondubbelzinnig kunnen uitspreken dat Verdonk diende af te treden, maar heeft dat niet gedaan.

Over de vraag of de vertrouwensregel ook geldt ten aanzien van de Eerste Kamer bestaat in de wetenschappelijke literatuur onenigheid. Het proefschrift van mr. Frank de Vries, 'De staatsrechtelijke positie van de Eerste Kamer', verdedigt de stelling dat de vertrouwensregel ook geldt met betrekking tot de Eerste Kamer. Dit geldt eveneens voor de 15e druk van het 'Handboek van het Nederlandse staatsrecht' van Van der Pot (laatstelijk bewerkt door prof. mr. D.J. Elzinga en prof. mr. R. de Lange, met medewerking van mr. H.G. Hoogers). De 14e druk (toen nog Van der Pot/Donner geheten) verdedigde nog de stelling dat de vertrouwensregel niet geldt ten aanzien van de Eerste Kamer.

Lokale besturen[bewerken]

In de Provinciewet wordt de motie van wantrouwen jegens een provinciebestuurder (dat wil zeggen een gedeputeerde) wel genoemd. Artikel 49 Provinciewet luidt: "Indien een uitspraak van provinciale staten inhoudende de opzegging van hun vertrouwen in een gedeputeerde er niet toe leidt dat de betrokken gedeputeerde onmiddellijk ontslag neemt, kunnen provinciale staten besluiten tot ontslag."

Ook in de Gemeentewet wordt de motie van wantrouwen jegens een gemeentebestuurder (dat wil zeggen een wethouder) genoemd. Artikel 49 Gemeentewet luidt: "Indien een uitspraak van de raad inhoudende de opzegging van zijn vertrouwen in een wethouder er niet toe leidt dat de betrokken wethouder zijn ontslag indient, kan de raad besluiten tot ontslag."

Ook in de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (WolBES) wordt de motie van wantrouwen jegens een bestuurder van het openbaar lichaam (dat wil zeggen een eilandgedeputeerde) genoemd. Artikel 60 lid 1 WolBES luidt: "Indien een uitspraak van de eilandsraad inhoudende de opzegging van zijn vertrouwen in een eilandgedeputeerde er niet toe leidt dat de betrokken eilandgedeputeerde onmiddellijk ontslag neemt, kan de eilandsraad besluiten tot ontslag."

België[bewerken]

In de Belgische Grondwet is dit systeem met betrekking tot de federale regering vervangen door dat van de constructieve motie van wantrouwen.

Motie van afkeuring[bewerken]

Net als een motie van wantrouwen is een motie van afkeuring een motie die wordt ingediend om afkeuring kenbaar te maken over één of meer bestuurleden (of het gehele bestuur). Strikt gesproken kan dit gebeuren om afkeuring over een bepaalde handeling of gebeurtenis uit te spreken, zonder dat ook het vertrouwen wordt opgezegd. In Nederland kan een motie van afkeuring bijvoorbeeld worden aangenomen door de Tweede Kamer, als de kamer ontevreden is over het functioneren van een minister.

Het indienen van een motie toont op zich niet meer aan dan dat de indiener reden ziet een motie in te dienen. Het ook daadwerkelijk aannemen van een motie van afkeuring wordt meestal opgevat als een ernstige waarschuwing aan degene wiens functioneren de motie betreft en kan in sommige gevallen voor betrokken bestuurder(s) reden zijn om af te treden. Een formele verplichting is dit echter niet.

Het onderscheid tussen een motie van afkeuring en een motie van wantrouwen is onduidelijk. Als er al een verschil is, is dat verschil niet zichtbaar aan de tekst van de motie, maar ligt het in de interpretatie van meestal de minister(s) of het kabinet (en soms van de interpretatie van de indiener van de motie of van de meerderheid van de Tweede Kamer).

Als volgens deze interpretatie de aangenomen motie er een van wantrouwen is, dient de bewindspersoon / de bewindslieden op te stappen. De Tweede Kamer kent ook een motie van treurnis, waarin de indiener zich bij voorbaat neerlegt bij het zonder gevolgen blijven van de motie.

Algemeen taalgebruik[bewerken]

In het algemeen taalgebruik wordt de term "een motie van wantrouwen" gebruikt als uitdrukking in een veel ruimere zin, namelijk niet als een formeel blijk van opzegging van vertrouwen, ingediend bij een vertegenwoordigend lichaam, maar als persoonlijk blijk van een gebrek aan vertrouwen. In deze zin hoeft "een motie van wantrouwen" niet geschreven of gesproken te zijn, maar kan ook een handeling (of het nalaten van een handeling) zijn.

Externe links[bewerken]