Pensioensparen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Pensioenrechten in België
Type Onderverdeling Niveau
Eerste pijler Wettelijk pensioen (RSZ)
Ambtenarenpensioen
Gezinspensioen
Overlevingspensioen
Rustpensioen
Overheid
Tweede pijler Groepsverzekering
Pensioenfonds
Collectief
IPT (bedrijfsleiders)
POZ (zelfstandigen)
VAPZ (zelfstandigen)
VAPW (werknemers)
Individueel
Derde pijler Pensioensparen
Langetermijnsparen
Vierde pijler Individueel sparen
Beleggingen
Levensverzekering
Onroerend goed

Pensioensparen is in België een vrijwillige, niet inkomensgebonden, persoonlijke, en complexe vorm van sparen op lange termijn (derde pijler) waarbij men elk jaar een bedrag naar keuze opzij legt, zodat men bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd een aanvulling op het individuele wettelijk pensioen bekomt. Men kan het bedrag jaarlijks kiezen, afhankelijk van het inkomen en beperkt tot bepaalde wettelijke plafonds (per individu) die jaarlijks worden vastgelegd. In november 2020 heeft de regering beslist om deze maximumbedragen, in het kader van de besparingen in de overheidsuitgaven wegens corona, van 2021 tot en met 2023 te verlagen tot de bedragen van 2019.[1][2]

Ten opzichte van de Belgische buurlanden zijn de wettelijke pensioenen (eerste pijler) in België (heel) laag.[3] De overheid wil dit derde-pijlersparen stimuleren, daarom is er een belastingvoordeel, dat doorheen de jaren wel gevoelig verminderd werd.

Geschiedenis[bewerken | bron bewerken]

Het pensioensparen met belastingvermindering werd in België vanaf het inkomstenjaar 1986 door de regering Martens ingevoerd als opvolger van de wet Cooreman-Declerq. De regering voerde deze zogenaamde 'derde pijler' in, omdat zij inzag dat ten gevolge van de denataliteit sinds de tweede helft van de jaren 1960, de financiering van de sociale zekerheid problemen zou ondervinden[noot 1] en de wettelijke pensioenen niet meer zouden volstaan om een zorgeloze oude dag te garanderen.[4]

Aanvankelijk kreeg men een marginaal belastingvoordeel, soms tot 60 % voor de hogere inkomens, maar dat voordeel werd door twee latere regeringen gevoelig verlaagd; de paars-groene regering Verhofstadt (1999-2003) verving vanaf het aanslagjaar 2003 de marginale aanslagvoet door de bijzondere gemiddelde aanslagvoet (30-40%) en de regering Di Rupo (2011-2014) reduceerde dit verder tot 30 % vanaf het aanslagjaar 2013 − hetzelfde percentage voor alle belastingplichtigen.[5] De marginale aanslagvoet is het belastingpercentage in de hoogste schijf van de personenbelasting.

Sinds het inkomstenjaar 2018 kan men kiezen om voor een verhoogd bedrag in te schrijven waarvoor men een belastingvoordeel van slechts 25 % krijgt. Het is fiscaal niet interessant om voor een tussenliggend bedrag in te schrijven, hoewel dit technisch mogelijk is. Dit moet ieder jaar opnieuw via de bank worden aangevraagd.

Financiële raadgevers raden aan om met pensioensparen te starten van zodra men aan een loopbaan begint, omwille van het fiscale voordeel en omdat er op heel lange termijn wordt belegd in aandelen, vaak met redelijke kans op een hoog rendement, afhankelijk van de economische cyclus. Een typische loopbaan bedraagt 40 tot 45 jaar, hoewel de overheid het wettelijk pensioen nog steeds berekent op basis van een loopbaan van 45 jaar ('een breuk van 45'). De gestorte bedragen kunnen pas worden opgevraagd na de 60e verjaardag.

Belastingen[bewerken | bron bewerken]

Maximumbedrag voor
pensioensparen (België)
Maximumbedrag
Jaar
(inkomsten)
Lager
bedrag
Hoger
bedrag
2021 - 2023[6] 980 € 1.260 €
2020[6] 990 € 1.270 €
2019 980 € 1.260 €
2018 960 € 1.230 €
2013 - 2017 940 €
2012 910 €
2011 880 €
2009 - 2010 870 €
2008 830 €
2007 810 €
2006 800 €
2005 780 €
2004 610 €
2003 600 €
2002 590 €
2001 580 €
1992 - 2000 22.000 BEF
1990 - 1991 21.000 BEF
1986 - 1989 20.000 BEF

In België kunnen individuele pensioenspaarders genieten van een belastingvermindering van 30 % of 25 % op het gestorte bedrag, onafhankelijk van het inkomen − zie tabel. Gehuwde of samenwonende koppels kunnen apart inschrijven. Op de leeftijd van 60 wordt ter compensatie van het gecumuleerde belastingvoordeel een eenmalige eindbelasting ('anticipatieve heffing') op het gespaarde kapitaal afgehouden. Tot 2014 bedroeg die 10 %, vanaf 2015 verlaagd tot 8 %.[7] Omdat de belastingpremie voor vroegere stortingen hoger was werden in de periode 2015-2019 extra afhoudingen gedaan door afname van de pensioenrekening. Na de afhouding van de belasting op 60 kan men verder onbelast blijven sparen tot het jaar voor men 65 wordt. In het jaar dat men 60 wordt kan men de nieuwe premie beter storten na de verjaardag om iets minder belasting te betalen.

Volgens de consumentenorganisatie Test-Aankoop wordt het belastingvoordeel behoorlijk getemperd door de eindbelasting.[8] Sommige (linkse) politieke partijen[5] vinden dat de fiscale voordelen van pensioensparen eerder de gegoede bevolking bevoordelen, omdat lagere inkomens niet of nauwelijks kunnen sparen. Deze anomalie werd aldus geleidelijk rechtgezet in de periode 1999-2014.

Vormen van pensioensparen[bewerken | bron bewerken]

Er bestaan in België verschillende formules van persoonlijk pensioensparen:

  • via een pensioenspaarrekening bij een bank of beursvennootschap; dit kan ofwel een individuele rekening zijn, waar de rekeninghouder zelf verantwoordelijk is voor het beheer en de investeringen, ofwel een collectieve pensioenspaarrekening waar de bank of beursvennootschap instaat voor het beheer van het pensioenspaarfonds, een beleggingsfonds speciaal voor het pensioensparen; hierbij wordt hoofdzakelijk belegd in aandelen, zonder kapitaalsgarantie. Een beleggingsfonds heft jaarlijkse beheerskosten die worden in mindering gebracht van het rendement.
  • een pensioenspaarverzekering, een levensverzekering waarbij de stortingen eveneens recht geven op een belastingvermindering van 30 %. De inleg is beschermd, maar het rendement is behoorlijk lager dan bij een pensioenfonds. Hier betaalt men bij inschrijving een belasting op de premie. Sinds 1 januari 2006 hield de Belgische fiscus 1,1 % belasting in op de premie.[9] Op 1 januari 2013 werd de premietaks verhoogd tot 2 %, waardoor het netto rendement iets verminderde.

De storting van het te sparen bedrag mag vrij gespreid worden over het jaar; eenmalig, of bijvoorbeeld via een maandelijkse opdracht. Het jaarbedrag moet betaald zijn voor eind december van het jaar van inkomsten. In principe is het beter om zo vroeg mogelijk in het jaar te sparen, omdat dan een maximum aan rente-inkomsten of dividenden kunnen worden behaald.

Verder bestaat er ook een bedrijfspensioenplan (dikwijls gekoppeld aan een groepsverzekering) waar de bijdragen worden betaald door de werkgever. Voor de werkgever betekent deze meeruitgave een vermindering van de bedrijfsbelasting en voor de werknemer is dit een extralegaal voordeel. De werknemer heeft hier dus slechts een onrechtstreeks belastingvoordeel.

Tevens bestaat er een vrij aanvullend pensioen voor werknemers (VAPW) en voor zelfstandigen (VAPZ).

Fiscale beperkingen[bewerken | bron bewerken]

Er blijven heel wat beperkingen om in aanmerking te komen, of te blijven, voor de belastingvoordelen: in eenzelfde jaar kan maar een enkel contract in aanmerking worden genomen voor belastingvermindering; bij overdracht naar een andere bank- of verzekeringsinstelling moet het volledig bedrag worden overgezet; er kan geen overdracht zijn tussen een verzekeringscontract en een spaarrekening.[7]

De wetgever wil fiscaal misbruik vanaf de leeftijd van 55 jaar vermijden:

  • Vanaf de leeftijd van 55 jaar mag het jaarlijks spaarbedrag niet meer worden verhoogd, behalve door indexaanpassingen of de aanpassing van de maximumtarieven door de wetgever; indien dit toch gebeurt wordt een nieuw contract met een minimum looptijd van 10 jaar gestart, met een tweede eindbelasting van 8% na 10 jaar. Stort men op de leeftijd van 54 jaar niet het maximum bedrag, dan blijft het maximum bedrag voor de rest van de looptijd ofwel de storting op 54 jaar, ofwel het gemiddelde van de stortingen van 50 tot 54 jaar. Dit noemt men het individueel plafond, dat een persoonlijk maximum bedrag is.[10] Hiermee volgt het pensioensparen de regels van het langetermijnsparen.
  • Kiest men vanaf de leeftijd van 55 jaar voor het verhoogde spaarbedrag dan mag het jaarlijks spaarbedrag ten opzichte van het vorige jaar met niet meer dan 28% worden verhoogd.[11]
  • Blijft men in hetzelfde stelsel, dan mag het bedrag niet verhoogd worden, behalve door indexatie.[11]

Om fiscale redenen moet men op de leeftijd van 54 jaar dus het maximum bedrag storten, om volledige vrijheid te behouden tot en met de leeftijd van 64 jaar (jaar van de laatste storting).

Andere vormen van sparen[bewerken | bron bewerken]

Ten slotte bestaan er ook andere spaarformules; hier gelden andere fiscale regels dan wanneer een gelijkaardig contract wordt afgesloten in het kader van pensioensparen:[8]

  • langetermijnsparen, tak 21 of 23, eveneens met een belastingvoordeel van 30 %
  • de 'gewone' levensverzekering, tak 21 of 23, zonder belastingvoordeel
  • een zogenaamde tak 44 (combinatie van tak 21 en 23), eveneens zonder belastingvoordeel

Zie ook[bewerken | bron bewerken]