Pensioensparen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Pensioenrechten in België
Type Onderverdeling Niveau
Eerste pijler Wettelijk pensioen (RSZ)
Ambtenarenpensioen
Gezinspensioen
Overlevingspensioen
Rustpensioen
Overheid
Tweede pijler Groepsverzekering Collectief
Pensioenfonds
IPT (bedrijfsleiders) Individueel
POZ (zelfstandigen)
VAPZ (zelfstandigen)
VAPW (werknemers)
Derde pijler Pensioensparen
Langetermijnsparen
Vierde pijler Individueel sparen
Beleggingen
Levensverzekering
Onroerend goed

Pensioensparen is in België een persoonlijke vorm van sparen op lange termijn (derde pijler) waarbij men elk jaar een bedrag naar keuze opzij legt, zodat men bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd een aanvulling op het individuele wettelijk pensioen bekomt. De overheid wil dit derde-pijlersparen stimuleren, daarom is er belastingvoordeel. Men kan het bedrag jaarlijks kiezen, afhankelijk van het inkomen en beperkt tot bepaalde wettelijke plafonds die jaarlijks worden vastgelegd.

Pensioensparen in België[bewerken]

Maximumbedrag voor pensioensparen (België)
Maximumbedrag
Jaar
(inkomsten)
Lager

bedrag

Hoger

bedrag

2019 980 € 1.260 €
2018 960 € 1.230 €
2013 - 2017 940 €
2012 910 €
2011 880 €
2009 - 2010 870 €
2008 830 €
2007 810 €
2006 800 €
2005 780 €
2004 610 €
2003 600 €
2002 590 €
2001 580 €
1992 - 2000 22.000 BEF
1990 - 1991 21.000 BEF
1986 - 1989 20.000 BEF

Ten opzichte van de Belgische buurlanden zijn de wettelijke pensioenen in België (heel) laag.[1] Het pensioensparen met belastingvermindering werd in België vanaf het inkomstenjaar 1986 door de regering Martens ingevoerd als opvolger van de wet Cooreman-Declerq. De regering voerde deze zogenaamde 'derde pijler' in, omdat zij inzag dat ten gevolge van de denataliteit sinds de tweede helft van de jaren 1960, de financiering van de sociale zekerheid problemen ging ondervinden[2] en de wettelijke pensioenen niet meer zouden volstaan om een zorgeloze oude dag te garanderen.[3]

Aanvankelijk kreeg men een marginaal belastingvoordeel, soms tot 60 % voor de hogere inkomens, maar dat voordeel werd door twee latere regeringen (de paars-groene regering Verhofstadt en de regering Di Rupo) geleidelijk verminderd tot 30 % - hetzelfde percentage voor alle belastingplichtigen.[4] Sinds het inkomstenjaar 2018 kan men kiezen om voor een verhoogd bedrag van 1.230 € in te schrijven (weliswaar met een belastingvoordeel van slechts 25 %). Het is fiscaal niet interessant om voor een tussenliggend bedrag in te schrijven, hoewel dit technisch mogelijk is.

In België kunnen individuele pensioenspaarders gebruikmaken van een maximale belastingvermindering van 30 % of 25 % op het gestorte bedrag, afhankelijk van hun beroepsinkomen - zie tabel. Volgens de consumentenorganisatie Test-Aankoop wordt "[dat] belastingvoordeel [...] achteraf weliswaar behoorlijk getemperd door de eindbelasting die nog volgt."[5] Op de leeftijd van 60 wordt ter compensatie van het gecumuleerde belastingvoordeel een eenmalige eindbelasting ('anticipatieve heffing') op het gespaarde kapitaal afgehouden. Tot 2014 bedroeg die 10 %, vanaf 2015 8 %.[6] Omdat de belastingpremie voor vroegere stortingen hoger was worden in de periode 2015-2019 extra afhoudingen gedaan door afname van de pensioenrekening. Na de afhouding van de belasting op 60 kan men verder onbelast blijven sparen tot het jaar voor men 65 wordt. In het jaar dat men 60 wordt kan men de nieuwe premie dus beter storten na de verjaardag.

Het is voordelig om aan pensioensparen te doen omdat er op heel lange termijn wordt belegd in aandelen, vaak met een jaarrendement tot 6 %.[bron?] De typische loopbaan bedraagt 40 jaar, hoewel de overheid nog altijd het wettelijk pensioen berekent met een breuk van 45. De gestorte bedragen kunnen pas worden opgevraagd na de 60e verjaardag.

Er bestaan in België verschillende formules van persoonlijk pensioensparen:

  • via een pensioenspaarrekening bij een bank of beursvennootschap; dit kan ofwel een individuele rekening zijn, waar de rekeninghouder zelf verantwoordelijk is voor het beheer en de investeringen, ofwel een collectieve pensioenspaarrekening waar de bank of beursvennootschap instaat voor het beheer van het pensioenspaarfonds, een beleggingsfonds speciaal voor het pensioensparen; hierbij wordt hoofdzakelijk belegd in aandelen, in principe zonder kapitaalsgarantie. Een beleggingsfonds heeft wel beheerskosten.
  • een pensioenspaarverzekering, een levensverzekering waarbij de storting eveneens recht geeft op een belastingvermindering van 30 %. De inleg is beschermd, maar het rendement is behoorlijk lager dan bij een pensioenfonds.

Verder bestaat er ook een bedrijfspensioenplan (dikwijls gekoppeld aan een groepsverzekering) waar de bijdragen worden betaald door de werkgever (voor de werkgever betekent deze meeruitgave een vermindering van de bedrijfsbelasting en voor de werknemer is dit een extralegaal voordeel). De werknemer heeft hier dus slechts onrechtstreeks een belastingvoordeel.

Andere vormen van sparen[bewerken]

Ten slotte bestaan er ook andere spaarformules; hier gelden andere fiscale regels dan wanneer een gelijkaardig contract wordt afgesloten in het kader van pensioensparen:[5]

  • langetermijnsparen, tak 21 of 23, eveneens met een belastingvoordeel van 30 %
  • de 'gewone' levensverzekering, tak 21 of 23, zonder belastingvoordeel
  • een zogenaamde tak 44 (combinatie van tak 21 en 23), eveneens zonder belastingvoordeel

Zie ook[bewerken]