Protonentherapie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Protonentherapie (ook wel bekend als protontherapie of proton radiotherapie) is een vorm van externe radiotherapie waarbij kwaadaardige nieuwvormingen (kanker) in het lichaam met behulp van ioniserende straling bestreden worden. Radiotherapie vormt samen met chirurgie en chemotherapie de drie pijlers voor de behandeling van patiënten met kanker. Het effect van radiotherapie berust op het verschil in gevoeligheid voor straling tussen gezond weefsel en kankerweefsel.

Protonen[bewerken]

Protonentherapie en conventionele vormen van radiotherapie verschillen in het type straling dat gebruikt wordt om het kankerweefsel te vernietigen. Bij conventionele radiotherapie worden patiënten bestraald met hoogenergetische röntgenstraling dat bestaat uit pakketjes energie zonder massa, fotonen genaamd. Bij protontherapie wordt gebruikgemaakt van een bundel protonen. Protonen zijn subatomaire deeltjes met een elektrische lading en een kleine massa. Doordat protonen en fotonen een fundamenteel verschillende interactie met weefsel hebben, hebben protonentherapie en bestraling met röntgenstraling een verschillende uitwerking. Hoewel er weinig grootschalige vergelijkende studies bestaan, is er veel experimenteel bewijs dat protonen voor betere resultaten zorgen bij de behandeling van bepaalde soorten kanker.[bron?]

Behalve protonen kunnen ook andere deeltjes gebruikt worden voor radiotherapie, zoals bijvoorbeeld koolstofionen. Ieder type deeltje heeft een andere interactie met het kankerweefsel. Een verzamelnaam voor alle soorten bestralingen met behulp van deeltjes met een (minuscule) massa en elektrische lading is deeltjestherapie of hadrontherapie.

Werking en voordelen[bewerken]

De protonen die nodig zijn voor protonentherapie worden versneld en gefocusseerd door een deeltjesversneller (zoals een synchrotron of cyclotron) tot een snelheid van 60% van de lichtsnelheid. De bundel kan zo afgesteld worden dat de protonen het lichaam binnengaan en pas bij het bereiken van de tumor al hun energie afgeven. Dit verschijnsel van energieafgifte is beschreven door de Britse natuurkundige William Henry Bragg die aantoonde dat fotonen de afgegeven energie verdelen over de gehele route door het lichaam terwijl protonen en andere deeltjes met massa hun energie pas bij het bereiken van hun indringdiepte afgeven. Dit wordt aangeduid met Bragg peak. Het voordeel van protonen is gebaseerd op dit principe: terwijl fotonen in principe schade aanrichten bij het gezonde weefsel om de tumor heen, kunnen protonen zo afgesteld worden dat ze minimale schade aanrichten buiten de tumor en maximale schade aan de tumor zelf. Hierdoor kan nauwkeuriger bestraald worden en/of een hogere dosis afgegeven worden aan de tumor. Deze voordelen zijn bijvoorbeeld van belang bij tumoren die zich vlak bij stralingsgevoelige lichaamsdelen bevinden, of tumoren die relatief ongevoelig zijn voor straling. In het algemeen zullen de bijwerkingen naar aanleiding van protonenbestraling minder zijn dan bij conventionele radiotherapie.

Nadelen[bewerken]

Belangrijk nadeel van protonentherapie ten opzichte van conventionele radiotherapie betreft de kosten en omvang van de apparatuur die nodig is voor het opwekken van de protonenbundel. Hierdoor is een protonenfaciliteit een stuk duurder dan faciliteiten die gebruikmaken van röntgenstraling. Dit was in 2007 de reden voor de Belgische overheid om te besluiten niet te investeren in een protonenfaciliteit.[1] Een ander nadeel is gerelateerd aan het voordeel van protonentherapie: doordat de bundel heel nauwkeurig een hoge stralingsdosis kan afgeven, is het risico van beschadiging van gezond weefsel in gevallen waarbij de bundel niet goed gericht is op de tumor, bijvoorbeeld doordat de patiënt te veel beweegt tijdens de bestraling, evenredig groter.

Medische toepassing[bewerken]

De eerste die het gebruik van protonen suggereerde voor de behandeling van tumoren was de Amerikaan Robert R. Wilson.[2] Dit was in 1946 toen Wilson betrokken was bij het ontwerp van het Harvard Cyclotron Laboratorium in de V.S.[3] De eerste patiënten werden niet in ziekenhuizen behandeld maar bij deeltjesversnellers voor wetenschappelijk onderzoek zoals het Berkeley Stralingslaboratium in de V.S. (vanaf 1954) en in Uppsala, Zweden (vanaf 1957). In 1961 werd de behandeling in een ziekenhuisomgeving geïntroduceerd in Massachusetts (V.S.). Hier zijn tot 2002 zo'n 10.000 patiënten behandeld en is de behandelmethode verder ontwikkeld.[4] De eerste Europese behandelfaciliteit bestaat sinds 1984 en bevindt zich in het Paul Scherrer Instituut (PSI) in Villigen, Zwitserland.[5] Inmiddels zijn er in vele landen behandelcentra. Wereldwijd waren in maart 2010 zo'n 67.000 patiënten met protonen behandeld.[6]

Invoering in Nederland[bewerken]

In 2009 maakte de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend dat hij voorstander is van een geleidelijke introductie van de therapie in Nederland, waarbij allereerst die typen kanker behandeld zullen worden waarbij het bewezen voordeel van protonenbestraling het grootst is.[7] In 2009 heeft de Gezondheidsraad het Signalement Protonenbestraling gepubliceerd.[8] Hierin zijn de indicaties voor protonentherapie beschreven, wordt een schatting gemaakt van het aantal patiënten dat in aanmerking kan komen voor de therapie en worden aanbevelingen gedaan voor de invoering ervan in Nederland. Het CVZ (huidige Zorginstituut Nederland) heeft in twee rapporten in 2010[9] en 2011[10] vastgesteld dat protonentherapie voor een aantal indicaties voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk en tot het verzekerde pakket van de Zorgverzekeringswet behoort.

Er is gekozen voor de ontwikkeling van vier protonenbestralingsfaciliteiten verspreid over Nederland. Op 29 juli 2013 werd een regeling in de Staatscourant gepubliceerd, die het mogelijk maakte maximaal vier vergunningen te verlenen.[11] In december 2013 heeft de minister van VWS vergunningen verleend aan UMC Groningen Protonen Therapie Centrum en HollandPTC en in februari 2014 aan APTC en Maastricht. Realisatie hing af van de contractering van deze zorg door de zorgverzekeraars. In Groningen en Delft zijn in 2017 centra gerealiseerd.[12] Ook in Maastricht zal vanaf 2018 een faciliteit actief zijn. De komst van een Amsterdamse protonenstraler is nog onzeker.

De drie initiatieven:

Afhankelijk van de omvang van de behandelbehoefte wordt in 2019 mogelijk een vierde centrum gerealiseerd:

Externe link[bewerken]