Protoplast

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een protoplast is de plasmatische inhoud van een cel die omgeven wordt door een celwand. Bacterie-, schimmel- en plantencellen hebben een protoplast. Een dierlijke cel heeft geen celwand en dus geen protoplast. De protoplast wordt alleen omgeven door een celmembraan.

Protoplasten (naakte cellen) worden verkregen door de celwand langs enzymatische weg af te breken. Bij bacteriën wordt de peptidoglycaanlaag in de celwand met behulp van EDTA en lysozym afgebroken, bij plantencellen worden de cellulose en pectine van de celwand afgebroken met cellulasen of pectinasen. Bij schimmels wordt de celwand, die chitine bevat, afgebroken met chitinase.

Het celmembraan blijft in alle gevallen intact. De protoplasten moeten gemaakt en bewaard worden in een isotone oplossing, omdat ze anders in een hypotonisch medium water opnemen en barsten of in een hypertonische medium water afstaan en verschrompelen.

Gebruik[bewerken]

Protoplasten worden veel gebruikt bij DNA-transformatie voor het maken van genetisch gemodificeerd organismen, omdat anders de celwand het DNA blokkeert. Uit protoplasten ontstaan planten door ze eerst uit te laten groeien tot celklompjes (callusweefsel) en vervolgens deze te regenereren tot scheuten door gebruik te maken van weefselkweektechnieken. Voor de vorming van callusweefsel en regeneratie van scheuten is de juiste balans tussen groeiregulatoren nodig die per plantensoort verschilt.

Protoplasten worden ook in de plantenveredeling gebruikt bij protoplastenfusie. Hierbij worden protoplasten van verschillende plantensoorten gefuseerd (samengesmolten) met behulp van elektrische schokjes of een oplossing van polyethyleenglycol. Bij deze techniek worden somatische (langs ongeslachtelijke weg) hybriden met verdere hulp van weefselkweek gevormd.

Zie ook[bewerken]