Rijke Roomse Leven

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Fragment van het Polygoonjournaal van 10 juli 1955 over de slotprocessie van de Heiligdomsvaart in Maastricht, een voorbeeld van het Rijke Roomse Leven

Met de term Rijke Roomse Leven wordt de ritueelrijke uiting van katholicisme in het zuiden van Nederland tussen pakweg 1860 en 1960 aangeduid. De term werd vooral bekend door de publicatie in 1963 van het boek Uit het rijke Roomsche leven van Michel van der Plas. Dit boek over het Nederlandse katholicisme in het interbellum beleefde in het midden van de jaren 1960 in korte tijd meer dan 10 herdrukken.

Kenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

De belangrijkste materiële en immateriële uitingen van het Rijke Roomse Leven waren:

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Het hart van het Rijke Roomse Leven lag in de zuidelijke provincies Noord-Brabant en Limburg. Deze waren ook na de reformatie in de 16e eeuw altijd overwegend katholiek gebleven. In 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland hersteld. De katholieken, die in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stelselmatig waren achtergesteld ten opzichte van de protestanten, begonnen aan een periode van emancipatie. Het katholiek onderwijs, de katholieke pers en het katholieke verenigingsleven werden sterk ontwikkeld. Tegelijkertijd ontstond eenzelfde tendens bij de protestanten, de socialisten en in mindere mate bij de liberalen. Dit verschijnsel werd verzuiling genoemd, zoals dat ook in België het geval was.

Sociale controle[bewerken | brontekst bewerken]

Het Rijke Roomse leven werd voor een groot deel in stand gehouden door de overtuiging van de gelovigen maar ook door een vorm van sociale controle. Als men niet meedeed aan dagelijks kerkbezoek en uiterlijk vertoon van vroomheid kon men problemen verwachten op het werk of de school. De pastoor en de kapelaans hielden ook intensief contact met hun parochianen en kwamen bij vele gezinnen geregeld op huisbezoek.

Onderwijs[bewerken | brontekst bewerken]

Ter stimulering van een academische vorming vanuit de rooms-katholieke levensbeschouwing en ten behoeve van het katholiek hoger onderwijs werd in 1905 de Radboudstichting opgericht, thans Stichting Thomas More geheten. De stichting financierde onder meer bijzondere leerstoelen in de geesteswetenschappen aan de openbare universiteiten (zie Neothomisme). De Katholieke Universiteit Nijmegen werd in 1923 opgericht. In 1927 werd in Tilburg de Roomsch Katholieke Handelshoogeschool opgericht, die zich zou ontwikkelen tot de Katholieke Economische Hogeschool (1936) en vervolgens in 1986 tot de Katholieke Universiteit Brabant (KUB).

Hoogtepunt[bewerken | brontekst bewerken]

In 1953 werd met de nodige luister 100 jaar herstel van de hiërarchie herdacht. De feestelijkheden - Honderd jaar Kromstaf - vonden plaats in het oude stadion 'Galgenwaard' in de stad Utrecht, waar de aartsbisschop van de Nederlandse kerkprovincie zetelt. Deze viering geldt als een van de hoogtepunten van het Rijke Roomse Leven.

Einde van het Rijke Roomse Leven[bewerken | brontekst bewerken]

Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) tijdens de roerige jaren '60 luidde het einde in van het Rijke Roomse Leven. Met name de Nederlandse kerkprovincie werd gekenmerkt door een hevige polarisatie tussen progressieven en conservatieven. Een belangrijk deel van de Nederlandse samenleving raakte ontkerstend, ook het protestantse, mede doordat de sociale controle verminderde en er meer ruimte was voor het al dan niet deelnemen aan het kerkelijke leven. Het zondagse kerkbezoek, het kerklidmaatschap en het lidmaatschap van katholieke organisaties zijn sedertdien in snel tempo achteruit gegaan.

Kerkinterieuren werden overgeschilderd, meubels en beelden uit kerkgebouwen werden verkocht of weggegooid.

Zie Tweede beeldenstorm voor het hoofdartikel over dit onderwerp.