Heiligdomsvaart (Maastricht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Heiligdomsvaart (Maastricht)
Compilatie van beelden van de ommegang tijdens de heiligdomsvaarten van 1955, 1976 en 2011 (met Noodkist)
Compilatie van beelden van de ommegang tijdens de heiligdomsvaarten van 1955, 1976 en 2011 (met Noodkist)
Gehouden in Maastricht
Jaar eenmaal in de zeven jaar
Data 24 mei t/m 3 juni 2018 (55e editie)
Organisator Vereniging Het Graf van Sint Servaas
Deelnemers Rooms-katholieke bedevaartgangers en geïnteresseerden
Thema 'Doe goed en zie niet om' (thema 2018)
Openingsceremonie 24 mei (hoogmis)
Sluitingsceremonie 3 juni (ommegang)
Eerste editie 1391 of eerder
Laatste editie 2011
Officiële website

De heiligdomsvaart van Maastricht is een zevenjaarlijks religieus en historisch evenement in de Nederlandse stad Maastricht. Ontstaan in de middeleeuwen uit de destijds populaire bedevaarten naar het graf van Sint-Servaas, is het tegenwoordig een mix van religie, cultuurhistorie en commercie met een gevarieerd programma. Hoogtepunt van de tien dagen durende festiviteiten is een tweetal processies of ommegangen, waarbij de belangrijkste relikwieën worden meegevoerd. De eerstvolgende heiligdomsvaart zal plaatsvinden van 24 mei tot en met 3 juni 2018.

Geschiedenis[bewerken]

Maastricht als bedevaartstad[bewerken]

Voordat er in Maastricht een heiligdomsvaart plaatsvond, was de stad al vele eeuwen een bedevaartstad van betekenis. Al in de 6e eeuw schreef Gregorius van Tours over een houten kapel, die op het graf van Sint-Servaas was gebouwd en die in zijn tijd door bisschop Monulfus van Maastricht was vervangen door een grote stenen kerk. Ook de oudste hagiografieën van Sint-Servaas uit de 8e en 9e eeuw vermelden pelgrimages en wonderlijke genezingen bij het graf van de heilige.[1] De kerk van Monulfus moest door het groeiend aantal pelgrims diverse malen worden herbouwd en uitgebreid, voor het laatst in de 12e eeuw. Door schenkingen kwam de Sint-Servaaskerk in bezit van steeds meer relieken, vaak gevat in kostbare reliekhouders, wat weer nieuwe bedevaartgangers aantrok. Voor pelgrims waren in Maastricht veel aflaten te verkrijgen; een Franse pelgrim rekende in 1453 uit dat in een jaar tijd in Maastricht zo'n 800 jaar aan strafvermindering in het Vagevuur was te verdienen. Later ging men ervan uit dat een bedevaart naar Maastricht een volle aflaat, dat wil zeggen volledige kwijtschelding van tot dan toe begane zonden, opleverde.[2]

Toningsformulier Onze-Lieve-Vrouwekerk met de belangrijkste relieken. In het midden het Byzantijns patriarchaalkruis

Ook de Onze-Lieve-Vrouwekerk bezat een belangrijke verzameling relieken. De kerkschat kreeg omstreeks 1100 een flinke impuls door de verwerving van het Byzantijns patriarchaalkruis en het zogenaamde kruisje van Constantijn, beide naar alle waarschijnlijk meegebracht uit Constantinopel na de Eerste Kruistocht (1096-99). Beide kruisreliekhouders werden in 1837 aan de paus geschonken en bevinden zich sedertdien in de schatkamer van de Sint-Pietersbasiliek in Vaticaanstad. Verder was de Onze-Lieve-Vrouwekerk bekend vanwege de gordel van Maria en een reliek van Sint-Barbara. Het 'genadebeeld' van de Sterre der Zee bevindt zich pas sinds 1837 in deze kerk. Daarbij dateert de grote populariteit van dit Mariabeeld van na 1607, toen paus Paulus V er een volle aflaat aan verbond.[3]

Tussen de twee kapittelkerken bestond grote rivaliteit, met name als het ging om het aantrekken van bedevaartgangers, waarmee ook financiële belangen waren gemoeid. Het Sint-Servaaskapittel zag erop toe dat de Onze-Lieve-Vrouwekerk geen relieken in de open lucht toonde. Mogelijk werd in laatstgenoemde kerk de bovengalerij in het oostkoor daarvoor gebruikt. In de loop der eeuwen zijn diverse processen gevoerd over de reliekentoning in het openbaar, tot aan de paus aan toe.[4] Eind 15e eeuw leidde de rivaliteit ertoe dat het Sint-Servaaskapittel het Byzantijns patriarchaalkruis van de Onze-Lieve-Vrouwekerk liet kopiëren (zie: Patriarchaalkruis).

Voor de opvang van de duizenden bedevaartgangers naar het graf van Sint-Servaas bestond al sinds de 11e eeuw het Sint-Servaasgasthuis, op de zuidwesthoek van het Vrijthof. Daarnaast was Maastricht van de 12e tot de 16e eeuw een halteplaats voor pelgrims uit de Nederlanden, Noord-Duitsland en Scandinavië op weg naar Santiago de Compostella. Voor hen was in Maastricht het Sint-Jacobsgasthuis ingericht, pal naast het Sint-Servaasgasthuis. Beide gasthuizen kregen in de 17e eeuw andere functies en werden begin 19e eeuw afgebroken.[5]

Middeleeuwen: bloeitijd van de heiligdomsvaart[bewerken]

Toningsformulier uit 1468 van de heiligdomsvaarten van Maastricht, Aken en Kornelimünster

De naam heiligdomsvaart ('reis naar de heiligdommen of relieken') is waarschijnlijk afgeleid van de begrippen 'roomse vaart' en 'Akense vaart', de middeleeuwse bedevaarten naar Rome en Aken. De Maastrichtse vaart werd vanouds gecombineerd met die van Aken en Kornelimünster. De oudste vermelding van een Maastrichtse 'heiligdomskermis', samenvallend met de 'Akense vaart' (Middelnederlands: aexse vaert), dateert van 12 juni 1391. De term 'heyldomsvaert' wordt pas voor het eerst opgetekend in 1440.[6] Dat de Maastrichtse heiligdomsvaart ouder is, is af te leiden uit een pauselijke bul van 1249, waarin sprake is van een grote toestroom van bezoekers naar de Sint-Servaaskerk tussen 10 en 17 juli, de traditionele periode van de heiligdomsvaart. In 1289 verleende wijbisschop Bonaventura van Luik een aflaat aan gelovigen die rond deze data de Sint-Servaaskerk bezochten.[7]

De Maastrichtse heilgdomsvaart vond in de middeleeuwen plaats rondom het feest van de heilige bisschoppen Monulfus en Gondulfus (16 juli), meestal een week ervoor en een week erna.[noot 1] Het jaar waarin een heiligdomsvaart plaats had, was een jubeljaar of genadejaar (afgeleid van het Bijbelse sabbatjaar), waarin bijzondere aflaten te verdienen waren. Voor de meeste pelgrims was het hoofddoel van de heiligdomsvaart een bezoek aan het graf van Sint-Servaas (en in mindere mate dat van Monulfus en Gondulfus), het drinken van heilzaam water uit de drinknap van Sint-Servaas (en uit de Sint-Servaasbron) en het bijwonen van een reliekentoning. Daarnaast waren biecht en boetedoening vaste onderdelen van een bedevaart, zonder welke geen aflaten waren te verkrijgen. Nadat men aan die verplichtingen had voldaan, kreeg men een voorgedrukt biecht- en bedevaartbewijs, waarop slechts de naam van de pelgrim hoefde te worden ingevuld en dat voorzien werd van het zegel van de kerk.[8]

Toning van de pelgrimsstaf van Sint-Servaas en een van de 'hemelse doeken' vanaf de dwerggalerij van de Sint-Servaaskerk (Blokboek van Sint-Servaas, ca. 1460)

De Sint-Servaaskerk had in Maastricht het alleenrecht op de reliekentoning in de open lucht. Dat gebeurde tijdens de heiligdomsvaart eenmaal per dag op het Vrijthof, nadat de verzamelde pelgrims daar een openluchtmis hadden bijgewoond. De reliekentoning vond plaats vanaf de dwerggalerij, die voor die gelegenheid was versierd met doeken met daarop engelfiguren en Sint-Servaassleutels. Het is overigens niet zeker of de dwerggalerij voor dit doel gebouwd is. Mogelijk bestond het gebruik van de reliekentoning in de 12e eeuw nog niet, toen de oostpartij werd gebouwd; wellicht werd de galerij slechts als architectonische versiering toegevoegd en ontstond het gebruik later.

De toning moet een theatraal gebeuren zijn geweest, waarbij de emoties bij het publiek hoog opliepen en luide jammerklachten waren te horen. Velen hielden brood, vlees en allerlei voorwerpen omhoog, om die door de getoonde relieken als het ware te laten heiligen. De relieken werden in vier groepen getoond. Elke groep werd aangekondigd met een uit Aken overgenomen formule, die telkens begon met: "Men sall uch toenen...", waarna een beschrijving van de voorwerpen volgde en een gebed. De volgorde was: 1. het sudarium of de zweetdoek van Sint-Servaas (een van de drie 'hemelse doeken'), samen met zijn bisschopsstaf; 2. de rode lijkdoek van Sint-Servaas en zijn pelgrimsstaf; 3. de witte doek die de tombe van Sint-Servaas bedekte, en zijn kelk en pateen; 4. tenslotte, het borstbeeld van Sint-Servaas, de Thomasarm en een kruisje dat door Sint-Lucas zou zijn gemaakt.[9] Daarna werden de pelgrims uitgenodigd om ook het graf van de heilige te bezoeken en de overige relikwieën in de kerk te bekijken.[noot 2] Ter afsluiting luidden de kerkklokken en bliezen de pelgrims massaal op hun pelgrimshoorns.[10]

Pelgrimsinsignes Sint-Servaas

Tijdens de twee weken durende heiligdomsvaart bezochten tienduizenden pelgrims de stad, waarvan de meesten na enkele dagen verder reisden, bij voorbeeld naar Aken.[noot 3] Omdat de beide pelgrimsgasthuizen de toestroom niet aankonden, werden tijdelijk ook pelgrims in andere gasthuizen toegelaten. Velen vonden onderdak bij particulieren.[11] De bedevaartgangers, die vaak meerdere bestemmingen per reis combineerden, waren afkomstig uit onder andere de Nederlanden, Frankrijk (vooral uit Normandië en Bretagne, waar Sint-Servaas speciale verering genoot), Duitsland, Scandinavië, Bohemen, Hongarije en Engeland.[noot 4] Voor de stad waren al die bezoekers uiteraard van groot economisch belang. Tijdens de heiligdomsvaart mocht iedere burger vreemde valuta wisselen en spijs en drank verkopen, buiten de gebruikelijke bepalingen van stadsbestuur en ambachten om.[12] Ook de ambachten zelf hadden meer vrijheid: zo mochten de brouwers in 1440 alle soorten bier brouwen en de bakkers mochten elk soort brood verkopen. Als souvenir werden pelgrimshoorns, pijpaarden pelgrimsflesjes en loden pelgrimsinsignes aangeboden, vanaf de 16e eeuw in toenemende mate verdrongen door medailles, vaantjes, boekjes, prenten, toningsformulieren en biecht- en bedevaartbewijzen. Vaak waren deze voorwerpen versierd met afbeeldingen van Maastrichtse, Akense en Kornelimünsterse relieken, zodat die ook daar verkocht konden worden.[13]

Aan het begin van de heiligdomsvaart bliezen de stadstorenwachters op hun bazuinen, als aankondiging van de veertiendaagse 'vrijheid van Sint-Servaas', de periode dat allerlei regels niet golden en bij voorbeeld vreemdelingen niet vervolgd mochten worden voor in het verleden gepleegde vergrijpen. Dat laatste bracht bepaalde risico's met zich mee. Veel pelgrims gingen op bedevaart omdat dat onderdeel was van een straf die ze opgelegd hadden gekregen.[noot 5] Om die redenen werden rondom de heiligdomsvaart extra veiligheidsmaatregelen getroffen. Leden van het Maastrichtse stadsbestuur en de ambachten vormden milities, die toezicht hielden in de straten waar de pelgrims doorheen trokken. Wie de stadsvrede verbrak werd streng gestraft met een hoge geldboete of een verplichte bedevaart naar Santiago de Compostella. Ook moesten burgers een kuip water voor de deur hebben staan om het verhoogde risico op stadsbranden het hoofd te bieden.[6]

16e-17e eeuw: achteruitgang van de heiligdomsvaart[bewerken]

Maastrichts pelgrimsboekje en biecht- en bedevaartbewijzen, 16e-17e eeuw

Door de Reformatie, godsdienstoorlogen en pestepidemieën nam de animo voor de heiligdomsvaart in de loop van de 16e eeuw flink af, zowel in Maastricht als in naburige steden.[9] In 1489 en 1552 ging de heiligdomsvaart wegens oorlogsdreiging niet door.[14][15] Bij het beleg van 1579 gingen de 'hemelse doeken' verloren en raakte het borstbeeld van Sint-Servaas ernstig beschadigd. In 1608 kwamen er nog maar 13.000 pelgrims. Na de gedeeltelijke annexatie van Maastricht in 1632 door de protestantse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, kwam er een verbod op processies en andere religieuze manifestaties in het openbaar.[noot 6] Waarschijnlijk was de laatste heiligdomsvaart-oude-stijl in 1629. In 1655, 1662 en 1706 vonden nog wel heiligdomsvaarten plaats, maar zonder openbare reliekentoning. De Noodkist stond permanent op het priesterkoor opgesteld, maar verhuisde in tijden van gevaar naar de vieringscrypte. De cenotaaf van Monulfus en Gondulfus werd omstreeks 1625 uit de kerk verwijderd. Het gebeeldhouwde doksaal en het Sint-Servaasaltaar werden in 1732 afgebroken.

In de Franse tijd werden de Maastrichtse stadskapittels opgeheven en deden de kapittelkerken enige tijd dienst als paardenstal en militair magazijn. De kerkschatten hadden in deze tijd zeer te lijden. Veel gouden en zilveren reliekhouders werden verkocht of omgesmolten. Ook na de Franse tijd was er weinig belangstelling voor het middeleeuwse erfgoed. De Onze-Lieve-Vrouwekerk raakte in deze tijd het patriarchaalkruis kwijt en de Sint-Servaaskerk het Vera Icon van Jan van Eyck en de vier vergulde pendanten van de Noodkist. Wel vond op 13 mei (Sint-Servaasdag) 1829 weer een reliekentoning plaats in de Sint-Servaaskerk.

1874-heden: herstel van de heiligdomsvaart[bewerken]

Houtsnede van de Noodkist in Bock & Willemsens Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht (1872)

In de loop van de 19e eeuw bloeide het katholicisme weer op in Maastricht en elders in Nederland. Vooral na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 nam het zelfvertrouwen van katholieken dusdanig toe, dat men ook weer met het eigen geloof naar buiten wilde treden (zie: Katholieke emancipatie in Nederland). In 1867 herstelde de bisschop van Roermond, mgr. Joannes Paredis, het feest van de heilige bisschoppen van Maastricht. Vier jaar later stelde dezelfde bisschop het feest ter ere van de relieken van alle heiligen in.[16]

Reliekenprocessie bij de opening van de schatkamer van Sint-Servaas (detail prent, 1873)
Spotprent naar aanleiding van de Maastrichtse reliekenprocessie (Uilenspiegel, 16 augustus 1873)

Ook ontstond in deze periode een hernieuwde belangstelling voor de middeleeuwse cultuur. In 1872 publiceerde de Maastrichtse kapelaan en schatbewaarder Michaël Willemsen, samen met de Akense kanunnik en kunsthistoricus Franz Bock, een belangrijk werk over de kerkschat van de twee voormalige kapittelkerken. De publicatie betekende een omslag in de waardering van het Maastrichtse religieuze erfgoed. In de uitgebreidere Franstalige versie van 1873 werden bovendien verschillende bronteksten over de heiligdomsvaart opgenomen, wat mogelijk de herinvoering van de traditie heeft gestimuleerd. Veel relieken, die in de Franse tijd hun behuizing waren kwijtgeraakt, werden in deze periode voorzien van nieuwe, neogotische reliekhouders. Eveneens in 1873 werd de door Pierre Cuypers ingerichte schatkamer van de Sint-Servaaskerk, toen nog 'heiligdommenkapel' genoemd, in gebruik genomen. Bij de opening vond een korte reliekenprocessie plaats over het Vrijthof. De stoet, waaraan drie bisschoppen en meer dan vijftig priesters deelnamen, was in feite illegaal, vanwege het processieverbod van 1848.[16][17] In katholiek Nederland maakte de reliekenprocessie veel indruk; anderen dreven er de spot mee.

Aangemoedigd door het succes van de reliekenprocessie werd in het jaar daarop, in 1874, de traditie van de zevenjaarlijkse heiligdomsvaart hersteld door deken F.X. Rutten. De paus verleende hiervoor toestemming en verbond er, net als in de middeleeuwen, een volle aflaat aan. Het grote verschil met de middeleeuwse heiligdomsvaart was dat de reliekentoning niet meer vanaf de dwerggalerij plaatsvond, maar in de kerk en tijdens de processie. In de kerk werden de relieken twee weken lang tentoongesteld op een soort tribune op het hoogkoor. De eerste moderne heiligdomsvaart werd afgesloten met een mis opgedragen door mgr. Paredis en aansluitend een processie, die dezelfde route volgde als een jaar eerder: vanaf het zuidoostelijk portaal over het Vrijthof en het Keizer Karelplein naar het noordportaal en vandaar naar de 'heiligdommenkapel' (de huidige Sint-Servaaskapel). Het processieverbod werd daarmee opnieuw genegeerd, aangezien de heiligdomsvaart niet voorkwam op de lijst van gelegaliseerde processies. Deze keer werd proces-verbaal opgemaakt tegen deken Rutten, een zaak die tot de Hoge Raad werd gevoerd en keer op keer door de deken werd verloren. Ook in de jaren daarna hielden soortgelijke kwesties de politiek bezig, maar het verhinderde niet dat in 1878 in Maastricht zes processies uittrokken en dat in 1881 de tweede moderne heiligdomsvaart gewoon doorging.[16][18]

Aankondiging heiligdomsvaart van 1930 in de Limburger Koerier
Mis in de Sint-Servaaskerk tijdens de Heiligdomsvaart van 1948. Links het borstbeeld van Sint-Servaas

In 1916 werd op het Vrijthof voor het eerst het Sint-Servaasspel opgevoerd, een stuk dat het leven van de heilige aanschouwelijk moest maken, met name de periode als bisschop van Maastricht. Het muzikale toneelstuk op rijm werd geschreven door Chrétien Mertz op muziek van Philip Loots. Bij de eerste opvoering waren 600 acteurs en figuranten betrokken. De regie was in handen van Alfons Olterdissen.[19] Het Sint-Servaasspel werd daarna nog diverse keren opgevoerd. Een ander onderdeel van de heiligdomsvaart was het bestormen van de burcht, een historisch schouwspel op de Maas, dat al in de middeleeuwen onderdeel was van een heiligdomsvaart of andere bijzondere gelegenheid. In 1987, 50 jaar na de laatste bestorming, werd dit volksvermaak opnieuw georganiseerd.[16][20]

Sinds 1937 berust de organisatie van de heiligdomsvaart bij de Vereniging Het Graf van Sint Servaas, opgericht op initiatief van pastoor-deken mgr. J.A.H. Wouters. De vereniging stelt zich tot doel om het karakter van de stad Maastricht als bedevaartplaats en als katholiek centrum te bevorderen. De heiligdomsvaart van 1944 kon door de oorlog niet doorgaan en werd uitgesteld tot 1948, waarmee de zevenjaarlijkse cyclus enigszins verschoof en niet langer samenviel met Aken en Kornelimünster.[21] Vanaf 1969 was men vanwege de veranderde maatschappelijke omstandigheden genoodzaakt de vaste data in juli los te laten, omdat dan teveel mensen op vakantie waren. Aanvankelijk verschoof de heiligdomsvaart naar eind augustus/begin september, later naar eind mei/begin juni. Sinds 1988 is er een euregionaal samenwerkingsverband tussen een aantal Duitse, Belgische en Nederlandse plaatsen waar heiligdomsvaarten plaatsvinden. Anders dan in de middeleeuwen, is gekozen voor opeenvolgende jaren, om elkaar geen concurrentie aan te doen. In 2011 vond de Maastrichtse heiligdomsvaart plaats van 30 juni tot en met 10 juli met als thema Het Licht tegemoet. Er waren ongeveer 175.000 bezoekers.[22] De 55e editie zal plaatsvinden van 24 mei tot en met 3 juni 2018 en heeft als thema Doe goed en zie niet om.

Beschrijving van de heiligdomsvaart[bewerken]

Programma[bewerken]

De moderne heiligdomsvaarten duren meestal tien dagen. De openingsceremonie vindt plaats bij de Sint-Servaasbron in het Jekerdal. Daarna volgt een korte processie met het borstbeeld van Sint-Servaas, waarna een pontificale hoogmis in de Sint-Servaasbasiliek wordt gevierd. In de dagen daarna worden dagelijks feestelijke missen opgedragen, vaak gericht op bepaalde doelgroepen, en vinden diverse andere religieuze activiteiten plaats, onder andere in de crypte, de Keizerzaal, de Sint-Servaaskapel en de kanunnikenkelder van de Sint-Servaasbasiliek. Op verschillende locaties in de stad vinden lezingen, concerten, theatervoorstellingen en tentoonstellingen plaats, die aanhaken bij het thema van de heiligdomsvaart. Zo zal in 2018 in de Sint-Lambertuskerk een geënsceneerde uitvoering van de Messiah te zien zijn en in het Bonnefantenmuseum de tentoonstelling Koorkappen en design van Stichting Restauratie Atelier Limburg en Fashionclash.[23]

Ommegangen[bewerken]

De ommegangen op de eerste en tweede zondag zijn hoogtepunten van de hedendaagse heiligdomsvaart. De laatste ommegang vormt tevens de afsluiting van de feestelijkheden. Hierbij worden de voornaamste relieken en de zogenaamde stadsdevoties in processie door de binnenstad gedragen, gadegeslagen door duizenden mensen. Bij de hedendaagse heiligdomsvaart worden meer relieken getoond dan in de middeleeuwen. De grotere reliekhouders en beelden zijn bevestigd op draagbaren, meestal bespannen met stof en versierd met bloemen en soms beschermd door een baldakijn. Vaak zijn de dragers gekleed in kostuums van dezelfde stof. Bij grote voorwerpen, zoals de Noodkist en de Zwarte Christus van Wyck, zijn wel 12 of 16 dragers nodig, waarbij ook nog reservedragers meelopen. De dragers zijn meestal lid van een broederschap of andere vereniging. Kleinere reliekhouders (ostensoria) worden door één persoon, vaak religieuzen, in de hand gedragen.

Traditioneel lopen diverse (kerkelijke) zangkoren en fanfares mee in de ommegang. Ook nemen in toenemende mate groepen uit naburige plaatsen (Susteren, Hasselt, Tongeren, Aken) deel. Vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw kampt de heiligdomsvaart met verminderde interesse om actief deel te nemen aan de processies. Zo zijn bij voorbeeld de traditionele groepen meisjes ('maagden' of 'bruidjes') vrijwel uit de stoet verdwenen. Ook de vroeger talrijk aanwezige misdienaars, koorknapen, verkenners en andere katholieke jeugdorganisaties behoren grotendeels tot het verleden. Mede hierdoor is het aantal niet-religieus geïnspireerde, historische en culturele groepen toegenomen.

Servatiana[bewerken]

Traditioneel spelen bij de heiligdomsvaart de 'Servatiana' een centrale rol. Dit zijn voorwerpen die gezien werden als de persoonlijke bezittingen van Sint-Servaas. Tot de Servatiana worden gerekend: de sleutel van Sint-Servaas, het borstkruis van Sint-Servaas, zijn pelgrimsstaf, zijn bisschopsstaf, zijn drinknap, zijn miskelk, pateen en draagaltaar en zijn zegel.[24]

Noodkist en andere reliekhouders[bewerken]

Anders dan in de middeleeuwen staat bij de hedendaagse heiligdomsvaart niet de reliekenverering centraal, maar de geloofsbeleving en het cultuurhistorisch element. Toch blijven de relieken een belangrijke rol spelen. De belangrijkste reliekhouders, die ook in de ommegangen meegaan, zijn: de Noodkist (met het gebeente van Sint-Servaas), het borstbeeld van Sint-Servaas (met een deel van zijn schedel), het Patriarchaalkruis (met relieken van het Heilig Kruis) en andere kruisreliekhouders, de Thomasarm en de reliekbustes van enkele heilige bisschoppen van Maastricht en andere heiligen.

Stadsdevoties[bewerken]

De stadsdevoties zijn een viertal beelden, die in Maastricht bijzondere verering genieten: de Sterre der Zee, de Zwarte Christus van Wyck, het hierboven genoemde borstbeeld van Sint-Servaas en dat van Sint-Lambertus. Tijdens de heiligdomsvaart worden ze niet alleen bij de centrale ommegang meegevoerd; ze worden daarnaast ook individueel ingezet in processies vanuit de verschillende parochiekerken.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]