Borstkruis van Sint-Servaas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Borstkruis van Sint-Servaas
Het borstkruis, hangend in een vitrine in de schatkamer
Het borstkruis, hangend in een vitrine in de schatkamer
Kunstenaar onbekend
Stroming Maas-Rijnlandse romaanse kunst
Jaar 11e eeuw
Ontstaanslocatie Trier?, Heilige Roomse Rijk
Huidige locatie Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek, Maastricht
Materiaal houten kern bekleed met goud en zilver, versierd met ivoor, email en edelstenen
Lengte 16,2 cm
Breedte 11,2 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Het borstkruis van Sint-Servaas, is een middeleeuwse product van edelsmeedkunst, dat in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht bewaard wordt, waar het deel uitmaakt van de zogenaamde Servatiana, voorwerpen die verbonden zijn met het leven van de heilige Servatius. Het niet geheel intacte reliekenkruis wordt traditioneel toegeschreven aan het zogenaamde Egbert-atelier van bisschop Egbert van Trier, waarbij het waarschijnlijk gaat om een laat product uit dit atelier.

Geschiedenis[bewerken]

Op grond van een inscriptie op de achterkant van het kruis, kan worden aangenomen dat het in Trier is vervaardigd. De in de inscriptie genoemde Felix en Paulinus waren beide 4e-eeuwse bisschoppen van Trier en de eveneens genoemde paus Cornelius komt ook voor op een ander voorwerp uit het Egbert-atelier (de zogenaamde Petrusstaf in de dom van Limburg). De Sint-Servaasabdij (later Sint-Servaaskapittel) was aan het eind van de 10e eeuw, begin 11e eeuw in bezit van de dom van Trier. Wellicht was Egbert van Trier voogd van de Sint-Servaaskerk. Op grond hiervan werd voorheen aangenomen dat het kruis vóór 993, Egbert's sterfjaar, moest zijn ontstaan.[1]

Tegenwoordig wordt meestal aangenomen dat het borstkruis in het 2e kwart van de 11e eeuw is ontstaan, waarschijnlijk in opdracht van Hendrik III, die een groot Servaas-vereerder was. Het is niet onwaarschijnlijk dat Hendrik het kruis geschonken heeft bij de inwijding van de door proost Geldulfus gebouwde kerk op 12 augustus 1039, of bij de "Festkrönung" enkele dagen later. Vanaf de 16e eeuw - en wellicht al eerder - werd het kruis beschouwd als het borstkruis van Sint-Servaas. Het is mogelijk dat een ouder borstkruisje, dat volgens sommige bronnen op het dode lichaam van Sint-Servaas werd gevonden, aanvankelijk op het latere kruis gemonteerd was, dat daarna de naam van het oorspronkelijke borstkruis ging dragen. Na een wonderbaarlijke genezing die aan dit kruis werd toegeschreven, werd omstreeks 1465 aan de noordzijde van de apsis een gotische kapel gebouwd.[2] In deze Koningskapel, gesponsord door de Franse koningen Karel VII[3] en Lodewijk XI, werd het borstkruis regelmatig ter verering uitgestald.

Het kruis werd in 1906 gerestaureerd door de Akense goudsmid Bernard Witte. Hierbij werden 34 nieuwe (half-)edelstenen geplaatst in de, op twee na, lege vattingen. Witte maakte tevens, waarschijnlijk op verzoek van Victor de Stuers, een gipsafgietsel van het kruis, dat werd opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam. In 1964 werd het kruis opnieuw gerestaureerd door E. Treskow en F. Deutsch uit Keulen.

Beschrijving[bewerken]

Het kruis is 16,2 cm hoog en 11,2 cm breed. Het bestaat uit een houten kern, die aan de voorkant met dunne goudplaat is beslagen, aan de achterkant met zilverplaat. Op de voorkant is een corpus van ivoor bevestigd. De voorzijde is verder versierd met goudfiligraan, edelstenen, een antieke gem en emaillen plaatjes. Volgens Koldeweij zou het ivoren corpus, waarvan de voeten ontbreken, een werkstuk kunnen zijn van de zogenaamde Echternach-Meister (Trier, ca. 1020-1040). Aan de bovenkant van het kruis en aan de uiteinden van de armen van het corpus bevinden zich grotere edelstenen. De antieke gem met een afbeelding van een soldaat, waarschijnlijk Romeins, uit de 1e of 2e eeuw voor Christus, bevindt zich onder het lege veld waar eens de voeten van het corpus zaten. Een T-vormig gouden plaatje geeft wellicht de plaats aan waar oorspronkelijk het oudere borstkruisje van Sint-Servaas gemonteerd was.

De 13 emaillen plaatjes zijn vervaardigd in email cloisonné techniek. De plaatjes zijn alle rechthoekig, maar van verschillende lengte en zijn versierd met bloemen met vier bloemblaadjes; zes plaatjes hebben drie bloemen, vier hebben er twee en drie slechts anderhalf. De bloemblaadjes wijzen niet altijd in dezelfde richting. De achtergrond van de emaille plaatjes is transparant, afwisselend blauw en groen; alleen op de rechterarm van het kruis bevinden zich twee blauwe plaatjes naast elkaar. De kleuren van de bloemblaadjes zijn ondoorzichtig, soms geel, soms wit en soms turquoise. Technisch gezien zijn de emailles vrij eenvoudig te noemen, de gouden randjes zijn dik, de bloemblaadjes ongelijkmatig van grootte en asymmetrisch gerangschikt. De kleuren, vooral het wit en het geel, zijn deels onzuiver.

Op de achterkant van het kruis is de volgende tekst in de zilverbeplating ingegraveerd: + SUB HA/C CRUCE CONTI/NENTUR RELI/QUIE/ DE LIGNO D(OMI)NI/ DE SEPULCHRO D(OMI)NI DE/.../...A S(ANCTI) LAURENTII S(ANCTI) FELICIS EP(ISCOP)I/S(ANCTI) PAULINIEP(ISCOP)I [S](ANCTI) COR/NELII PAPE S(AN)C(T)I/PAULINI DIA(CONI)[4].

In 1906 werd het kruis voor het eerst opengemaakt en de sinds de 11e eeuw ongeschonden inhoud onderzocht. Het kruis bevatte drie sterk samengeperste pakketjes, gewikkeld in stukjes antieke oosterse stof. Daarin bevonden zich relieken en strookjes perkament met daarop een beschrijving van de relikwie. Deze beschrijving komt overeen met de tekst op de achterkant van het kruis. De belangrijkste reliek is een stukje van het Heilig Kruis.

Kunsthistorische betekenis[bewerken]

De toeschrijving aan het Egbert-atelier is omstreden. In vergelijking met andere producten uit dit hoogstaande atelier (onder andere de Petrusstaf, het Otto-Mathildekruis en de emailles van de Codex aureus Epternacensis) is het van mindere kwaliteit. Hierdoor werd het kruis aanvankelijk als een vroeg werk, thans als een laat werk uit het Trierse atelier gezien. Volgens Sybille Eckenfels-Kunst zou het kunnen gaan om een verzamelstuk voor hergebruikte delen. Vooral de gehalveerde bloemen op sommige emaille plaatjes zou in die richting wijzen.[5] Koldeweij is van mening dat het kruis een product is van het Trierse atelier, toen dit al enige tijd over zijn hoogtepunt was.