Concordaat van 15 juli 1801

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
paus Pius VII
Napoleon Bonaparte
indeling van bisdommen in 1801 In Frankrijk

Het Concordaat van 15 juli 1801 werd afgesloten tussen paus Pius VII en Napoleon Bonaparte (in zijn hoedanigheid van Eerste Consul van de Franse Republiek).

Voorgeschiedenis[bewerken]

Tot aan de Franse Revolutie was de rooms-katholieke kerk een echte staatskerk geweest, die over grote voorrechten beschikte, maar die tegelijk aan de koning ondergeschikt was en in grote mate onafhankelijk van de paus. Zo werden de bisschoppen door de kining aangewezen en was een pauselijke beslissing in Frankrijk niet geldig als ze niet door de Franse wereldlijke overheid werden aanvaard.

Dat principe van Gallicanisme, waarmee de Franse koningen eeuwenlang de inmenging van Rome in Franse kerkelijke aangelegenheden wisten te beperken, met heel wat conflicten tot gevolg. Tussen de pausen en de koningen hadden sinds de vijftiende eeuw altijd spanningen inzake de Franse Kerk bestaan, maar onder Lodewijk XIV waren de wrijvingen zo hoog opgelopen, dat de paus weigerde de door de koning benoemde bisschoppen in hun ambt te bevestigen.

De Franse Revolutie had vanaf het begin de status van de Kerk radicaal gewijzigd. De geestelijkheid verloor alle privileges, alle kloosters werden gesloten en de religieuzen van hun geloftes ontslagen. Alle kerkelijke eigendommen werden genationaliseerd en verkocht om de staatsschuld te ledigen.

Door de Constitution civile du clergé (1790) werden bisschoppen en pastoors door de staat betaalde functionarissen die door het kiezerskorps werden gekozen en die een eed van trouw aan de grondwet moesten afleggen. De macht van de paus werd helemaal uitgeschakeld.

Een meerderheid van de geestelijken weigerde die eed af te leggen, te meer daar paus Pius VI de Constitution civile du clergé veroordeeld had. Zo ontstond het schisma tussen de "constitutionele" (beëdigde) en de "refractaire" clerus.

Tijdens de Terreur kwam het tot een vervolging van de refractaire clerus, die niet zelden meedeed aan contrarevolutuionaire opstanden, zoals in de Vendée en Bretagne. Later werd zelfs elke christelijke eredienst verboden. Meteen na het einde van de Terreur (1794) werd de godsdienstvrijheid hersteld maar tegelijk een scheiding van kerk en staat doorgevoerd. In feite bestonden er een "constitutionele" en een "refractaire" kerk naast elkaar, waarbij de tweede zeker op het platteland verreweg de grootste was, terwijl grote delen van de bevolking, vooral in de steden, ontkerstend waren.

In het 1795) geannexeerde België, waar sinds 1798 spontane haarden van volksopstand uitbraken, bekend onder de naam Boerenkrijg, koos de geestelijkheid overwegend de kant van de opstandelingen.

Als Eerste Consul (vanaf november 1799) probeerde Napoleon Bonaparte de relaties met de kerk de normaliseren. Hij besefte om dat de interne orde pas door een godsdienstvrede hersteld kon worden. In zijn streven een punt achter de revolutie te zetten wilde hij het kahtolieke deel van de bevolking verzoenen met de post-revolutionaire samenleving.

Bonaparte streefde ook opnieuw naar meer staatscontrole op de Kerk. Ten slotte wilde de nieuwe eigenaars van de onteigende kerkelijke goederen (nationaal goed) gerustgesteld worden dat de Kerk die eigendommen niet zou terugeisen.

Bij alle beslissingen die Napoleon nam inzake godsdienstige aangelegenheden, liet hij zich leiden door politieke overwegingen. Naar eigen zeggen zag hij in de godsdienst "niet het mysterie van de incarnatie, maar dat van de maatschappelijke orde." "De godsdienst", zo liet hij zich eens ontvallen, "verbindt met het denkbeeld van een hemel dat der gelijkheid en dit belet de armen de rijken uit te moorden..."

Om de verdeeldheid van de Franse Kerk te overwinnen, besloot Bonaparte zich rechtstreeks tot te paus te wenden.

Het Concordaat[bewerken]

Met het doel een verzoening met Rome tot stand te brengen, besloot Bonaparte na zijn Italiaanse overwinning in Marengo (14 juni 1800) te onderhandelen met de nieuwe Paus Pius VII (1800-1823).

De onderhandelingen verliepen moeizaam en duurden van 5 november 1800 tot 15 juli 1801. Op die dag vond in Parijs de ondertekening plaats van het concordaat. Dit gebeurde door een Franse delegatie onder leiding van de eerste consul, en een pauselijke delegatie onder leiding van kardinaal-staatssecretaris Ercole Consalvi. Paus Pius VII bekrachtigde het verdrag op 15 augustus met de encycliek "Ecclesia Christi". Hierin erkende Pius VII de Franse Republiek, die van haar kant het katholicisme uitriep tot "godsdienst van de meerderheid". De wens van het Vaticaan om het katholicisme tot staatsgodsdienst uit te roepen werd niet ingewilligd.

Het Concordaat voorzag

  • in het herstel van de vrijheid van eredienst,
  • in een bezoldiging van de katholieke geestelijkheid door de Staat, in ruil voor de tijdens de Revolutie genationaliseerde en door de revolutionaire regering verkochte kerkelijke bezittingen, en
  • in een herindeling van Frankrijk (Inclusief het geannexeerde België en Rijnland) in nieuwe bisdommen (vermindering tot 60 bisdommen in Frankrijk).

Het volledige episcopaat moest ontslag nemen. Deze drastische maatregel betekende het einde van de Gallicaanse dromen en een overwinning voor de ultramontanen die pleitten voor een striktere controle van de paus over de bisschoppen.

Beoordeling[bewerken]

Het Concordaat, dat in werking trad op 18 april 1802 en van kracht bleef tot 1905, was een diplomatieke overwinning voor Napoleon. Het verzoende grote groepen katholieken opnieuw met de Staat, en schonk anderzijds de Franse regering een verstrekkende macht tot wettelijke regeling van allerlei kerkelijke activiteiten.

Gevolgen[bewerken]

  • Volledige vrede tussen Frankrijk en het Vaticaan bracht het Concordaat niet tot stand. Toen Napoleon in 1809 van de Kerkelijke Staat een Franse satellietstaat maakte en Pius VII daartegen bezwaar maakte, ontnam Napoleon de paus van zijn wereldlijke macht en maakte hem zijn gevangene in Savona. Na de val van Napoleon in 1814 kon Pius VII in triomf terugkeren naar Rome en herwon hij zijn wereldlijke macht.
  • Niet alle katholieken legden zich neer bij de bepalingen van het Concordaat. De radicale Naamse geestelijke Cornelis Stevens joeg de voor- en tegenstanders van het akkoord tegen elkaar in het harnas door zijn provocerende pamfletten. Hierin stelde hij dat de paus zich véél te toegeeflijk had opgesteld, en dat het Concordaat daardoor verwerpelijk was. Tegen deze weliswaar wijze en vrome, maar uiterst conservatieve man, die tijdens de Revolutie reeds vervolgd werd wegens zijn radicale standpunten, werd een aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Hij moest onderduiken in de buurt van zijn geboorteplaats Waver, waar hij op veel steun kon rekenen. Met zijn gedachtegoed riep hij de scheurbeweging van de zogenaamde Stevenisten in het leven. Het Stevenisme bestaat nog altijd.