Siberische wezel
| Siberische wezel IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2015) | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Siberische wezel in Shanghai | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Soort | ||||||||||||
| Mustela sibirica Pallas, 1773 | ||||||||||||
| Verspreiding van de Siberische wezel:
■ Inheems.
■ Geïntroduceerd. | ||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||
| Siberische wezel op | ||||||||||||
| ||||||||||||
De Siberische wezel (Mustela sibirica) is een roofdier uit de familie der marterachtigen (Mustelidae).[1] De soort is wijdverspreid in het Palearctische gebied van ten westen van het Oeralgebergte, door Siberië tot het Verre Oosten en zuidwaarts tot Taiwan en de Himalaya. Een belangrijk kenmerk dat hem onderscheidt van de meeste andere marterachtige soorten die in hetzelfde gebied voorkomen, is het zwarte masker rond de ogen, de witte snuit en kin, en de bijna volledig effen geelbruine vacht. Hoewel de soort wordt bejaagd voor haar dat wordt gebruikt in verfkwasten van hoge kwaliteit, blijven de populaties stabiel en staat de soort momenteel op de IUCN-lijst als "niet bedreigd".[2]
Beschrijving
[bewerken | brontekst bewerken]Mannetjes van de Siberische wezel wegen 650–820 g, bijna twee keer zoveel als vrouwtjes (360–430 g). De lichaamslengte is 28–39 cm voor mannetjes en 25–30,5 cm voor vrouwtjes, en de staartlengte is 15,5–21 cm voor mannetjes en 13,2–16,5 cm voor vrouwtjes. Net als kleine marters heeft de Siberische wezel een lang, slank lichaam met korte poten. De zomervacht wordt gekenmerkt door korte, stugge haren met een donkerbruine kleur die bijna het hele lichaam en de staart bedekt. De wintervacht is dichter en licht geelbruin van kleur. Het gezicht heeft een donker masker rond de ogen met een witte snuit en kin. Vrouwtjes hebben 4 paar tepels. De schedel is lang en smal. De Siberische wezel heeft 19 paar homologe chromosomen (2n=38).[2]
Ontwikkeling
[bewerken | brontekst bewerken]De jongen worden blind en bijna naakt geboren, met slechts een dunne witte vacht. Ze openen hun ogen voor het eerst na 28-30 dagen en ze worden gespeend aan het einde van de tweede maand. Jongen die in april geboren worden, worden tegen het einde van de zomer, meestal in augustus, zelfstandig.[2]
Anatomie
[bewerken | brontekst bewerken]De gemiddelde schedelafmeting is bij volwassen mannetjes uit Rusland ruim 15% groter dan bij vrouwtjes. De lengte van de punt van de bovenkaak tot de knobbels op de achterkant van de kop (condylobasale lengte) bij mannetjes 5,8–6,4 cm en bij vrouwtjes 5,0–5,6 cm. De jukbeenbreedte bij mannetjes is 2,9–3,6 cm en bij vrouwtjes 2,6–3,0 cm. De breedte aan de voorrand van de oogkassen (interorbitale breedte) bij mannetjes is 1,2–1,3 cm en bij vrouwtjes 1,1–1,2 cm. De breedte tussen het linker en rechter kaakgewricht (mastoïdbreedte) bij mannetjes is 2,7–2,9 cm en bij vrouwtjes 2,4–2,6 cm. De tandformule van de volwassen Siberische wezel is 3.1.3.13.1.3.2 × 2 = 34, dat wil zeggen drie snijtanden, een hoektand, drie valse kiezen en twee ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak met uitzondering van de ene ware kies. Het penisbeen is ongeveer 3,4 cm lang, licht gebogen, en de punt is afgeplat en naar boven gebogen, waardoor een lichte haakvorm ontstaat.[2]
Verschillen met verwante soorten
[bewerken | brontekst bewerken]De Siberische wezel komt voor in hetzelfde gebied als diverse andere marterachtigen, waaronder de zonnedassen, marters, otters en kleine marters. Kleine marters onderscheiden zich van veel andere marterachtigen door hun kleine formaat en langwerpige lichaam. In zijn natuurlijke verspreidingsgebied in Azië onderscheidt de Siberische wezel zich van de meeste andere marterachtigen – de bergwezel, de hermelijn, de geelbuikwezel, de wezel en de geïntroduceerde Amerikaanse nerts door een zwart masker rond de ogen, een witte snuit en kin, en een bijna volledig effen geelbruine vacht in de winter. De eveneens in hetzelfde gebied levende steppebunzing heeft ook een donker masker rond de ogen, maar dit masker loopt verder door over de wangen. Bovendien heeft de steppebunzing een witte band tussen de oren en ogen die over de kop loopt van wang tot wang, is deze tweemaal zo groot en de vacht geelachtig wit en donkerbruin, terwijl de Siberische wezel in de winter een bijna volledig effen geelbruine vacht heeft en in de zomer een donkerbruine vacht. Op de Japanse eilanden Honshu, Shikoku en Kyushu komen geïntroduceerde populaties van de Siberische wezel samen voor met de in Japan inheemse Mustela itatsi, die donkerder is in de winter, kleiner is, en een staart heeft die minder dan 40% van de kop-romplengte is, terwijl deze bij de Siberische wezel meer dan de helft bedraagt.[2]
Taxonomie
[bewerken | brontekst bewerken]
De Siberische wezel is voor het eerst beschreven door Peter Simon Pallas in 1773 en hij gaf het dier dat was afkomstig uit Kazakhstan de wetenschappelijk naam Mustela sibirica. In 1800 meende George Shaw ten onrechte dat de soort verwant is aan de civetkat en maakte daarom de nieuwe combinatie Viverra sibirica. De Britse natuurhistoricus Edward Griffith splitste het geslacht Mustela en creëerde zo de combinatie Putorius sibericus in 1827. In 1837 beschreef de toenmalig resident van Nepal in dienst van de Britse Oost-Indische Compagnie en natuurliefhebber Brian Houghton Hodgson een vorm uit dat land en gaf die de naam Mustela Putorius subhemachalana, en voegde daar in 1842 een vorm uit Tibet aan toe die hij Mustela canigula noemde. Ook in 1842 beschreef de eveneens Britse zoöloog Edward Blyth een vorm uit Sikkim onder de naam Mustela humeralis. In 1843 volgde John Edward Gray met een beschrijving van een vorm uit de Himalaya in India die hij vernoemde naar Hodgson en Mustela hodgsoni noemde en een vorm uit Bhutan waarmee hij Thomas Horsfield eerde met de naam Mustela horsfieldii. In 1865 deelde hij de soort van Pallas in bij het geslacht Vison en maakt op die manier Vison sibirica. De Franse zoöloog Henri Milne-Edwards gaf in 1871 de naam Putorius fontanierii aan een dier dat was verzameld in China. In 1874 beschreef hij ook twee vormen uit respectievelijk de Chinese provincies Jiangxi en Sichuan en noemde die Putorius davidianus en Putorius moupinensis. In 1904 beschreef de Brits-Ierse natuurhistoricus Gerald Barrett-Hamilton een vorm uit Daurië in Siberië, noemde die Putorius sibiricus, en een vorm vermoedelijk uit uit Guangdong in China gaf hij de naam Putorius sibiricus noctis. De Dutise zoöloog Paul Matschie onderscheidde in 1907 een vorm uit Shandong in China die hij plaatste in een geslacht dat was opgericht voor de Europese nerts en diens verwanten en noemde die Lutreola stegmanni. In 1908 beschreef de Britse zoöloog Michael Rogers Oldfield Thomas een collectie afkomstig van het eiland Jeju die hij Lutreola quelpartis noemde naar Quelpart een in onbruik geraakte naam voor het eiland. De Duitse specialist op het gebied van gebruiksdierrassen Max Hilzheimer onderscheidde in 1910 twee vormen uit Tibet die hij de namen Lutreola major en Lutreola tafeli gaf. Konstantin Satunin plaatste een vorm van de Siberische wezel afkomstig uit het Oblast Tjoemen in westelijk Siberië in 1911 in een nieuw geslacht dat hij naar de Russische naam van het dier noemde en zo creëerde hij de Kolonokus sibiricus australis. Datzelfde jaar publiceerde de Duitse bonthandelaar Emil Brass de naam Mustela manchurica voor dieren die afkomstig waren uit Mantsjoerije. Oldfield Thomas gaf in 1913 de naam Mustela (Lutreola) taivana aan dieren die waren gevangen in Taiwan. In 1914 gaf Satunin de naam Kolonocus sibirica sibirica aan de typische ondersoort. Oldfield Thomas voegde in 1921 nog de naam Mustela hamptoni voor een vorm uit het uiterste noorden van Myanmar. De Poolse ornitholoog Janusz Domaniewski onderscheidde in 1926 een vorm uit de omgeving van Seoel en noemde die Kolonocus sibiricus coreanus. De Japanse zoöloog Kyukichi Kishida gaf in 1931 de naam Kolonocus sibiricus peninsulae aan dieren uit het zuiden van Korea. A. Lowkashkin gaf in 1934 nog de alternatieve naam Mustela (Kolonocus) sibirica charbinensis voor dieren uit Mantsjoerije. De Siberische wezel wordt ingedeeld bij de orde Roofdieren, familie Marterachtigen, onderfamilie Mustelinae.[2]
Verwantschap
[bewerken | brontekst bewerken]Diverse vergelijkingen van het erfelijk materiaal van de Siberische wezel en andere kleine marters hebben meer inzicht gegeven in de verwantschap tussen deze soorten. Ook het aantal chromosomen kan nogal verschillen tussen de soorten. De onderstaande verwantschapsboom gebaseerd op het mitochondriaal DNA geeft de meest recente inzichten weer, behalve voor de Javaanse wezel en de pas in 2023 onderscheidde Mustela aistoodonnivalis waarbij het DNA nog niet is geanalyseerd.[3]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ecologie
[bewerken | brontekst bewerken]
Siberische wezels komen voor in dezelfde gebieden als andere roofdieren, waaronder katachtigen, hondachtigen en andere marterachtigen zoals marters, zonnedassen, wezels en bunzingen. In het natuurreservaat Tawu Mountain in Taiwan overlapt het dieet aanzienlijk met dat van een ondersoort van de Maleise bonte marter, Martes flavigula chrysospila. Er is echter weinig concurrentie om voedsel, aangezien bonte marters bijna uitsluitend overdag actief zijn. Voedselconcurrentie met de Chinese zonnedas is beperkt in de bossen van Taiwan, omdat deze soort voorkomt in oerbossen op lagere hoogtes van 850-1400 meter, in tegenstelling tot Siberische wezels die te vinden zijn in secundaire bossen op een hoogte van 1400-1700 meter. Op de Tsushima-eilanden in Japan komen Siberische wezels voor samen met een ondersoort van de Bengaalse tijgerkat en van de Japanse marter, maar uit uitwerpselonderzoek blijkt dat de drie roofdieren niet met elkaar concurreren om voedsel. De marters eten voornamelijk fruit en bessen, terwijl de tijgerkat bijna uitsluitend kleine zoogdieren en vogels eet. Het dieet van de Siberische wezel bestaat uit zowel fruit als klein wild. In de taigabossen van de Altai, het Verre Oosten en Oost-Siberië komt de soort samen voor met de sabelmarter. Sabelmarters eten over het algemeen kleine zoogdieren, vogels en plantaardig materiaal zoals noten en bessen. Tijdens perioden van schaarse vegetatiegroei concurreren sabelmarters echter rechtstreeks om kleine knaagdieren en gedragen ze zich agressief tegenover Siberische wezels, waardoor ze deze vaak naar open gebieden drijven en hun populatie doen afnemen. Soms wordt er vacht van de Siberische wezel gevonden in de uitwerpselen van de sabelmarter. In de Barabasteppe van West-Siberië leven vier soorten marters samen: de Siberische wezel, hermelijn, wezel en Steppebunzing. Analyses tonen aan dat bij elk van deze vier marterachtigen knaagdieren 100% van de maaginhoud uitmaken, maar de gemiddelde prooigrootte verschilt tussen deze soorten. In Japan, waar de Siberische wezel werd geïntroduceerd, overlapt zijn leefgebied met dat van sommige populaties van Mustela itatsi. De laatstgenoemde soort komt echter voor in graslanden en plantages en mijdt stedelijke gebieden, terwijl de Siberische wezel juist vaker voorkomt op locaties met meer menselijke activiteit. De aanwezigheid van Mustela itatsi kan de verspreiding van de Siberische wezel vanuit West-Japan belemmeren, omdat deze zich niet verder kan uitbreiden dan de Aichi prefectuur, waar Mustela itatsi dominant is. Bekende roofdieren van de Siberische wezel zijn vossen en grote valken.[2]
Voedsel
[bewerken | brontekst bewerken]Kleine woelmuizen, muizen en fluithazen vormen in de meeste gebieden het basisvoedsel van de Siberische wezel. Grotere knaagdieren zoals invasieve muskusratten, wangzakeekhoorns en andere eekhoorns worden ook bejaagd. Vogels, amfibieën, vissen, eieren, bessen en noten worden gegeten wanneer knaagdieren niet beschikbaar zijn. Op Tsushima bestaat het dieet van de soort voor ongeveer 35% uit kleine zoogdieren, 20% uit insecten, 13% uit bessen en zaden, 10% uit ander plantaardig materiaal, 10% uit vogels, 7% uit regenwormen en 5% uit amfibieën en reptielen. Het dieet verschilt per seizoen. In de lente en zomer bestaat het dieet voor 25-32% uit rupsen en kevers, en in de herfst voor ongeveer 20% uit regenwormen. In de winter bestaat het dieet voor bijna 80% uit landvertebraten, waaronder ongeveer 25% vogels. Kleine zoogdieren vormen het hele jaar door de meest voorkomende prooi, met een aandeel van 20-50%, voornamelijk huismuis, bosmuis, grote Japanse bosmuis en kleine Japanse bosmuis. Verrassend genoeg bestaat 10-30% van het dieet het hele jaar door uit plantaardig materiaal. In de laaggelegen bossen van Taiwan bestaat het dieet voor ongeveer 45% uit geleedpotigen, 25% uit kleine zoogdieren en 18% uit regenwormen. De spitsmuizen Crocidura kurodai en Chodsigoa sodalis zijn de belangrijkste zoogdierprooien. Aan de andere kant worden in de hooggelegen alpiene graslanden van Taiwan meer kleine zoogdieren gevangen, met name knaagdieren zoals zwartbuikwoelmuis, Taiwanese bosmuis, Alexandromys kikuchii en Niviventer culturatus, die samen gemiddeld 90% van het dieet uitmaken en daarmee de meest dominante prooi vormen.[2]
Gedrag
[bewerken | brontekst bewerken]Siberische wezels zijn doorgaans actief tijdens de schemering of 's nachts. Door niet overdag actief te zijn vermindert de concurrentie om voedselbronnen met andere roofdieren, zoals geelkeelmarters. De dieren leven solitair, met uitzondering van vrouwtjes die jongen grootbrengen. Mannetjes helpen niet bij het grootbrengen van de jongen. Net als andere marterachtigen gebruikt deze soort anaalklieren voor geurcommunicatie, het markeren van territorium en verdediging. De chemische samenstelling van de uitscheiding van de anaalklieren verschilt tussen mannetjes en vrouwtjes. Individuen die in vallen worden gevangen, laten oorverdovende kreten horen en geven afscheiding uit de anaalklier. Zowel de dagelijkse bewegingen als de seizoensgebonden migraties zijn afhankelijk van schommelingen in de prooipopulatie. De dieren kunnen tot 8 km in één nacht afleggen. De Siberische wezel zou een goede zwemmer en klimmer zijn en is in staat om woelmuizen in meren te achtervolgen en eekhoorns in bomen te bejagen.[2]
Verspreiding
[bewerken | brontekst bewerken]De Siberische wezel is wijdverspreid in Palearctisch Azië, met natuurlijke populaties die zich uitstrekken van de westelijke voet van het Oeralgebergte in Siberië tot het Verre Oosten en zuidwaarts tot Taiwan en de Himalaya. De typische ondersoort Mustela siberica sibirica komt voor in heel Siberië, van de oblast Kostroma tot 63°N in het Oeralgebergte en de bovenloop van de Pur-rivier en zuidwaarts tot de noordelijke grens van Kazachstan en het Altaigebergte. Het verspreidingsgebied loopt oostwaarts door het Amoer-bekken en Mongolië en eindigt in de westelijke delen van Noordoost-China (Mantsjoerije) en aan de kust van de Zee van Ochotsk. Zowel Mustela siberica charbinensis als Mustela siberica manchurica komen voor in Mantsjoerije, maar de exacte verspreidingsgebieden zijn onbekend en het is nog onduidelijk of deze vormen wel als afzonderlijke ondersoorten zouden moeten worden onderscheiden. Mustela siberica coreana is endemisch op het Koreaanse schiereiland en in Tsushima, Japan. Mustela siberica fontanierii komt voor in China, waaronder de noordelijke delen van Anhui, oostelijke delen van Gansu, zuidelijke delen van Hebei, Henan, noordelijke delen van Hubei, noordelijke delen van Jiangsu, zuidelijke delen van Binnen-Mongolië, Shaanxi, Shandong, Shanghai en Shanxi. Mustela siberica quelpartis is endemisch op het eiland Jeju, Korea. Twee ondersoorten komen voor aan de zuidoostelijke rand van het geografische bereik van de soort. Mustela siberica davidiana komt voor in het zuidoosten van China (Anhui, Fujian, Guangdong, Guangxi, Guizhou, Hubei, Hunan, Jiangxi, Shaanxi, Sichuan en Zhejiang) en Mustela siberica taivana is endemisch in Taiwan. Mustela siberica moupinensis komt voor in de Chinese provincies Gansu, Guizhou, westelijke delen van Hubei, zuidoostelijke delen van Qinghai, zuidelijke delen van Shaanxi, Sichuan, Yunnan. Drie ondersoorten komen voor rond de Himalaya. Mustela siberica canigula komt voor in Tibet. Mustela siberica subhemachalana komt voor van Nepal tot Bhutan. Mustela siberica hodgsoni komt voor in Kasjmir en de westelijke Himalaya van Kam tot Garhwal. Mustela sibirica werd vrijgelaten uit pelsdierfokkerijen in Hyogo en heeft zich sindsdien verspreid naar de Japanse eilanden Honshu, Shikoku en Kyushu. Mustela siberica sibirica werd ook opnieuw geïntroduceerd in het district Semenov van de oblast Nizjni Novgorod, Rusland in 1937 en in het district Dzhetyoguz van de oblast Ysykköl in Kirgizië in 1941. Er zijn geen fossielen bekend van Mustela sibirica.[1][2]
Bescherming en gebruik
[bewerken | brontekst bewerken]De Siberische wezel staat sinds 2008 op de IUCN-lijst als "niet bedreigd". De soort wordt beschermd onder Bijlage III van de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora in India, op de Tibetaanse lijst van beschermde diersoorten en staat als "bijna bedreigd" op de Chinese Rode Lijst. Door de brede verspreiding van de soort vermoeden natuurbeschermers een grote populatie met stabiele aantallen, maar dit is niet onderzocht. Momenteel zijn er geen grote bedreigingen, maar historisch gezien werd de soort in Siberië en China als waardevol beschouwd voor de productie van "kolinsky"-verfpenselen van stalhaar en inktpenselen. De jacht is momenteel echter gering vanwege de lage commerciële waarde van de vacht. Bovendien heeft de plaatsing onder Bijlage III van CITES beperkingen opgelegd aan de import van kolinsky-penselen naar sommige landen, zoals de Verenigde Staten.[2]
- 1 2 3 (en) Siberische wezel op de IUCN Red List of Threatened Species.
- 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 Chris J. Law (2018). Mustela sibirica (Carnivora: Mustelidae). Mammalian Species 50 (966): 109–118.
- ↑ Azamat A. Totikov et al. (2025 - preprint). Comparative genomics and phylogenomics of the Mustelinae lineage (Mustelidae, Carnivora). bioRxiv.