Verdrag van Fontainebleau (1785)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Aankomst van de gemachtigden van de Oostenrijkse keizer voor de overgave van Lillo en Liefkenshoek. Gravure uit ca. 1790 door Reinier Vinkeles
Staats-Overmaas na het Verdrag van Fontainebleau.

Het Verdrag van Fontainebleau werd op 8 november 1785 gesloten tussen de Rooms-Duitse keizer Jozef II (in zijn kwaliteit als heerser van de Oostenrijks-Habsburgse monarchie, in het bijzonder als landsheer van de Oostenrijkse Nederlanden) en de Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het voorkwam een dreigende oorlog nadat de keizer wat onbezonnen een reeks oude kwesties en schimmige gebiedsaanspraken had opgerakeld en daarover een ultimatum had gesteld.

Bij de onderhandelingen speelde de 'sluiting' van de Schelde een belangrijke rol. Die hield geen blokkade van de Scheldehandel in, maar betekende dat rechtstreekse vaart met zeeschepen van en naar Antwerpen niet was toegestaan. De rede van Walcheren fungeerde als voorhaven en vrachten van of voor Antwerpen werden op de Westerschelde op lichters overgeslagen.

De aanspraken op Maastricht en omgeving ontleende de keizer aan het tijdelijk verdrag van wederzijdse bijstand dat de Staten-Generaal na het Rampjaar in 1673 in Den Haag sloten met koning Karel II van Spanje. De voorwaardelijke overdracht van Maastricht was niet doorgegaan omdat het verdrag door Spanje nooit volledig werd uitgevoerd. Het verdrag was niet verlengd, na de Spaanse Successieoorlog achterhaald, anderszins formeel vervallen, en later eventueel ook nog verjaard.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Jozef II zag na de Brits-Amerikaanse vrede van Parijs (1783) en de Brits-Franse vrede van Versailles (1783) kansen om zijn positie in de Nederlanden te versterken ten koste van de Republiek. Die was verarmd en verzwakt door de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog en kon haar vredesonderhandelingen pas in 1784 met de nodige verliezen afronden. Zuid-Nederlandse ministers stelden in 1783 een uitputtend politiek dossier van grens- en geldkwesties op. De regering in Brussel probeerde hiervoor Franse steun te krijgen en begon alvast met een reeks provocaties aan de grens met de Republiek. Bij inleidende besprekingen in 1784 vatten de vertegenwoordigers van de keizer hun eisen samen in een 'Lijst van rechten en aanspraken' (Tableau sommaire des droits et prétentions de Sa Majesté Impériale). Die behelsden onder andere grensverschuivingen in het Scheldegebied en de overdracht van Maastricht en de Staatse gebieden daaromheen. Het eigenlijke doel, een einde maken aan de 'sluiting' van de Schelde, bleef aanvankelijk verborgen omdat de keizer daarvoor geen duidelijke volkenrechtelijke argumenten had. De Staten-Generaal wezen de eisen als ongegrond en onrechtmatig af. Frankrijk en de Republiek onderhandelden intussen in hun beider belang over een verdedigend verbond.

De keizer liet daarna doorschemeren dat hij bereid was tot een schikking, waarbij hij veel van zijn eisen zou laten vallen en zelfs Oostenrijks Opper-Gelre wilde afstaan. De Republiek moest dan de Schelde 'openen', Staats-Vlaanderen en de Scheldeforten overdragen, de vaart op haar Indische bezittingen vrijgeven en zich niet meer mengen in de Zuid-Nederlandse douanetarieven. Later volgden nog Oostenrijkse voorstellen waarbij andere gebieden werden geëist of aangeboden. De keizer stelde als dreigement dat hij vooruitlopend daarop de Schelde alvast als 'open' beschouwde en dat hij er zijn schepen vrij zou laten varen. De Staten-Generaal protesteerden en argumenteerden dat de keizerlijke eisen zonder rechtsgrond waren. Ze waren wel tot minder ver gaande toegevingen bereid. Ook Frankrijk vond de Oostenrijkse eisen te ver gaan.

In het najaar van 1784 ging de keizer inderdaad tot actie over. Hij liet op Noord-Nederlands gebied aan het Zwin zeehavenfaciliteiten aanleggen en veroorzaakte incidenten in het Maasland. In oktober gaf hij bevel een schip onder Oostenrijkse vlag vanuit Antwerpen de Schelde af naar zee te sturen, en een ander vanuit Oostende de Schelde opwaarts naar Antwerpen. De Zeeuwse admiraliteit hield deze schepen bij Saaftinge, respectievelijk Vlissingen tegen. Daarbij werd slechts één gericht schot gelost, waarbij een soepketel geraakt zou zijn. Om die reden werd die confrontatie wel de Keteloorlog genoemd. Een openlijke oorlog dreigde.

Onderhandelingen[bewerken]

Frankrijk waarschuwde de keizer dat het desnoods ten gunste van de Republiek zou ingrepen. Het riep hem op af te zien van zijn eis tot 'opening' van de Schelde, die in strijd was met het internationale recht. Frankrijk wilde wel bemiddelen bij onderhandelingen op basis van het oorspronkelijke Tableau sommaire. De keizer legde zich daarbij neer, maar wilde zijn eer redden en probeerde nog een maximaal resultaat in geld en gebiedswinst te behalen. Hij peilde ook de mogelijkheid de Zuidelijke Nederlanden te ruilen voor het gunstig gelegen keurvorstendom Beieren. De Staten-Generaal stemden begin 1785 onder druk in met onderhandelingen en stuurden met grote tegenzin twee gezanten naar Wenen om hun verontschuldigingen aan te bieden voor de beledigingen die de vlag van de keizer zou zijn aangedaan.

De onderhandelingen vonden plaats in Parijs, onder bemiddeling van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Vergennes. De Republiek werd vertegenwoordigd door de ambassadeurs Mattheus Lestevenon van Berkenroode en Gerard Brantsen. Voor de keizer trad Florimond de Mercy-Argenteau, Oostenrijks ambassadeur in Parijs op. De onderhandelingen verliepen uiterst moeizaam. Een belangrijk geschilpunt vormde de afkoopsom voor de (door geen ander land erkende) aanspraken van de keizer op Maastricht en de Staatse Landen van Overmaas. De kloof tussen de Oostenrijkse vraag en het Staatse aanbod bleef lange tijd onoverbrugbaar, terwijl een Oostenrijks ultimatum afliep. De Franse regering die tot elke prijs zonder oorlog een verbond met de Republiek wilde, bood toen aan het verschil bij te passen. Op 20 september werd daarna in Parijs een voorlopig akkoord op hoofdlijnen getekend.

De slotbesprekingen vonden, nog steeds met Franse bemiddeling, plaats aan het hof in Fontainebleau. Na nog eens enkele weken van zeer onaangename onderhandelingen kon het vredesverdrag daar ten slotte op 8 november 1785 worden ondertekend.

Inhoud van het verdrag[bewerken]

De voornaamste artikelen betroffen:[1][2]

♦ (art. 2) Alle bepalingen van het verdrag van Munster werden bevestigd, voor zover ze niet met het nieuwe verdrag werden gewijzigd. De bevestiging betrof expliciet ook de Staatse soevereiniteit over de Schelde beneden Saaftinge en de 'sluiting' van dat deel van de rivier.

♦ (art. 3) De formele zeggenschap die de Republiek nog had over bepaalde douanetarieven in het Zuiden werd afgeschaft.

♦ (art. 4) De grens van Staats-Vlaanderen, na de Spaanse Successieoorlog enigszins verruimd, werd teruggebracht naar de toestand van 1664.

♦ (art. 7-10) De keizer kreeg de volle soevereiniteit over de Schelde tussen Antwerpen en de grens bij Saaftinge. De daaraan gelegen Staatse versterkingen Fort Lillo en Fort Liefkenshoek werden overgedragen aan de keizer. Fort Frederik Hendrik en Fort Kruisschans werden gesloopt. De soevereiniteit van de Republiek over de Schelde beneden Saaftinge werd echter bevestigd, evenals haar recht om die 'gesloten' te houden.

♦ (art. 14-17) De keizer deed afstand van zijn (vermeende) rechten op Maastricht en aanhorigheden en op de Staatse Landen van Overmaas. De Staten-Generaal vergoedden hem daarvoor met negen en een half miljoen gulden. Daarnaast ontving de keizer een half miljoen gulden schadeloosstelling voor schade door onderwaterzettingen. De vergoeding was dus niet voor het afzien van 'opening' van de Schelde, zoals in de literatuur vaak vermeld werd.

♦ (art. 18-23) De Staten-Generaal deden afstand van het hele zuidelijke deel van het Land van Dalhem (Olne, Blegny, Trembleur, Saint-André, Feneur, Dalhem, Bolbeek en Berneau). De keizer droeg op zijn beurt zijn enclaves in het Land van Valkenburg over (Oud-Valkenburg, Schin op Geul, Strucht, Schaesberg, het klooster St. Gerlach en Elsloo). Daarnaast kregen de Staten nog de dorpen Obbicht en Papenhoven, die eerder tot Oostenrijks Opper-Gelre behoorden. Daarmee werd voor beide partijen hun grondgebied in het Maasland beter afgerond.

Vervolg[bewerken]

Twee dagen na de ondertekening van het vredesverdrag werd ook het Frans-Staatse verbondsverdrag, dat al vanaf juni 1784 klaar lag, getekend. Ook dat bevestigde (in art. 2) het verdrag van Munster en daarmee de 'sluiting' van de Schelde.[3][4]

Later ontstonden er problemen over de hoogte van de Franse bijdrage in de geldelijke vergoeding voor de keizer (het verschil tussen de laatste Oostenrijkse eis en het uiterste Staatse aanbod). Frankrijk ging ten slotte akkoord met de betaling in termijnen van een bedrag van vier en een half miljoen gulden, vooral omdat Engeland alweer toenadering tot de Republiek zocht. Toen enkele jaren later Franse revolutionairen aan de macht kwamen, wezen die de regeling af. Het geld is daarom nooit volledig betaald.

De Brabantse Omwenteling van 1790 in de Zuidelijke Nederlanden en de Franse inval daar in 1792 brachten vervolgens een geheel nieuwe politieke situatie.

Literatuur[bewerken]

  • (nl) H.T. Colenbrander: De Patriottentijd, hoofdzakelijk naar buitenlandse bescheiden (Den Haag, 1897-1899), dl. 1, p. 359-364, en dl. 2, p. 12-62.
  • (en) W.W. Davis: Joseph II: An imperial reformer for the Austrian Netherlands (Den Haag, 1974), p. 121-133.
  • (nl) J.A.K. Haas: 'Het verdrag van Fontainebleau 1785: Maastricht en de landen van Overmaas als internationale conflictstof aan het eind van het ancien régime', in: Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg, jrg. 124 (1988), p. 264-344.
  • (fr) F. Magnette: Joseph II et la liberté de l'Escaut (Brussel, 1897), p. 17-196.
  • (nl) Roel Zijlmans: Troebele betrekkingen: Grens-, scheepvaart- en waterstaatskwesties in de Nederlanden tot 1800 (Hilversum, 2017, ISBN 978-90-8704-637-8), par. 6.10.