Verdrag van Fontainebleau (1785)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aankomst van de gemachtigden van de Oostenrijkse keizer voor de overgave van Lillo en Liefkenshoek. Gravure uit ca. 1790 door Reinier Vinkeles
Staats-Overmaas na het Verdrag van Fontainebleau.

Het Verdrag van Fontainebleau werd op 8 november 1785 gesloten tussen keizer Jozef II, de Oostenrijkse keizer, en de Republiek der Nederlanden naar aanleiding van de Keteloorlog. In dit treffen, met als enige "slachtoffer" een soepketel, had Jozef II gepoogd de blokkade van de Schelde te doorbreken. De Noord-Nederlanders, gesteund door koninkrijk Frankrijk en koninkrijk Pruisen, maakten duidelijk dat ze dit niet zouden toestaan.

Het verdrag bevestigde de sluiting van de Schelde, maar voorzag in compensatie van 9.500.000 florijnen door de Republiek (waarvan de helft door Frankrijk werd gedragen). Het zorgde verder voor de overdracht van een aantal Staatse gebieden aan de Oostenrijkse Nederlanden, waaronder Fort Lillo, Fort Liefkenshoek en het grootste deel van het graafschap Dalhem.

Enkele Oostenrijkse gebieden kwamen onder Staats bestuur: Obbicht en Papenhoven werd gevoegd bij Staats-Opper-Gelre. Elsloo, Oud-Valkenburg, Schin op Geul, Strucht en Schaesberg gingen over naar Staats-Overmaas. De Redemptiedorpen gingen naar Staats-Brabant.

Fontainebleau bevestigde dus in grote lijnen de blokkade van de Schelde uit het verdrag van Münster en werd in de Oostenrijkse Nederlanden als een grote teleurstelling ervaren.