Willem Hussem

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Willem Hussem
Hussem tijdens de uitreiking van de Jan Campert-prijs (1965)
Hussem tijdens de uitreiking van de Jan Campert-prijs (1965)
Persoonsgegevens
Volledige naam Willem Frans Karel Hussem
Pseudoniem w .hussem
Geboren 29 januari 1900
Overleden 21 juli 1974
Geboorteland Vlag van Nederland Nederland
Nationaliteit Nederlands
Beroep(en) Schilder, beeldhouwer en dichter
Oriënterende gegevens
Jaren actief c. 1915-1974
Stijl(en) Abstract
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Willem Frans Karel Hussem (Rotterdam, 29 januari 1900Den Haag, 21 juli 1974) was een Nederlandse schilder, beeldhouwer en dichter.

Opleiding en start[bewerken]

Willem Hussem werd aan het Waterlooplein te Rotterdam geboren als oudste van de twee zonen van notaris Hendrik Hussem en Sophia Keeman. Nadat hij aldaar de lagere school en de hbs had doorlopen, ging hij naar de wens van zijn vader de makelaardij in. Hij begon in de tabakshandel, maar tijdens het keuren voor de inkoop raakte hij er steeds meer van overtuigd, dat hij zijn zintuigen beter anders gebruiken kon, met het gevolg dat hij zich in 1917 als leerling van de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten liet inschrijven in 1917. Hij bleef er maar één jaar en ging daarna twee jaar bij de graficus en kunstschilder Dirk Nijland op het atelier werken, eerst in Rhoon en later in Wassenaar. In deze tijd leerde hij onder meer de schilder Hendrik Chabot kennen, met wie hij steeds bevriend is gebleven.[1] In 1919 vertrok hij naar Frankrijk om zich na wat rondzwerven te vestigen in het zuidelijk gelegen Les Angles. Hij onderhield nauw contact met zijn vaderland, maar keerde pas na tien jaar terug. Hij had in Frankrijk onder anderen Piet Mondriaan en Pablo Picasso leren kennen; ook het werk van Vincent van Gogh had zichtbare invloed op zijn eerste schildersjaren.[2]

Schilderen[bewerken]

In 1930 trouwde hij met Anna Provo Kluit; een jaar later werd hun zoon Frank geboren. In 1933 volgde een tweede Franse periode toen het gezin zich vestigde in Bougival - even onder de rook van Parijs. Persoonlijke omstandigheden en de toenemende politieke spanningen in West-Europa deden Hussem en zijn vrouw in 1936 besluiten om definitief naar Nederland terug te keren. Het echtpaar vond een bovenwoning in de Mijtenstraat, in de Haagse Schilderswijk, met op de begane grond een voormalig badhuis dat hij als zijn atelier inrichtte en tot zijn dood zou gebruiken.[2]

In zijn Franse jaren schilderde Hussem voornamelijk in een min of meer impressionistische stijl. Al snel na zijn terugkeer ontstonden zijn eerste modernistische schilderijen; de vele indrukken die hij vooral in Parijs had opgedaan vonden nu korte tijd hun uitwerking in zijn schilderen. De dreiging van oorlog, maar vooral ook de twijfel over dit nieuwste werk en over zijn te volgen artistieke richting luidden een langdurige impasse in voor zijn schilderen. Van 1938 tot 1945 schilderde Hussem weinig; hij hield zich in die jaren vooral bezig met poëzie en cultuuronderzoek.[2] Pas na de Tweede Wereldoorlog ontstonden zijn eerste abstracte schilderijen. Ondanks nationale en internationale successen, waaronder driemaal de toekenning van de Jacob Marisprijs en een uitnodiging voor deelname aan de Biënnale van Venetië, had zijn gezin het financieel niet breed.

In 1943 begon Hussem zich te verdiepen in het Zen-boeddhisme en de daarmee verbonden kunst van het kalligraferen. Dit zette hem aan tot experimenteren; in de periode 1943-1945 ontstonden er zo honderden expressieve inktschilderingen. Aanvankelijk maakte hij deze naar de uitgangspunten van de traditionele kalligrafie, maar al snel liet hij elke voorstelling of vorm los; zijn latere kalligrafische schilderingen werden volkomen vrije abstracties. Voor Hussem betekende deze werkwijze een oefening in gebaar en in beheersing, en een onderzoeken van de verhouding tussen schrift en leegte. Inkt en penseel stelden hem in staat om in ritmisch vloeiende bewegingen te leren schilderen, maar het is zijn werk aan te zien dat hij nog lang heeft moeten zoeken naar een herkenbaar olieverfhandschrift.

In de periode 1945-1957 experimenteerde Hussem met bijna alle mogelijke vormen van modernisme. Hij had deze vrijheid nodig om uiteindelijk circa 1960 tot werken te komen die de hoofdstroom binnen zijn oeuvre zouden uitmaken. Het zijn de abstracte schilderijen waarin zijn ritmische schildersgebaar het beeld ging bepalen; werken die hij al componerend in kleurvorm tegen kleurvorm maakte. Hij verkreeg toen een wijze van schilderen waarin hij een expressionistische techniek combineerde met een constructivistisch ordeningsprincipe, een samenvallen van expressie en ordening, het fysieke en het mentale, emotie en ratio; dat vormde de essentie uit zijn schilderkunst van 1960-1970. Kunstschilder Eric de Nie merkte in dit verband ooit op: Wat me zo aan Hussem bevalt, is zijn eerlijkheid. Hij verhult niet, maar laat zien.[2] In deze laatste periode hanteerde Hussem met lijnen, vlakken, vegen, kleuren en structuren een sobere en sterke tekentaal. De tekens uit deze werken verwijzen wèl naar een werkelijkheid, maar die is niet herleidbaar tot een vertrouwd herkenbaar beeld uit de dagelijkse werkelijkheid. Niettemin gaat er een magische werking van uit; er gebeurt iets vergelijkbaars als 'de wind, die opsteekt', zoals hij zelf in een van zijn gedichten over het schilderen beschreef[1] (zie gedicht in afbeelding, rechts)

Tot kort voor zijn overlijden in 1974 heeft de beeldende ontwikkeling bij Hussem zich blijven ontwikkelen. Een heel levendig doek van 150 bij 200 cm doet denken aan Mondriaans late schilderij 'New York Boogie Woogie'. Het jaar daarop bepaalde Hussem zich tot slechts een gekanteld zwart vierkant op een witte ondergrond. Dit was het begin van een aantal werken zonder penseelschrift, onder meer in zeefdruk; het zou ook de laatste fase in zijn beeldende oeuvre zijn.[3]

citaat c. 1963[bewerken]

de zee omhelst de zon
landinwaarts trekt de nevel op
een hemelse oesterschelp gaat open
mijn ogen eten[4]

lidmaatschappen[bewerken]

Gedicht van Hussem op een muur in Leiden
Uitreiking van de letterkundige prijzen in december 1965 van de Jan Campert-Stichting; v.l.n.r. schrijvers Lucebert, Enno Endt, burgemeester Kolfschoten, schilder-dichter Willem Hussem en schrijver Alfred Kossman
  • 1945-1974, Pulchri Studio (Den Haag)
  • vanaf 1945, Haagse Kunstkring
  • 1949-1955, Vereniging Vrij Beelden
  • vanaf 1955, Liga Nieuw Beelden
  • vanaf 1956, mede-oprichter van De Posthoorngroep (Den Haag)
  • vanaf 1962, Fugare

Hussem maakte ook deel uit van de groep Verve. Zijn werk wordt gerekend tot de kunststroming de Nieuwe Haagse School.

erkenning[bewerken]

in collecties[bewerken]

Werken van Hussem bevinden zich in de collectie van:

Dichter[bewerken]

Voor de oorlog was Hussem al een regelmatig bezoeker van 'De Posthoorn', een stamcafé aan de Nieuwe Uitleg in Den Haag, waar hij niet alleen Haagse schilders en andere vrienden ontmoette, maar ook een aantal schrijvers, zoals Jacques Bloem, Clara Eggink, Martinus Nijhoff, A. Roland Holst en Simon Carmiggelt. Hij raakte sterk bevriend met Simon Carmiggelt. Vooral door de vriendschap met Bloem kwam hij ertoe om ook zelf gedichten te schrijven, die aanvankelijk min of meer aansloten bij de toen gangbare Criterium-poëzie, en waarin de zee al direct een belangrijk thema vormde. Bij de Haagse boekhandelaar, uitgever en schilder L.J.C. Boucher verscheen in 1940 zijn eerste dichtbundel De kustlijn en een jaar later werd in de Atlantis-serie van A.A.M. Stols zijn tweede bundel, Uitzicht op zee, opgenomen.[1]

Typerend, zowel voor zijn beeldende werk als voor zijn schrijversactiviteit en theoretische opvattingen, is de kleine studie Het Paascheiland - zijn voorouder- en vogelcultus, die hij in 1942 publiceerde als derde deel van de reeks Primitief Denken en Beelden, uitgegeven door De Driehoek te 's-Graveland.
Vooral in de jaren zestig verschenen veel dichtbundels, zoals Lente in de Herfst, die in 1963 als Literaire Pocket verscheen bij De Bezige Bij. De bekendste bundel uit die tijd is Voor twee scharren blauwbekken (1966). Sommige boeken werden door hemzelf uitgegeven, zoals Lessen in luchtdruk. Ook na zijn dood bleef zijn dichtwerk verschijnen, het laatst de bundel Met inkt zeggen (2011), die met Hussems penseeltekeningen verlucht is.

Beeldhouwer[bewerken]

Object (1973) in Den Haag

Willem Hussem begon in 1967 met het vervaardigen van metaalplastieken. Terwijl de vormen in zijn schilderijen verstrakten, ging Hussem ook in de reële ruimte componeren, eerst in aluminium, vervolgens in hout. De vorm van een tien meter hoog aluminium beeld - geplaatst bij het postkantoor in Raalte - doet denken aan een Malinees Tellem-beeld met geheven armen. Een aantal plastieken in wenge-hout zijn in hun symmetrie verwant aan sommige beelden van André Volten.[3]

Het genoemde aluminium object (met een waarde van plusminus 100.000 euro) dat Hussem maakte voor bij het postkantoor in Raalte is in 2017 per ongeluk gesloopt. De sloop van het postkantoor was in het najaar van 2016 begonnen. Het aluminium kunstwerk was een van de laatste objecten die werden vermalen in een shredder; niemand had vooraf de projectontwikkelaar op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van het kunstwerk.[5]

Tentoonstellingen en andere activiteiten[bewerken]

  • Tentoonstelling: Willem Hussem : schilder, dichter, in het Rijksmuseum Twenthe, Enschede van 14 maart t/m 26 april 1992, met daarbij een uitgave die tevens bestemd was als catalogus: Warmte vergt jaren groei : een keuze uit de gedichten en tekeningen van Willem Hussem, samenstelling Frank Eerhart en Han Steenbruggen, 1992, uitg. Eindhoven, Stichting Plint.
  • Expositie in Museum Belvédère in Heerenveen, van 23 september - 20 november 2011.[6]
  • Hussem Festival in Den Haag van 1 oktober - 30 oktober 2011. Ter gelegenheid van de onthulling van de enig overgebleven wandschildering (1957, caseïne Zuiderpark HBS), waarvan de restauratie in zomer 2011 is voltooid.[7]

Externe links[bewerken]