Werkverslaving

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Workaholisme)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.

Werkverslaving of workaholisme (een porte-manteauwoord van werk en alcoholisme) is een onweerstaanbare of niet te stuiten innerlijke drang tot excessief hard werken en veel aan het werk denken als men niet werkt[1][2]. Werkverslaafden werken vooral hard om aan de verwachtingen van anderen te voldoen en daarmee waardering van hen te ontvangen, een onzeker of negatief zelfbeeld te compenseren, uit schaamte voor zichzelf of omdat ze zich anders slecht voelen[3]. De innerlijke drang als interne factor staat tegenover externe factoren, zoals betalen van hoge hypotheeklasten, ontvluchten van een slecht huwelijk of nastreven van een loopbaanambitie13. Werkverslaving heeft negatieve gevolgen voor zowel de werkverslaafde als voor diens omgeving, waaronder gezondheidsklachten en relatieproblemen. Werkverslaving behoort tot gedragsverslavingen, zoals gokverslaving, eetverslaving, koopverslaving, etc.

Oorsprong[bewerken | brontekst bewerken]

De term workaholic of werkverslaafde werd volgens velen voor het eerst in 1968 gebruikt door de Amerikaanse dominee Wayne E. Oates in zijn artikel in het vaktijdschrift Pastoral Psychology om zijn eigen verhouding tot zijn werk te duiden[4]. In zijn succesvolle boek Confessions of a workaholic uit 1971 omschreef hij een werkverslaafde als iemand wiens behoefte om te werken zo overheersend is, dat dit merkbare verstoringen in zijn gezondheid, geluk en relaties teweegbrengt[5]. Toch was Oates niet de eerste die dit fenomeen beschreef. Zo sprak de Franse schrijver Gustave Flaubert al in 1852 van zijn "bezeten, geperverteerde liefde" om te werken. In zijn pamflet Das Recht auf Faulheit (1883) bestempelde de Duitse anarchist Paul Lafargue (schoonzoon van Karl Marx) "Arbeitssucht" als de oorzaak van de "Erschöpfung der Individuen und ihrer Nachkommenschaft". De Hongaarse psychiater Sándor Ferenczi, een volgeling van Sigmund Freud, beschreef in 1919 de zondagsneurose: het verschijnsel dat gezonde mensen op zondag, destijds voor werkenden de wekelijkse rustdag, mentale en fysieke onrust ervaren, uit angst dat het ontbreken van hun normale, drukke routines ertoe zou leiden dat zij hun impulsen niet meer kunnen onderdrukken.

In 1992 kwamen de eerste vragenlijsten beschikbaar, die werkverslaving anders in beeld brachten dan het aantal gewerkte uren: WART (Work Addiction Risk Test[6]) en WORKBAT (Workaholism Battery[7]). Sindsdien groeit het aantal wetenschappelijke publicaties en vragenlijsten over werkverslaving en leidt de groeiende aandacht voor burn-out voor meer aandacht voor werkverslaving, maar werkverslaving wordt op dit moment niet beschouwd als een grootschalig en ernstig probleem. DSM-V erkent werkverslaving niet als een psychisch probleem[8].

Kenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

Wetenschap vat werkverslaving vooral op als een verschijnsel met negatieve gevolgen voor zowel de persoon zelf als diens omgeving. Moderne definities van werkverslaving richten zich niet alleen op de extreem hoge tijdsbesteding aan werk, maar ook aan de onderliggende motivatie om hard te werken.

Werkverslaving is een concept van meerdere kenmerken, waarover nog geen wetenschappelijke overeenstemming bestaat[8]. De Work Addiction Risk Test (WART) kent vijf kenmerken: dwangmatig gedrag, controle, communicatieproblemen/zelfabsorptie, onvermogen tot delegeren en resultaatgerichtheid. De Workaholisme Battery (WORKBAT) gaat uit van drie kenmerken: werkbetrokkenheid (hoeveelheid tijd), gedrevenheid (interne drang) en werkplezier. Schaufeli & Bakker stellen dat de conceptuele basis van deze instrumenten zwak is[8]. Volgens Andreassen zijn de meeste instrumenten opgebouwd volgens een schijnbaar a-theoretische benadering, missen ze een stevige theoretische verankering en vertonen een geringe onderlinge betrouwbaarheid[9].

Scott et al. komen tot twee kenmerken van werkverslaving[10]:

  1. Onophoudelijk werken (excessive work): werkverslaafden werken meer, als zij daartoe de kans krijgen, dan redelijkerwijs nodig is om aan de verwachtingen van de organisatie te voldoen. Ze stoppen pas als ze alles gedaan hebben wat ze zouden hebben kúnnen doen. Omdat altijd meer werk gedaan kan worden breekt het moment van stoppen maar zelden aan, waardoor ze in feite de beheersing over hun werkgedrag verliezen[11]. Dit is het gedragsmatige onderdeel van werkverslaving.
  2. Dwangmatig werken: (compulsive work): werkverslaafden zijn geobsedeerd door hun werk: "ze kunnen niet anders". Werkverslaafden denken hardnekkig en vaak aan werk, zelfs als ze niet werken, staan altijd "aan", zien vrije tijd als verloren tijd en hebben weinig behoefte aan vrije dagen, kunnen alleen over het werk praten en "malen" 's nachts in bed over het werk. Werkverslaafden zetten zichzelf onder druk door hoge eisen aan zichzelf te stellen en werk op te zoeken[12]. Dit is het cognitieve onderdeel van werkverslaving.

McMillan & O’Driscoll[1] en Ng, Sorensen & Feldman[2] komen tot de conclusie dat excessief hard werken en onweerstaanbare of niet te stuiten innerlijke drang (drive, urge or drift) tot hard werken de kern van werkverslaving uitmaken. Deze kern vindt zijn oorsprong in een persoonlijkheidstrek van werkverslaafden: ze werken vooral hard om aan de verwachtingen van anderen te voldoen en daarmee waardering van hen te ontvangen, een onzeker of negatief zelfbeeld te compenseren, uit schaamte voor zichzelf of omdat ze zich anders slecht voelen[3]. De innerlijke drang als interne factor staat tegenover externe factoren, zoals betalen van hoge hypotheeklasten, ontvluchten van een slecht huwelijk of nastreven van een loopbaanambitie[13].

Oorzaken van werkverslaving[bewerken | brontekst bewerken]

Wetenschappelijk bewijs voor het ontstaan van werkverslaving vanuit een persoonlijkheidstrek is relatief sterk[14]. Werkverslaving hangt samen met:

Werkverslaafden zijn geneigd tot dwangmatig gedrag, zijn perfectionistisch ingesteld, willen graag presteren, kunnen slecht delegeren en beschikken over veel energie[25]. Aannemelijk is dat het stellen van hoge eisen aan zichzelf, een kenmerk van perfectionisme dat wellicht voortkomt uit een fundamenteel gevoel van angst en onzekerheid (neuroticisme), het hard en dwangmatig werken bij werkverslaafden veroorzaakt[21].

Symptomen (verschijnselen) die wijzen op werkverslaving[bewerken | brontekst bewerken]

  • Werkverslaafden geven zichzelf onvoldoende kans te herstellen van inspanningen, waardoor ze een verhoogde kans lopen op vermoeidheid, slaapklachten, stress, gezondheidsklachten[26], depresiviteit en burn-out[27][28]. Om te werken geven ze allerlei niet-werk gerelateerde (ontspannende) activiteiten op[10].
  • Werkverslaafden zijn weinig emotioneel betrokken bij hun thuissituatie omdat het werk alle tijd en energie vraagt[29]. Familieleven komt in het gedrang door de preoccupatie met werk[30][31]. Werkverslaafden zijn meer vervreemd van hun partners[32][33] en hebben een verarmd sociaal leven[10].
  • Werkverslaafden hebben een fanatieke en streberige werkhouding, die belastend voor collega’s is[23]. Ze gedragen zich op het werk vaker contraproductief, met name ten aanzien van collega’s die zij als concurrenten zien. Ten aanzien van collega’s kunnen werkverslaafden controlerend zijn[34][35].
  • Werkverslaafden dompelen zich volledig onder in het werk[36] en kunnen het werk niet loslaten[37]. Ze doen vooral veel werk buiten hun eigenlijk taak[32].
  • Werkverslaafden zijn perfectionisten, werken altijd langer door en zijn minder bevlogen dan niet-werkverslaafden collega’s[38].
  • Werkverslaafden ervaren relatief weinig werkplezier of arbeidstevredenheid[15]. Ze zijn minder tevreden over hun eigen salaris dan anderen[8].
  • Werkverslaafden krijgen onthoudingsverschijnselen (bijv. irritatie en verveling) als ze niet werken[8].
  • Werkverslaafden hebben een sterk plichtsbesef en dito verantwoordelijkheidsgevoel voor de organisatie waarvoor ze werken[39].

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

  1. a b McMillan, L. H. W., & O’Driscoll, M. P. (2006). Exploring new frontiers to generate an integrated definition of workaholism. In R. Burke (Ed.), Research companion to working time and work addiction (pp. 89-107). Cheltenham, UK: Edward Elgar
  2. a b Ng, T.W.H., Sorensen, K.L., & Feldman, D.C. (2007). Dimensions, antecedents, and consequences of workaholism: a conceptual integration and extension. Journal of Organizational Behavior, 28, 111-136
  3. a b Van Beek, I., Taris, T. W., & Schaufeli, W. B. (2012). Demographic and occupational correlates of workaholism. Psychological Reports, 110, 547–554
  4. Oates, W. (1968). On being a “Workaholic”. Pastoral Psychol 19, 16–20
  5. Oates, W. (1971). Confessions of a workaholic: the facts about work addiction. New York: World
  6. Robinson, B.E. (1999). The Work Addiction Risk Test. Development of a tentative measure of workaholism. Perceptual and Motor Skills, 88, 199-210
  7. a b Spence, J.T. & Robbins, A.S. (1992). Workaholism: definition, measurement, and preliminary results. Journal of Personality Assessment, 58, 160-178
  8. a b c d e Schaufeli, W & Bakker A (red) (2020). De psychologie van arbeid en gezondheid, 4th edition, ISBN 9789036824941
  9. Andreassen CS - Workaholism: An overview and current status of the research - 2013
  10. a b c Scott, K.S. Moore, K.S., & Miceli, M.P. (1997) An exploration of the meaning and consequences of workaholism. Human Relations, 50, 287-314
  11. Van Wijhe, C., Peeters, M., Schaufeli, W., & Van den Hout, M. (2011). Understanding workaholism and work engagement: The role of mood and stop rules. Career Development International, 16, 254–270
  12. Johnstone, A. & Johnston, L. (2005). The relationship between organizational climate, occupational type, and workaholism. New Zealand Journal of Psychology, 34, 181-188
  13. Snir, R. & Zohar, D. (2008). Workaholism as discretionary time investment at work: An experience-sampling study. Applied Psychology: An International Review, 57, 109-127
  14. McMillan, L.H.W., O’Driscoll, M.P. & Burke, R.J. (2003). Workaholism: a review of theory, research, and future directions. In C.L. Cooper & I.T. Robertson (Eds.), International Review of Industrial and Organizational Psychology, Vol. 18 (p. 167-189). New York: Wiley
  15. a b Burke, R.J., Matthiesen, S.B., & Pallesen, S. (2006a). Personality correlates of workaholism. Personality and Individual Differences, 40, 1223-1233
  16. De Neve, K., Cooper, H. (1998). The happy personality: A meta-analysis of 137 personality traits and subjective well-being. Psychological Bulletin 124 (2): 197–229. DOI: 10.1037/0033-2909.124.2.197
  17. Clark, M.A., Lelchook, A.M., & Taylor, M.L. (2010). Beyond the Big Five: How narcissism, perfectionism, and dispositional affect relate to workaholism. Personality and Individual Differences, 48, 786-791
  18. Spence, J.T. & Robbins, A.S. (1992). Workaholism: Definition, measurement, and preliminary results. Journal of Personality Assessment, 58, 160-178
  19. Taris, T.W., Van Beek, I., & Schaufeli, W.B. (2010). Perfectionism, workaholism, and burnout: A mediational analysis. Romanian Journal of Applied Psychology, 12, 1-7
  20. Stoeber, J., Otto, K., & Dalbert, C. (2009). Perfectionism and the big five: Conscientiousness predicts longitudinal increases in self-oriented perfectionism. Personality and Individual Differences, 47, 363-368.
  21. a b Killinger, B. (2006). The workaholic breakdown syndrome. In R.J. Burke (Ed.), Research companion to working time and work addiction (pp. 61-88). Cheltenham (UK): Edward Elgar
  22. Aziz, S., & Tronzo, C. L. (2011). Exploring the relationship between workaholism facets and personality traits: A replication in American workers. The Psychological Record, 61, 269–286
  23. a b Porter, G. (2001). Workaholic tendencies and the high potential for stress among co-workers. International Journal of Stress Management, 8, 147-164
  24. McMillan, L.H.W., Brady, E.C., O’Driscoll, M.P. & Marsh, N. (2002). A multifaceted validation study of Spence and Robbins’ (1992) Workaholism Battery. Journal of Occupational and Organizational Psychology, 75, 357-368
  25. Taris, T., & Schaufeli, W. (2003). Werk, werk en nog eens werk: de conceptualisering, oorzaken en gevolgen van werkverslaving. De Psycholoog, 38, 506-512
  26. Balducci, C., Avanzi, L., & Fraccaroli, F. (2018). The individual ‘costs’ of workaholism: An analysis based on multisource and prospective data. Journal of Management, 44, 2961–2986
  27. Maslach, C. (1986). Stress, burnout and workaholism. In R.R. Killberg, P.E. Nathan, & R.W. Thoreson (red.), Professionals in distress: Issues, syndromes and solutions in psychology (pp. 53-73). Washington (DC): American Psychological Association
  28. Andreassen, C.S., Ursin, H., & Eriksen, H.R. (2007). The relationship between strong motivation to work, ‘workaholism’, and health. Psychology and Health, 22, 615-629
  29. Robinson, B.E. (1996). The relationship between work addiction and family functioning: Clinical implications for marriage and family therapists. Journal of Family Psychotherapy, 7, 13-39
  30. Bonebright, C.A., Clay, D.L., & Ankenmann, R.D. (2000). The relationship of workaholism with work-life conflict, life satisfaction, and purpose in life. Journal of Counseling Psychology, 47, 469-477
  31. Taris, T.W., Schaufeli, W.B., & Verhoeven, L.C. (2005). Internal and external validation of the Dutch Work Addiction Risk Test: Implications for jobs and non-work conflict. Journal of Applied Psychology: An international Review, 54, 37-60
  32. a b Clark, M. A., Michel, J. S., Zhdanova, L., Pui, S. Y., & Baltes, B. B. (2014). All work and no play? A meta-analytic examination of the correlates and outcomes of workaholism. Journal of Management, 42, 1836–1873
  33. Shimazu, A., Demerouti, E., Bakker, A. B., Shimada, K., & Kawakami, N. (2011). Workaholism and well-being among Japanese dual-earner couples: A spillover-crossover perspective. Social Science & Medicine, 73, 399–409
  34. Mudrack, P.E. & Naughton, T.J. (2001). The assessment of workaholism as behavioral tendencies: Scale development and preliminary empirical testing. International Journal of Stress Management, 8, 93-111
  35. Porter, G. (2004). Work, work ethic, work excess. Journal of Organizational Change Management, 17, 424-439
  36. Porter, G. (1996). Organizational impact of workaholism: Suggestions for researching the negative outcomes of excessive work. Journal of Occupational Health Psychology, 1, 70-84
  37. McMillan, L.H.W., O’Driscoll, M.P., Marsh, N.V., & Brady, E.C. (2001). Understanding workaholism: Data synthesis, theoretical critique, and future design strategies. International Journal of Stress Management, 8, 69-91
  38. Schaufeli, W., Van Wijhe, C., Peeters, M., & Taris, T. (2011). Werkverslaving, een begrip gemeten. Gedrag & Organisatie, 24, 43–63
  39. Scott, K.S., Moore, K.S., & Miceli, M.P. (1997). An exploration of the meaning and consequences of workaholism. Human Relations, 50, 287-314