Aubette (Straatsburg)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Middenrisaliet van de Aubette.
Detail.
Ciné-dancing op de eerste verdieping.

De Aubette is een lang neoclassicistisch gebouw aan de noordzijde van Place Kléber in de Franse stad Straatsburg, dat bekend werd door de modernistische interieurs ontworpen door Theo van Doesburg, Hans Arp en Sophie Taeuber-Arp.

Geschiedenis[bewerken]

Het gebouw stamt oorspronkelijk uit de 13e eeuw en is tussen 1765 en 1778 ingrijpend verbouwd door architect Jacques François Blondel om daarna dienst te doen als militair gebouw. In de 19e eeuw moesten de militairen het gebouw delen met een café, dat later overdekt werd. De in 1803 opgerichte schilderijenverzameling van de stad Straatsburg werd in 1869 in de Aubbette ondergebracht. Op 24 augustus 1870 (een maand voor het Beleg van Straatsburg) brandde het gebouw, echter geheel uit, waarbij ook de stedelijke schilderijenverzameling in vlammen op ging. Alleen de buitenmuren bleven bewaard. Van 1873 tot 1885 werd de Aubette onder leiding van stadsarchitect Conrath herbouwd, waarbij het zijn huidige mansardedak kreeg. Ervan uitgaande dat er een concertzaal in zou komen, werd de gevel in die periode ook versierd met componistenbeelden (o.a. van Meyerbeer en Bruckner. Op de begane grond kwamen winkels.[1]

Escalier voor verbouwing.
Grote Feestzaal op de eerste verdieping.

Na de Eerste Wereldoorlog kwam de hele rechtervleugel van de Aubette leeg te staan, waardoor de gemeente in 1922 besloot het te verhuren aan de uit Mulhouse afkomstige broers Paul en André Horn. De Horns hadden een succesvol architectenbureau in Straatsburg gevestigd en bezaten toen al verschillende horecagelegenheden in die stad. De twee zagen de mogelijkheid om in de Aubette een groots opgezet amusementspaleis te ontwikkelen. Paul Horn zou de bouwkundige kant voor zijn rekening nemen, André de financiële kant en een derde persoon, Ernest Heitz, was als uitbater Café de la Paix in Straatsburg voorbestemd de dagelijkse leiding over de Aubette te voeren.[2]

Door talloze regels en bureaucratie van de gemeente verliep het project echter zeer moeizaam. In 1926 staat de rechtervleugel nog steeds leeg. Als in dat jaar het echtpaar Hans en Sophie Arp zich in Straatsburg vestigen, maakt André Horn van de gelegenheid gebruik hen te vragen de interieurs van de Aubette te ontwerpen. André Horn was als kunstverzamelaar goed op de hoogte van de moderne kunst en wilde, naar voorbeeld van de grote Berlijnse uitgaansgelegenheden uit die dagen, van de Aubette een modern en vernieuwend project maken.[3]

Vanwege de omvang van het project hebben de Arps vrijwel direct voorgesteld de Nederlandse kunstenaar Theo van Doesburg erbij te betrekken. Omdat Van Doesburg al de nodige ervaring in het ontwerpen van interieurs had en over internationale contacten beschikte, werd hem de leiding gegeven van het project.

Op grond van een ontwerp voor de bewegwijzering van de Aubette is het volgende schema samen te stellen waarin het aandeel van elk van de drie kunstenaars leverden:

Ontwerp voor wegwijzer. 1927.
Verdieping Ruimte Nummer Data Ontwerper(s)
Begane grond: Passage 1    
  Café-brasserie 2 1926-28 (verdwenen) Theo van Doesburg
  Restaurant 3 1926-28 (verdwenen) Theo van Doesburg
  Salon de thé 4 1926-28 (verdwenen) Sophie Taeuber-Arp
  Aubette-bar 5 1926-28 (verdwenen) Sophie Taeuber-Arp
Kelder: Telefoons 6    
  Toiletten 7    
  Garderobe 8    
  American bar 9    
  Caveau-dancing 10 1926-28 (verdwenen) Hans Arp
Tussenverdieping: Toiletten 11    
  Garderobe 12    
  Biljartzaal 13 1926-28 (verdwenen) Sophie Taeuber-Arp
Eerste verdieping: Ciné-bal (Ciné-dancing) 14 1926-28 (gerestaureerd 1989-94) Theo van Doesburg
  Foyer-bar 15 1926-28 (gerestaureerd 2004-06) Sophie Taeuber-Arp
  Grote feestzaal 16 1926-28 (gerestaureerd 2004-06) Theo van Doesburg
  Escalier   1926-28 (gerestaureerd 2004-06) Theo van Doesburg, Hans Arp en/of Sophie Taeuber-Arp

Omdat elke kunstenaar vrij was te ontwerpen wat hij of zij wilde, had bijna elke ruimte zijn eigen karakter, met als verbindend element de abstracte stijl waarin ze waren uitgevoerd. Hans Arp paste in zijn Caveau-dancing de hem kenmerkende vrije, 'premorfische' stijl toe bestaande uit grote gele, zwarte en grijsblauwe biomorfische kleurvlakken. Sophie Taeuber-Arps ontwerpen zijn net als Van Doesburg geometrisch en orthogonaal, met als belangrijkste verschil dat haar patronen veel subtieler en speelser zijn dan de rigide kleurvlakken van Van Doesburg. Hierdoor hadden de door haar ontworpen interieurs, de Salon de thé en Aibette-bar, een veel intiemer en volgens sommigen 'vrouwelijk' karakter.[4]

Van Doesburg paste zelfs twee verschillende stijlen toe: het neoplasticisme in de Grote Feestzaal en het elementarisme in de Ciné-dacing.[5] In de Grote feestzaal paste hij verschillende tinten rood, geel en blauw toe, terwijl hij in de Ciné-dancing naast primaire kleuren ook secundaire kleuren toepaste, om zo een 'dissonant' (contrasterend) effect te bereiken. In het Restaurant en Café-brasserie op de begane grond gebruikte hij, omdat deze ruimten een lager plafond hadden en drukker waren, minder dominante kleuren. Naast interieurs ontwierp Van Doesburg ook stoelen, tafels, elektrische zekeringenpanelen, asbakken en de uitgebreide lichtreclame aan het exterieur.[6]

Over de Escalier bestaat onenigheid met betrekking tot wie deze ontworpen heeft. Hij wordt vaak vergeleken met de trap in de in 1917 door J.J.P. Oud ontworpen hal van vakantiehuis De Vonk in Noordwijkerhout, terwijl het raam toegeschreven wordt aan Hans Arp, en de muurschilderingen aan Sophie Taeuber-Arp.[7]

De interieurs werden in januari 1928 voltooid en de opening op 16 februari werd met een galadiner gevierd. De lokale pers was zeer positief over de ontwerpen. 'We kunnen tot in het oneindige opbieden over zo'n bekoorlijk onderwerp. Maar, zoals een moderne dichter heeft gezegd: "een goede tuinman parfumeert zijn rozen niet",' schreef een journalist van Dernières nouvelles de Strasbourg.[8]

Die mening werd echter niet gedeeld door het Straatsburgse publiek en dus liet de uitbater van het complex, Ernest Heitz, de interieurs al snel ontsieren door het aanbrengen van schrootjes, kunstbloemen en kleurverlichting. Ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de Aubette in 1938, vond men het tijd de interieurs geheel te vernieuwen.

In de jaren '80 kwamen de modernistische interieurs van de Aubette opnieuw in de belangstelling. De Ciné-dancing vormde het uitgangspunt van de in 1988 door Albrecht Jourdan Müller i.s.m. het bureau Berghof Landes Rang ontworpen directiekamers van de postmodernistische Landeszentralbank Hessen in Frankfurt. In 1989 begon ook de reconstructie van de Ciné-dancing.[9]

Externe link[bewerken]

Bronnen

  • Guigon, Emmanuel (redactie; 2006) De Aubette of de kleur in de architectuur. Een ontwerp van Hans Arp, Sophie Taeuber-Arp, Theo van Doesburg, Rotterdam: Uitgeverij 010 ISBN 90-6450-597-7
  • Overy, Paul ([1991] 2000) De Stijl, London: Thames and Hudson ISBN 0-500-20240-0

Noten

  1. Georges Foessel, 'De Aubette en omgeving. De oorsprong', in Emmanuel Guigon (red.; 2006). De Aubette of de kleur in de architectuur. Een ontwerp van Hans Arp, Sophie Taeuber-Arp, Theo van Doesburg. Rotterdam: Uitgeverij 010 (ISBN 90-6450-597-7): p. 31, 33.
  2. Georges Foessel (ISBN 90-6450-597-7): p. 35.
  3. Georges Foessel (ISBN 90-6450-597-7): p. 38.
  4. Overy (2000): p. 180, 185.
  5. Joost Baljeu (1974). Theo van Doesburg. New York: Macmillan Publishing Co., p. 85.
  6. Overy (2000): p. 179-180, 185.
  7. Kenneth Frampton, 'Neoplasticisme en architectuur: formatie en transformatie', in Mildred Friedman (redactie; 1982). De Stijl: 1917-1931. Amsterdam: Meulenhoff/Landshoff (ISBN 90-290-8052-3): p. 109.
  8. H.A.C. 'Quelques considérations très actuelles sur le cachet artistique de l'Aubette', in Dernières nouvelles de Strasbourg (23 februari 1928), gereproduceerd in Emmanuel Guigon (red.; 2006). De Aubette of de kleur in de architectuur. Een ontwerp van Hans Arp, Sophie Taeuber-Arp, Theo van Doesburg. Rotterdam: Uitgeverij 010 (ISBN 90-6450-597-7): p. 25.
  9. Overy (2000): p. 15, 200.