Charter van Kortenberg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Charter van Kortenberg (1312). Oorkonde uit het Leuvense stadsarchief met nog een aantal zegels.

Het Charter of de Keure van Kortenberg was een grondwettelijk document dat op 27 september 1312 in de abdij van Kortenberg afgekondigd werd door hertog Jan II van Brabant. Het voerde onder meer een verre voorloper van de rechtsstaat in.

Ontstaan[bewerken]

De traditie van hertogelijke charters in Brabant was verbonden met het veilig stellen van de opvolging en ging terug tot 1248. In dat jaar had Hendrik II een charter uitgevaardigd waarmee hij fiscale en gerechtelijke vrijheden die sommige steden al genoten, uitbreidde tot het hele land. Zijn zoon Hendrik III hernieuwde dit in 1261. Bij die gelegenheid sloten de steden een pact om toe te zien op de naleving ervan.

In 1312 zag de zieke hertog Jan zijn dood naderen. Door de benarde politieke en financiële situatie was de opvolging door zijn twaalfjarige zoon geen evidentie. In deze omstandigheden besloot de hertog om net als zijn voorgangers het pad te effenen door toezeggingen te doen. Hij riep daarvoor de belangrijkste edelen en vertegenwoordigers van de steden samen in de abdij van Kortenberg.

Inhoud[bewerken]

De vergadering kwam tot overeenstemming over een tekst van elf artikelen. Voor een groot deel werden de eerder toegestane vrijheden bevestigd en uitgebreid. De grote vernieuwing lag vooral in de Raad die werd opgericht om toe te zien op de naleving.

Doorheen het charter werd steeds herhaald dat ook de erfgenamen (hoyr) en nakomelingen van de hertog erdoor gehouden waren. Het gold op het hele grondgebied van het hertogdom, maar was feitelijk gericht tot de wereldlijke standen. De geestelijkheid kreeg eigen toezeggingen in een priviligiebrief van 3 oktober 1312.

Fiscaal privilege[bewerken]

De hertogen mochten nooit nog belastingen heffen (settinghe, no bede nemen), tenzij in drie klassieke, feodale gevallen: ridderschap (van een zoon), huwelijk (van een dochter) en gevangenneming (van de hertog zelf). Zelfs in deze gevallen moeten de beden zodanig redelijk zijn dat ze geen onderdanen "kwetsen".

Rechtsstaat[bewerken]

Een belangrijk artikel is gewijd aan wat nu de rechtsstaat zou worden genoemd: de manier waarop de hertogen onsen lieden, riken en armen, wet en vonnesse doen. Geen willekeur meer, maar bestuur volgens bestaande of in te voeren wetten en bestraffing bij vonnis.

Stedelijk privilege[bewerken]

De hertogen zullen de oude rechten en vrijheden van de steden eerbiedigen en ze niet verplichten om buiten het eigen recht om te handelen.

Inspraakprivilege[bewerken]

Een Raad wordt opgericht bestaande uit vier ridders (de orborlecste en de vroedste die men vinden mach)[1] en tien stedelijke afgevaardigden, verdeeld als volgt:

Later werd er nog een tweede vertegenwoordiger uit Antwerpen en een uit Nijvel toegevoegd, zodat de Raad op zestien leden kwam.

Deze Heeren van Cortenbergh worden door de hertog gekozen bi ghemeinen rade van onsen lande (lees: in overleg met de edelen en steden verzameld in een raad van het land). Ze zullen driewekelijks vergaderen te Kortenberg om na te gaan of de bepalingen van het charter nageleefd werden en om in de toekomst verbeteringen aan te brengen in het beheer van het land. Bij overlijden of onbekwaamheid van een lid zal een vervanger worden aangeduid door tussenkomst van de Raad zelf.

De leden van de Raad moesten zweren dat ze de hertogen en alle burgers (allen den lieden van onsen lande, rike ende aerme) naar best vermogen zouden "bewaren" en recht doen.

De Raad is niet te verwarren met de latere Raad van Brabant, een rechtscollege dat zich onder Filips de Goede verzelfstandigde uit de hertogelijke raadkamer (camera).

Weerstandsrecht[bewerken]

De handhaving van het Charter werd mee gewaarborgd door een jus resistendi. Als de beslissingen van de Raad niet werden nageleefd, zou geen recht worden gesproken of dienst gedaan tot er gevolg aan werd gegeven.

Betekenis en invloed[bewerken]

De Cartthe van Corthenberghe is de eerste op het Europees vasteland getekende keure die de vrijheden van de burger omschrijft. Het volgt bij een eeuw na de Engelse Magna Carta, maar had een ruimere draagwijdte: niet enkel edelen genoten bescherming, maar iedereen (riken ende armen).

In het Prinsbisdom Luik vonden ondertussen gelijkaardige ontwikkelingen plaats. Vier jaar na de ondertekening van het Kortenbergse charter werd de Vrede van Fexhe er afgesloten. Dit was eveneens een grondwettelijk document, dat op sommige punten beïnvloed is door zijn Brabantse equivalent (zoals het Tribunal des XXII).

Na de dood van Jan II zou het Charter van Kortenberg bevestigd en aangevuld worden in twee "Waalse charters" van 12 juli 1314. Ze kwamen er omdat de adellijke voogdij over Jan III niet bleek te volstaan om de hertogelijke financiën onder controle te krijgen. Buitenlandse schuldeisers gingen zelfs zo ver om Brabantse handelaars aan te houden. De steden dwongen dan maar zelf de voogdij af en oefenden deze van 1314 tot 1320 ook effectief uit. Zelfs het muntbeleid namen ze over. Door de betrokkenheid van Jans schoonvader Lodewijk van Évreux waren deze charters in het Frans gesteld. Een ervan werd al snel in het Nederlands vertaald en wordt daardoor soms aangeduid met de enigszins verwarrende benaming "Vlaams Charter".

Samen zouden deze documenten uit 1312-14 de grondwet vormen voor het hertogdom doorheen de 14e eeuw. De Raad zou tot in 1376 regelmatig samenkomen, zij het soms met jarenlange onderbrekingen. Hij was in de eerste plaats een rechtscollege, maar oefende ook bestuursfuncties uit via ordonnanties. Driewekelijks vonden de rechtszittingen of genechten plaats. De enige beslissing van de Raad die nog fysiek bewaard is, toont direct de autonomie aan waarmee hij optrad: een afzetting van twee hertogelijke meiers. Dankzij dit document van 12 november 1340 is ook de eigen zegel van de Raad van Kortenberg gekend.[2]

Vanaf 1332 werkte de Raad mee aan een nieuwe vorm van controle op het bestuur van het hertogdom via gemeentelijke onderzoekscommissies (besoecken). Ze zouden op onregelmatig basis maar toch een halve eeuw lang plaatsvinden: in 1333, 1334, 1354, 1363, 1372 en 1381.

De Blijde Inkomst van 3 januari 1356 moest de bestaande rechten consolideren en verder uitbouwen, maar bleef uiteindelijk dode letter. Dit kwam door de Vlaamse bezetting en de daarop volgende intrekking te Maastricht (februari 1357). De voorheen verleende charters en keuren werden daarentegen bevestigd.

Conservatie[bewerken]

Van sommige steden is een origineel exemplaar van het charter bewaard, van andere een vidimus. De enorme perkamenten werden niet ondertekend, maar naar het gebruik van die tijd hechtten de partijen er hun zegel aan.

In 1332 en 1372 werden confirmaties van het charter gemaakt, die op sommige detailpunten verschilden. Enkel de Leuvense en Antwerpse originelen zijn nog bewaard.[3] Uit Zoutleeuw en Tienen zijn kopieën bewaard van enkele decennia na de ondertekening. De Brusselse versie is verloren gegaan bij de Franse bombardementen van 1695.

Tentoonstelling[bewerken]

In 2012 werd de ondertekening van de keure herdacht met een expositie te Kortenberg: Expo 1312 – 700 jaar Charter van Kortenberg.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen
Noten
  1. Vertaling: "de meest bekwame en wijze die men kan vinden".
  2. Het toont een berg bekroond met een enkele boom. Rechts van de berg is de gekartelde écu van Brabant-Limburg afgebeeld met de vier leeuwen; links een écu met twee gekruiste handen. Het Latijnse opschrift luidt: SIGILLUM : COMMVNE : CONSILII DE CORTENBERGHE ("Gewoon zegel Raad van Kortenberg").
  3. 700 jaar vrijheidscharter van Kortenberg, deredactie.be, 25 september 2012 (bezocht op 21 augustus 2014)
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Charter van Kortenberg op Wikisource