Conidium

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Conidiën van een Alternaria sp.

Een conidium (meervoud: conidiën) (syn. conidiospore, conidie, acrospore, mitospore) is een ongeslachtelijke, onbeweeglijke spore van de anamorfe ascomyceten, die buiten een sporangium door een verandering van een hyfe of op een conidiofoor wordt gevormd. De spore is haploïd en celdeling vindt plaats door mitose. Etymologie: naar het Griekse woord konia, stof.

Conidiën worden door vele huidschimmels (Dermatofyten) gevormd. In de medische mycologie onderscheidt men eencellige microconidiën en meercellige macroconidiën.

Bij veel plantenziekten spelen conidiën een belangrijke rol. Zo worden bijvoorbeeld bij de appelschurft in de zomer conidiën gevormd, waardoor de ziekte zich snel kan uitbreiden.

Ook kaasschimmels voor de bereiding van kaas zoals Penicillium camemberti en Penicillium candidum vormen conidiën.

Conidiënvorming[bewerken]

Er zijn twee grondvormen te onderscheiden van de manier waarop de sporen (conidiën) gevormd worden (de conidiogenese) en de wijze waarop ze zich afscheiden (de dehiscentie). De eerste komt overeen met de embryologie bij dieren en planten en laat zich in twee fundamentele ontwikkelingsvormen indelen: De blastische conidiogenese, waarbij de sporen reeds waarneembaar zijn voordat ze door een sperwand van de zich vormende conidiogene schimmeldraden afgescheiden worden, en de thallische conidiogenese, waarbij de sperwand zich eerst vormt en de zo afgescheiden cel zich tot een spoor omvormt.

Deze beide grondvormen laten zich nog verder onderverdelen:

  • Bij blastisch-acropetale sporenvorming ontstaan de conidiën door voortgezette uitloping aan de uiteinden van de conidiogene schimmeldraad, zodat zich een lange ketting van sporen vormt, waarbij de jongste altijd aan het uiteinde (apikal) ligt. Vormen zich twee uitlopers aan een spoor, die dan ramoconidium genoemd wordt, dan vertakt de keten zich. Blastisch-acropetle konidiogenese is bijgevolg een variant van het normale schimmeldraadwasdom.
  • De blastisch-synchrone conidiogenese kenmerkt zich door dat zich talrijke sporen gelijktijdig op een centraal gelegen, meestal opgezwollen cel vormen. Veelal ontstaan uit deze sporen weer acropetale ketens.
  • De blastisch-sympodiale ontwikkeling is gekarakteriseerd doordat zich na de sporenvorming aan de uiteinden van de conidioforen achter de sporen een nieuw uiteinde ontwikkelt, wat dan zijdelings (sympodiaal respectievelijk zymös) verder groeit. Deze vormt op zichzelf uiteindelijk een spoor, waaronder weer een nieuw uiteinde ontstaat. De conidiogene cellen worden bij dit proces onvermijdelijk langer en langer.
  • Bijzonder opvallend is de blastisch-annellidische vorm van de conidiogenese: Nadat een spoor zich gevormd en afgescheiden heeft, blijft er een ringvormig litteken achter aan het uiteinde van de conidiogene cel. Deze groeit door deze ring heen en vormt dan het volgende spoor, wat bij zijn afscheiding op zijn beurt weer een litteken achterlaat, zodat men aan het aantal ringen van een condiogene cal het aantal sporen dat er gevormd is kan aflezen.
  • Bij de blastisch-phialidische vorming van sporen ontstaan aan het open eind van de in dit geval phialiden genoemde conidiogene cellen voortdurend nieuwe sporen. Gezien de philalide zelf niet van vorm en lengte verandert, groeit de sporenketting overeenkomst met de blastisch-acropetale ontwikkeling naar boven; in tegenstelling tot deze zijn hier echter de aan de condiogene locus gevormde onderste sporen altijd de jongste. De anamorf van de ascomyceet Penicillium is een bekend voorbeeld van deze kondiogenesevorm.
  • Als variant van de blastisch-phialidische ontwikkelingsvorm kan de bsauxische vorming gelden. Bij hen bevinden de sporen van de keten die ontstaat zich in verschillende ontwikkelingsstadia: Terwijl de sporen die aan het bovenste eind bevinden uitgerijpt zijn, hebben de onder gelegen jongste sporen zich nog weinig van de daaronder gelegen schimmeldraad gedifferentieerd.
  • Geheel anders verloopt de blastisch retrogrieve sporenvorming. Hierbij vormt zich aan het uiteinde van de conidiogene schimmeldraad een spore en deelt zich door een sperwand van deze af. Daaropvolgend ontwikkelt zich direct daaronder een volgende spore, wat zich nu op zijn beurt door een septum van de rest van de schimmeldraad afsplitst. Door meervoudige herhaling van dit proces vormen zich uit een enkele schimmeldraad van het uiteinde naar beneden voortdurend verdere sporen terwijl de schimmeldraadcel zichzelf voortdurend verkort.
  • Anders dan bij de blastische vormen worden bij thallish arthrische conidiogenese voor de sporenvorming eerst de septa gevormd. Daartoe dient een schimmeldraad eerst te volgroeien en vormt dan op onregelmatige afstanden dubbelen sperwanden. De zo ontstaande individuele cellen scheiden zich op een schizolytisch genoemde wijze van elkaar af en beginnen zich te differentiëren, zodat een keten van korte cilindervormige sporen, de zogeheten arthroconidiën ontstaat, die gelijktijdig met elkaar verbonden lijken te zijn. Bij een variant van deze ontwikkelingsvorm vormen zich alleen alternerende cellen en sporen, de daartussenliggende cellen degenereren, sterven af en maken zo de tussenliggende arthroconidiën vrij.

Ten slotte bestaat er nog de thallisch solitaire ontwikkelingsvorm. Hier scheidt zich aan het eind van een conidiogene schimmeldraad een grote, buikige cel af, waarin zich dan talrijke transversaal geordende interne sperwanden vormen. De cel differentieert zich nu tot een phragmospoor die in zijn geheel (rhexolytisch) afgescheiden wordt. De dehiscentie kan in feitelijk op twee verschillende manieren geschieden. Bij de schizolytische varianten vormt zich tussen de sporten een dubbele scheidingswand met centraal gelegen middellamellen, die dan bij het afscheiden van de sporen uiteenvalt. Bij rhexolitische dehiscentie degenereert daartegen simpelweg de celwand, die de sporen uitwendig verbindt en zet de conidiën op deze manier vrij.

Gezondheid[bewerken]

In de lucht zitten altijd conidiën, hoewel de hoeveelheid varieert van dag tot dag en met de seizoenen. Een gemiddeld persoon ademt 40 conidiën per uur in.

Schimmels veroorzaken vaak een aantasting door de conidiën bij mensen met een immuundeficiëntie. Hun immuunsysteem is niet sterk genoeg om de schimmelinfectie in de long tegen te houden, waardoor er een longinfectie ontstaat.