Constantijnse Orde
De Constantijnse Militaire Orde van Sint-Joris Is een eeuwenoude ridderorde. De Orde werd volgens een overlevering in 1191 door de Byzantijnse keizer Isaak Angelus Flavius Comnenus gereorganiseerd. De naam "Constantijnse" moet aanduiden dat de Orde al door keizer Constantijn de Grote zou zijn ingesteld. Na de val van Constantinopel brachten twee broers die zich in Rome bekend maakten als nazaten van Isaak Angelus Flavius Comnenus, de Orde naar Rome.
Inhoud |
Geschiedenis van de Orde [bewerken]
Van de eerste eeuwen van de Orde is niets met zekerheid bekend. Misschien was de Orde een vaandelwacht voor het Labarum het, volgens de christelijke legende zegebrengende, vaandel met het kruis dat Constantijn de Grote in de slag bij de Milvische brug meevoerde. Een andere theorie is dat keizer Isaak de Orde heeft opgericht in navolging van de gezelschappen pelgrims die Byzantium aandeden op weg naar Jeruzalem. In 1261 werd de Orde, wederom volgens de overlevering, door keizer Michaël VIII van Byzantium uit het Huis Paleologus wederom gereorganiseerd. De eerste historisch gestaafde gegevens dateren uit de late 15e eeuw. Hoewel er een lange lijst met middeleeuwse grootmeesters uit het Huis van Angelus Flavius bestaat is de eerste historische figuur op deze lijst de in 1479 gestorven Andrea II die postuum prins van Macedonië en hertog van Durazzo en Drivasto werd genoemd. De leden van de Albanese clan van Angelus Flavius waren guarillastrijders van Albanese adel die onder leiding van Skanderbeg tegen de Turken vochten.
De Orde in Italië [bewerken]
De Paus heeft deze "Angeli Flavii" steeds krachtig gesteund. Mogelijkerwijs zag het Vaticaan in hen een instrument om de Turken in de rug, in Albanië, aan te vallen.
In de Pauselijke bul "Quod alias" van 7 juli 1551 werd de Prinsen Andrea en Hieronimus Angelus. door Julius III een aantal privileges verleend. De patriarch (in terris infelis) van Alexandrië werd in een pauselijk besluit van 1575 hun spirituele leidsman en beschermer. In dit besluit werd Andrea Angelus "grootmeester van de Constantijnse ridders" genoemd. In een later besluit sprak de paus van de "Gouden Ridders".
In 1573 resideerde de Grootmeester in Venetië. Daar verschenen ook de eerste gedrukte statuten van de Orde. In deze stukken werd niet alleen mythische Byzantijnse oprichting beschreven, de statuten zouden door keizer Isaäk II zijn vastgesteld. Bewijs daarvoor werd niet gegeven. De bul "Cum a sicut" (1585) van paus Sixtus V bevestigde het privilege van de ridders die geloften hadden afgelegd om ambten in de kerk te vervullen. De Orde floreerde en twee doges van Venetië en andere edelen werden lid. De Orde verwierf ook grond in Italië. Deze grond werd in commendes door commandeurs of rentmeesters beheerd.
In 1595 erkende ook Filips II van Spanje de Orde. Hij werd daarin nagevolgd door de Duitse Rijksdag in Regensburg en de koning van Polen. De Orde breide zich in de eerste helft van de 17e eeuw uit maar de grootmeester had financiële zorgen. In 1623 werd het grootmeesterschap zelfs verpand aan Marino Caracciolo, Prins van Avellino. De Orde bloeide maar in 1680 was er nog slechts een mannelijke Angelii, in leven. Om te voorkomen dat de Orde met de grootmeester zou verdwijnen verkocht de kinderloze Gian Andreas IX Angelus Flavius het grootmeesterschap op op 27 juli 1697 aan Francesco Farnese, hertog van Parma. Gian Andreas kreeg een pensioen en een huis in Piacenza en stierf daar in 1701.
De Orde in Parma [bewerken]
In de acte van overdracht, het keizerlijke patent "Agnoscimus et notum facimus" van keizer Leopold I en de bul "Sincerae Fidei" werd vastgelegd dat het grootmeesterschap persoonlijk bezit van Fransesco Farnese was en niet aan de kroon van Parma was verbonden.
De Bourbons erfden in 1731 het grootmeesterschap omdat een Bourbon, don Carlos, zoon van Filips V en de erfdochter van de Farneses, Elisabeth Farnese. Via haar ging ook het grootmeesterschap over op de dynastie van de Spaanse Bourbons. Toen Carlos in 1734 koning van Napels werd resideerde hij in Napels maar de administratie van de Orde bleef tot 1768 in Parma. In 1780 werd ook de plaatselijke bestuur van de Orde in Parma opgeheven. De Orde leek zeer Napolitaans te zijn geworden. Veel van de ridders waren Siciliaanse en Napolitaanse edelen maar de adel van Parma bleef in de Orde vertegenwoordigt.
De Orde in Napels [bewerken]
In Napels werd steeds vastgehouden aan de traditie dat het grootmeesterschap en de kroon twee zeer verschillende ambten zijn. In 1759 werd Don Carlos de Borbón y Farnese als Karel III, koning van Spanje, en 10 dagen na de troonsoverdracht droeg hij ook het grootmeesterschap over aan zijn derde zoon don Ferdinand. De acte spreekt over hem als de "legitieme mannelijke erfgenaam volgens het eerstgeboorterecht". Don Filips, de nieuwe regent van Parma eiste tevergeefs dat hij grootmeester van de Constantijnse Orde zou worden. Napels werd in 1797 door de Fransen bezet. De Bourbons weken uit naar Sicilië en regeerden daar onder bescherming van de Engelse vloot verder.
Jozef Bonaparte, de oudste broer van de Franse keizer Napoleon I en door hem op de troon van Napels geplaatst, stichtte daar in 1808 een "Militaire Orde van Sint-Joris van de Wedervereniging". De Constantijnse Orde werd opgeheven. Deze Napoleontische Orde werd na de val van de Bonapartes in 1814 afgeschaft en liet verder geen sporen in de geschiedenis na. De versierselen waren vrijwel gelijk aan die van de Constantijnse Orde. Uiteraard heeft de koning van Napels deze Orde en de opheffing van " zijn" Constantijnse Orde nooit erkend.
Twee grootmeesters en een verdeelde Orde [bewerken]
In Parma was op 9 juli 1815, na de Vrede van Parijs, Napoleons keizerin Marie Louise aan het bewind gekomen en zij heeft zich op 26 februari 1816 tot "grootmeesteres van de Constantijnse Orde van Sint-Joris" geproclameerd. In de ogen van de koning van Napels was dit een nieuwe Orde.
De Orde was in de ogen van de koning vooral een orde van Verdienste die met de Katholieke Orde alleen de naam en de versierselen gemeen had. De koning van Napels deed geen afstand van zijn recht op de Orde zodat er sindsdien twee grootmeesters en twee orden zijn. Veel Parmezaanse edelen werden lid van de door Marie Louise gestichte orde.
De Orde gebruikte de kerk van de Orde, de Santa Maria della Steccata, en de herstelde commenden in Parma.
Ook Karel Lodewijk van Bourbon 1847-1849, de opvolger van de zonder wettige erfgenamen gestorven Marie Louise en zijn opvolgers, Karel II1849-1854, Karel III1854-1860 en de in 1907 gestorven Robert I, de hertogen van Bourbon-Parma hebben de Orde verleend. Na de dood van zijn vader accepteerde Robert II van Bourbon-Parma, die in ballingschap leefde, een benoeming in de Orde van zijn verre Napolitaanse verwant. De Napolitaanse tak van de Orde ziet dit als bewijs dat met de staat Parma ook haar ridderorde, een Orde die in de ogen van de Napolitanen niet de "echte" Orde van Constantijn was, ondergegaan was.
De huidige chef van het Huis Bourbon-Parma noemt zichzelf weer grootmeester.
Op dit moment zijn dus zowel de chef van het Huis Bourbon-Beide Siciliën als Carlos Hugo van Bourbon-Parma grootmeester van deze Orde. De Napolitaanse grootmeester noemt haar "Heilige Militaire Constantijnse Orde van Sint-Joris" en Prins Carlos Hugo liet zich in de Almanach de Gotha grootmeester van de "Constantijnse Orde van Sint-Joris" noemen.
Het motto van de Orde is "In hoc signo vinces" (Latijn: "In dit teken zult u overwinnen").
De Orde is niet onomstreden. Historici betwijfelen of Constantijn wel een Orde heeft gesticht en de rechten van de nakomelingen van de Comnenen en de overdracht van de Orde aan Parma zijn juridisch omstreden. Ook de twisten tussen de Bourbon-Parma's en Bourbons-Beide Siciliën doen de Orde geen goed. De Constantijnse Orde heeft desondanks veel aanzien en een aantal prominente Rooms Katholieke edelen is in de Orde, vooral in de "Heilige Militaire Constantijnse Orde van Sint-Joris", opgenomen.
De Nederlandse oud-minister van Buitenlandse Zaken Jozef Luns was drager van het grootkruis in de Napolitaanse tak van deze Orde.
De twee obediënties van de Napolitaanse Orde [bewerken]
Sinds 1960 zijn er twee grootmeesters en twee obediënties; in Spanje onder infante Don Carlos de Borbón y Borbón - twee Siciliën, hertog van Calabrië, een van de ridders van het Gulden Vlies, en in Italië onder Carlo Borbone delle Due Sicilie, hertog van Castro.
Er is veel discussie over wie het rechtmatige hoofd van het Huis van Bourbon Twee Siciliën is, al is het eigendom van de orde, een waardigheid die verkocht, overgedragen en geërfd kan worden, daaraan niet strikt verbonden. Met strijdt over de vraag of prins Carlo, de neef van de laatste koning van Napels en Sicilië en zoon van de aangewezen erfgenaam van de troon, in 1900 in de zogenaamde Akte van Cannes heeft afgezien van zijn rechten op de troon van Napels en Sicilië. De pretendent van de troon had bepaald dat zijn oudste zoon als erfgenaam van de troon zou gelden maar deze agnaat stierf in 1960 zonder mannelijke erfgenamen, en een andere regeling voor de erfopvolging was er niet. De afstammelingen van prins Carlo betogen sindsdien dat de afstand van de rechten op Napels alleen geldt als zij op hun beurt de Spaanse troon zouden erven, en baseren hun claim op het eerstgeboorterecht. De hertog van Castro beschouwt de Akte van Cannes niet als een definitieve afstand van de rechten op de troon van Napels[1].
Het bezit van de Constantijnse Orde werd niet genoemd in de Akte van Cannes. Dat was niet nodig want het de grootmeester nooit verbonden aan de Napolitaanse kroon. Daarom droegen de koningen van Napels de keten van de grootmeester nooit samen met de decoraties van dat Koninkrijk.
De officiële evenementen van de obediëntie onder de hertog van Calabrië omvatten een maandelijkse Mis in de basiliek van Santa Croce al Flaminio in Rome en ook bijeenkomsten in Palermo, Milaan, Essonne, Londen, Luxemburg en Lissabon. De tak van de hertog van Castro houdt regelmatig bijeenkomsten in de kerk van San Giorgio al Velabro in Rome maar ook in Napels en andere Italiaanse steden, in de kathedraal van Westminster in Londen en andere steden in Europa en in Washington in de Verenigde Staten[1].
Bronnen, noten en/of referenties
|