Disacharide

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
α-D-glucose
β-D-glucose

Disachariden zijn suikers die uit precies twee met elkaar verbonden monosachariden bestaan.

Disachariden worden als eerste gekarakteriseerd door de identiteit van de twee monomere suikers, en verder door het type binding dat er tussen de twee is gevormd en welke zuurstofatomen van de twee eenheden daarbij betrokken zijn. Het wordt vaak verkocht onder de naam Palatinose. Deze binding wordt aangeduid met twee cijfers tussen 1 en 6 die aangeven welke twee koolstofatomen met elkaar verbonden zijn. Wanneer het koolstofatoom op positie 1 betrokken is bij de binding zijn er twee configuraties mogelijk: α en β. Bij monosacharides opgelost in water kunnen de α en β configuratie in elkaar overgaan en vormen ze een evenwicht met elkaar, maar wanneer de 1-positie deel is van een glycoside binding is de α of β configuratie gefixeerd.

Disachariden met een halfacetaal zijn zogenaamde reducerende suikers: hun reducerend vermogen is groot genoeg om koper in de vorm van Cu2+ tot Cu1+ te reduceren.

Niet-reducerende suikers zijn stabieler dan reducerende suikers.

Glucose-glucose[bewerken]

  • Maltose (moutsuiker): glucose α(1→4) glucose. Maltose is een reducerende suiker. Maltose is een dimeer dat kan ontstaan bij de afbraak van zetmeel: het heeft dezelfde glycoside binding. Vrijwel alle organismen kunnen maltose afbreken met het enzym maltase.
  • Cellobiose: glucose β(1→4) glucose. Cellobiose is een reducerende suiker. Cellobiose is een dimeer dat kan ontstaan bij de afbraak van cellulose. Het menselijk lichaam heeft geen enzym dat geschikt is om cellobiose af te breken.
  • Gentiobiose: glucose β(1→6) glucose.
  • Trehalose: glucose α,α(1→1) glucose. Trehalose is een niet-reducerende suiker. Trehalose komt voor in gist, paddenstoelen en ook in kleine hoeveelheden in planten en dieren. Het is zeer stabiel. Het beschermt eiwitten tegen beschadiging door bevriezing en uitdroging.

Glucose-fructose[bewerken]

Een sacharosemolecuul is een dimeer van glucose en fructose moleculen
  • sacharose (rietsuiker, bietsuiker): glucose α(1→2) fructose. Sacharose is niet-reducerend; daardoor is het weinig hygroscopisch (vocht-aantrekkend) en gemakkelijk te bewaren. Het is wereldwijd het meest gebruikte zoetmiddel. Bij het weergeven van de relatieve zoetkracht van zoetstoffen wordt deze stof vaak als norm gebruikt. Hij komt in de natuur maar in weinig planten voor (voornamelijk in suikerriet en suikerbiet). Vrijwel alle organismen kunnen het afbreken met sacharase of invertase.

Glucose-galactose[bewerken]

  • Lactose of melksuiker: galactose β(1→4) glucose. Lactose is reducerend en zwak zoet (het heeft ongeveer 35% van de zoetkracht van sacharose). Lactose komt van nature alleen in melkproducten voor. Het kan worden afgebroken door het enzym lactase. Mensen die geen of niet voldoende lactase produceren zijn daardoor lactose intolerant.