Dissociatieve identiteitsstoornis
| Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht. Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts. |
| Dissociatieve identiteitsstoornis | ||||
| DSM-IV | 300.14 | |||
|
||||
Dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) (in de ICD-terminologie: meervoudige persoonlijkheidsstoornis) of multipele persoonlijkheidsstoornis (MPS) is een psychische aandoening waarbij iemand afwisselend twee (of meer) van elkaar te onderscheiden persoonlijkheidstoestanden kan aannemen. Ten minste twee van deze persoonlijkheden nemen regelmatig het gedrag volledig over. Vaak heeft de patiënt 'gaten in het geheugen' die niet door vergeetachtigheid te verklaren zijn. Vaak weet de oorspronkelijke persoonlijkheid niets van de andere persoonlijkheden (ook wel alter ego's, alters of binnenmensen genoemd). De andere persoonlijkheden weten soms wel af van de oorspronkelijke identiteit en van elkaar. De alternatieve persoonlijkheden zijn in die zin volledig, dat ze een eigen karakter en verleden hebben en soms ook andere uiterlijke kenmerken (een ander stem- en taalgebruik). De alterego's kunnen allemaal een eigen naam hebben, maar het hoeft niet per se. Sommige mensen met DIS hebben geen namen voor hun alterego's, maar toch zijn het andere persoonlijkheden.
Vaak wordt gedacht dat meervoudige persoonlijkheden een uiting van schizofrenie is, maar dit is onjuist.
Inhoud |
[bewerken] Oorzaken
Het ontstaat door zeer ernstige trauma's uit de vroege jeugd vaak voor het 5e levensjaar. Dikwijls gaat het daarbij om herhaald seksueel misbruik gepleegd door iemand uit de directe omgeving (ouders, familieleden of vrienden daarvan bijvoorbeeld), een thuissituatie die niet stabiel is mishandeling of emotionele verwaarlozing. Het idee is dat het trauma groot is en het kind niet kan vluchten. Daardoor vlucht het kind in zichzelf. Een deel van het bewustzijn maakt het trauma bewust mee. Het andere deel van het bewustzijn maakt, samen met het bewustzijn van de betreffende personen uit de directe omgeving, iets anders mee. Dat is dissociatie. Als dit vaak voorkomt, kunnen diverse bewustzijnstoestanden (deelpersoonlijkheden) zich naast elkaar ontwikkelen.
[bewerken] Kenmerken
Het DSM-IV geeft de volgende criteria voor de dissociatieve identiteitsstoornis:
- De aanwezigheid van twee of meer duidelijk onderscheiden persoonlijkheden of persoonlijkheidsaspecten (ieder met een relatief blijvend patroon van waarneming, aanvoelen en denken over de omgeving en zichzelf).
- Minimaal twee van deze identiteiten of persoonlijkheden nemen regelmatig het gedrag van de persoon over.
- Onvermogen om zich belangrijke persoonlijke informatie te herinneren, wat niet verklaard kan worden door gewone vergeetachtigheid.
- De stoornis is geen gevolg van directe fysiologische effecten na inname van een substantie (bijvoorbeeld blackouts of chaotisch gedrag bij alcoholintoxicatie) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld complexe stuipen). Nota bene: Bij kinderen zijn de symptomen niet toe te schrijven aan denkbeeldige vriendjes of andere fantasieën.
Het DSM-IV vermeldt dat de diagnose Dissociatieve identiteitsstoornis regelmatig ten onrechte wordt gesteld, met name bij personen die ontvankelijk zijn voor suggestie.
[bewerken] Overige kenmerken
- Geheugenverlies, de persoon is stukken verleden kwijt. Daarnaast kan hij dingen die hij net precies heeft gedaan soms niet meer herinneren.
- Depersonalisatie, het gevoel van een afstand naar zichzelf te kijken, buiten zichzelf en als robot te leven, dingen te doen zonder daar een gevoel bij te hebben. Het contact met het eigen lichaam lijkt verbroken.
- Derealisatie, oftewel breken met de werkelijkheid, de dingen om je heen beleven alsof deze niet 'echt' gebeuren. Het niet meer herkennen van je omgeving.
- Identiteitsstoornis, het horen van stemmen van 'andere persoonlijkheden' en de strijd tussen deze persoonlijkheden.
- Identiteitswisselingen, het veranderen van persoonlijkheid en daardoor alleen de dingen herinneren die 'deze' persoonlijkheid heeft meegemaakt, al het andere is weg of naar de achtergrond verdreven.
- Mogelijk suïcidale neigingen of automutilatie.
[bewerken] Omgaan met
Het omgaan met personen die last hebben van een DIS kan voor sommigen erg lastig zijn, aangezien het soms overkomt als in een kamer met tientallen personen, waarbij het met sommigen wel kan klikken, maar met anderen niet. Het vertrouwen met de individuele deelpersoonlijkheden moet afzonderlijk behaald worden. Het gevoel van veiligheid speelt daarbij een grote rol. Het is belangrijk om de personen er te laten zijn, en niet te negeren. Je kunt ze namelijk zien als echte individuen. Behandel ze dan ook als een persoon. Ook dient er rekening te worden gehouden met het feit dat er leeftijdsverschil tussen de persoonlijkheden kan zijn. Pas je dus aan de leeftijd van de persoon aan. Doe zoals je bij ieder ander persoon van die leeftijd zou doen.