Schizofrenie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Schizofrenie
Doek geborduurd door een patiënt met schizofrenie.
Doek geborduurd door een patiënt met schizofrenie.
ICD-10 F20
ICD-9 295
OMIM 181500
DiseasesDB 11890
eMedicine med/2072emerg/520
MeSH F03.700.750
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Schizofrenie (gespleten geest; σχίζω schizo, φρενός phrenos) is een psychische aandoening binnen het schizoïde spectrum die in verschillende vormen en gradaties voorkomt en zich meestal openbaart tussen het 15de en 30e levensjaar. Het is dus een aandoening die vooral jonge mensen treft. Van elke honderd personen zal de ziekte zich bij gemiddeld één persoon ontwikkelen. Een belangrijk kenmerk is dat er tijdens het verloop van de ziekte minimaal eenmaal een psychotische episode is opgetreden. Doorgaans komen deze episoden vaker voor. Ze gaan gepaard met een afwijkende beleving van de werkelijkheid (een afwijkende cognitie), resulterend in onlogische gedachtepatronen, wanen, hallucinaties en in wisselende mate emotionele, denk- en gedragsstoornissen. Vaak treedt ook cognitief verval (het vermogen om iets te leren) op. Vroeger werd voor deze aandoening ook de term dementia praecox (=dementie op jonge leeftijd) gebruikt. Inmiddels is de terminologie belangrijk verfijnd.

Het woord schizofrenie betekent letterlijk "gespleten geest". Deze vertaling heeft tot nogal wat misverstanden rond schizofrenie geleid. Mensen die aan de ziekte lijden, hebben namelijk geen gespleten geest of hersenen die gespleten functioneren. Ook is inmiddels bekend dat deze mensen geen gespleten persoonlijkheid hebben; ze bestaan dus niet uit meerdere, verschillende persoonlijkheden. Schizofrenie wordt namelijk vaak verward met dissociatieve identiteitsstoornis. De gespletenheid bij schizofrenie uit zich niet, zoals vaak wordt gedacht, in een meervoudige persoonlijkheid, maar in een beeld waarbij de samenhang in het denken, tussen waarneming en gedachten en tussen emoties en gedachten, in ernstige mate is afgenomen of althans voor anderen minder goed invoelbaar is.

De oorzaak is altijd onderwerp geweest van vele speculaties en ook tegenwoordig zijn de boeken hierover nog lang niet gesloten. Er kunnen lichamelijke afwijkingen in de hersenen een rol spelen. Erfelijkheid speelt een belangrijke, maar niet uitsluitende rol. Mogelijk bestaat er een genetische verwantschap tussen schizofrenie en de schizotypische persoonlijkheidsstoornis. Recent wordt vooral een geïntegreerd kwetsbaarheid-stressmodel gehanteerd.

Ook bij eeneiige tweelingen (die dezelfde genen hebben) bestaat echter geen volledige concordantie (als de ene helft van een tweeling het heeft, heeft de andere het in 50-70% van de gevallen ook), wat een aanwijzing is dat naast de erfelijkheid ook de omgeving een rol kan spelen in het ontstaan van de ziekte.

Zowel de genetische relatie tussen schizofrenie en autisme als het aspect van de in principe genetisch identieke tweelingen staan sterk in de belangstelling van onderzoekers vanuit het aspect van copynumbervariaties.

Onbehandeld is schizofrenie een ziekte die tot veel lijden (bij patiënt en omgeving) kan leiden en invaliditeit kan veroorzaken.

Symptomen en medicatie[bewerken]

Mensen die aan schizofrenie lijden, hebben één of meerdere psychosen doorgemaakt. Een dergelijke periode kan enkele dagen tot vele jaren duren. Een psychose kan zeer heftig verlopen, waarbij de persoon vaak behalve verward ook heel druk is. Dit wordt ook wel een acute psychose genoemd. Als een psychose langer duurt, verloopt deze meestal rustiger. We noemen dit een chronische psychose. De meest kenmerkende symptomen van schizofrenie zijn de hallucinaties, wanen en verwardheid.

Schizofrene personen kunnen zowel positieve als negatieve symptomen ervaren. Positieve symptomen duiden op de aanwezigheid van ongebruikelijke percepties, gedachten en gedragingen zoals wanen en hallucinaties. Negatieve symptomen duiden op de afwezigheid of een gebrek in bepaalde gedragsdomeinen zoals energieverlies, geen plezier meer in dingen kunnen hebben (anhedonie) en lusteloosheid.

Er zijn manieren om de geest weer tot rust te manen, door een rustige levenswijze: goed slapen, eten, en een normaal dagritme. Er bestaan ook geneesmiddelen die de positieve symptomen (vooral hallucinaties en denkstoornissen) vrij goed onderdrukken, met als nadelig gevolg een duidelijke vervlakking van het emotionele leven. Doordat prikkels, verbale en non-verbale signalen uit de omgeving, door antipsychotica (geneesmiddel) enigszins gedempt worden, worden gebeurtenissen vaak minder intens beleefd. Zowel prettige als onprettige gebeurtenissen maken minder "indruk". Antipsychotica medicatie heeft ook allerlei extrapiramidale bijwerkingen, zoals speekselvloed, droge mond, spiertonus, bewegingsonrust, blikkramp en kaakklem. Met recht kan daarom gezegd worden dat de medicatie een gewenste en ongewenste kant heeft.

Het verminderen van prikkels kan uiteraard ook bewerkstelligd worden door in een prikkelarme omgeving te vertoeven. In concreto: vermijden van drukke winkels, verjaardagsfeestjes, telefoon, televisie e.d.

Zogenaamde negatieve symptomen van de ziekte zijn vooral affectvervlakking, verlies van concentratievermogen en initiatiefverlies. Deze zijn moeilijker te behandelen dan de positieve symptomen. Voor de nieuwere atypische antipsychotica geldt dat zij effectiever zijn in de bestrijding van negatieve symptomen, vergeleken met de klassieke middelen.[1]

Er bestaan verschillende antipsychotica. Meestal worden ze onderverdeeld in de typische en atypische middelen. Het verschilt van persoon tot persoon welk middel werkt. Het is vaak een kwestie van proberen welk middel bij een bepaald persoon het best werkt.

Prognose[bewerken]

Kenmerkend aan schizofrenie is dat het een progressief proces is waarbij episodes met positieve symptomen elkaar opvolgen, waarbij hoe meer dergelijke episodes worden doorgemaakt des te meer negatieve symptomen bepalend worden voor het welzijn van de patiënt. Met andere woorden; hoe meer psychotische episodes de patiënt doormaakt, hoe ernstiger de affectieve vervlakking wordt.

De prognose voor deze aandoening is vrij slecht, de klok kan niet worden teruggedraaid. Wat wel mogelijk is, is de psychotische episodes zo veel mogelijk te beperken in frequentie, duur en intensiteit. Dit gebeurt d.m.v. aangepaste medicatie. Op die manier kan de schade worden beperkt. De kwetsbaarheid blijft echter. Een aantal patiënten komt vroegtijdig te overlijden door suïcide.

Vormen van schizofrenie[bewerken]

  • Katatoon: motorische inactiviteit of juist overdreven activiteit, halsstarrig gedrag, imitatiegedrag.
  • Gedesorganiseerd (hebefrenie): gedesorganiseerd en primitief gedrag en taalgebruik, soms afwijkingen van het affect.
  • Paranoïde: spanning, achterdocht, vijandigheid. Affectief en cognitief functioneren blijft meestal intact.
  • Ongedifferentieerd: er is voldaan aan de hoofdcriteria, maar deze zijn niet katatoon, paranoïde of gedesorganiseerd van aard.
  • Schizofrene resttoestand: geen op de voorgrond tredende wanen, hallucinaties of afwijkend gedrag, maar bijvoorbeeld wel vreemde overtuigingen of afwijkende zintuiglijke waarnemingen.

Ziekteverloop[bewerken]

Schizofrenie verloopt in fasen. De duur van elke fase varieert van persoon tot persoon. Het gaat om de volgende fasen: de prodromale fase, de acute fase/psychotische fase en de herstelfase/stabiele fase.

De prodromale fase of de voorfase is de periode die voorafgaat aan de eerste psychose. Deze fase kan heel kort duren (enkele dagen), of heel lang (soms een aantal jaren). De ziekte heeft zich in deze fase nog niet geheel ontwikkeld, maar er zijn wel enkele voortekenen. Deze vroege symptomen zijn soms vaag en nauwelijks op te merken. Zo kunnen er veranderingen zijn in de manier waarop mensen hun gevoelens, gedachten en ervaringen beschrijven. Er treden dus veranderingen op allerlei gebieden op (gevoelens, gedachten, waarneming en lichamelijke functies) maar de persoon ervaart nog geen echte psychotische symptomen als wanen, hallucinaties en denkstoornissen.

Tijdens de acute fase/psychotische fase treden de kenmerkende psychotische symptomen op de voorgrond. We hebben het dan over wanen, denkstoornissen en hallucinaties. Naast deze symptomen is er ook vaak sprake van stemmingsstoornissen, gedragsstoornissen en slaapproblemen. Deze fase houdt meestal aan totdat met de juiste behandeling wordt begonnen. Een psychotische fase duurt ongeveer drie maanden tot een half jaar. De meeste patiënten kennen meerdere psychotische fasen met daartussen een herstel- of stabiele fase.

Ook in de herstelfase/stabiele fase is er vaak nog een aantal symptomen. Deze zijn echter veel minder heftig en opvallend dan tijdens een actieve psychose. Het zijn vooral verschijnselen van minder goed en trager psychisch functioneren. Patiënten trekken zich terug en vertonen weinig of geen initiatief. In zo'n 20% van de gevallen blijven na één of meer psychotische fasen wanen, hallucinaties en verwardheid bestaan.

Enkele voorbeelden van symptomen[bewerken]

Enkele voorbeelden van symptomen die zich kunnen voordoen tijdens het dagelijks leven[2]

  • Op een voor de ander onbegrijpelijke manier angstig of in de war zijn.
  • Er niet in slagen om in werk, studie of hobby te presteren wat er normaal gesproken van hem of haar verwacht kan worden.
  • Beweren te praten met en luisteren naar denkbeeldige, niet werkelijk aanwezige personen.
  • Verhalen verzinnen over complotten of geheime organisaties en daarin soms het eigen gezin of de partner betrekken.
  • Vreemd lopen of bewegen, op een dergelijke manier dat anderen zich er ongemakkelijk bij voelen.
  • Onvoorspelbare woede-uitbarstingen hebben.
  • De hele dag in bed liggen, maar ‘s nachts door het huis spoken of in de stad ronddwalen.
  • Geen vrienden maken of hooguit korte oppervlakkige contacten hebben.
  • Zeggen iemand anders te zijn.
  • Zeggen dat anderen gedachten uit zijn/haar hoofd kunnen lezen of er juist gedachten inbrengen.
  • Onzeker zijn.
  • Gebrek aan concentratie, niet (fulltime) kunnen werken.
  • Veel slaap hebben, of juist slapeloosheid.
  • Het idee hebben dat anderen niet te vertrouwen zijn.
  • Emotioneel erg gevoelig zijn.
  • Veel moeite hebben om zich te verzorgen; zichzelf verwaarlozen.

Oorzaken[bewerken]

Tot nu toe is er nooit een echte duidelijke oorzaak gevonden. Wel zijn meerdere factoren geïdentificeerd die gerelateerd zijn aan schizofrenie.

Bij mensen vindt celdeling plaats door Meiose. Bij dit delingsproces worden de chromosoomparen gesplitst en wel zo dat van ieder paar één vertegenwoordiger naar een dochtercel gaat. Hierdoor wordt, per cel, het aantal chromosomen gehalveerd, terwijl ieder kenmerk (gen) toch nog aanwezig blijft. Wat de informatie voor elk kenmerk inhoudt, wordt louter door het toeval bepaald. Naast het toevalsproces voor wat betreft de kenmerken, vindt er een tweede toevalsproces plaats. In dit tweede toevalsproces worden er in het DNA op een willekeurige manier stukjes DNA weggelaten (deletie), toegevoegd (duplicatie), verplaatst (translocatie) en omgedraaid (inversie). Dit proces verklaart waarom er zoveel genetische verschillen zijn tussen mensen, en waarom zelfs een eeneiïge tweeling genetisch niet 100% gelijk is.

Probleem van het tweede toevalsproces is dat er genetische fouten kunnen ontstaan rond de conceptie. Door met name de deletie en de duplicatie kunnen chromosomen korter of langer worden. Het resultaat van een spontane verandering in de structuur van DNA is een zogenoemde copynumbervariatie. Door het ontstaan van een copynumbervariaties kunnen chromosomen van ongelijke grootte of ongelijk aantal worden samengebracht in een nieuwe cel. Als dit gebeurt rond de conceptie, ontstaat er uit deze eerste cel een mens met een genetische variatie. Dit kan zowel positief als negatief uitvallen. In positieve gevallen ontstaat er een mens met een bijzondere vaardigheid die positief wordt beoordeeld, bijvoorbeeld op het gebied van sport of wetenschap. In negatieve gevallen kan er sprake zijn van een syndroom of een ernstige handicap.

De natuur lijkt voor dit spontane proces te kiezen, omdat het op de lange termijn op genetisch niveau leidt tot een "beter soort mens", waar het gaat om de aanpassing van het organisme aan zijn omgeving. Mensen met positieve resultaten zullen zich voortplanten, waardoor de positieve aanpassing zich zal gaan verspreiden, terwijl dit in gevallen van negatieve resultaten uitblijft.

Op basis van het meiose-proces zijn er twee waarschijnlijke manieren waarop schizofrenie ontstaat:

  • 1. een spontane afwijking (een 'de novo'-situatie): hierbij gaan er twee chromosomen samen waarvan er één een copynumbervariatie heeft als gevolg van het meiose-proces.
  • 2. een ouder is zonder het te weten drager van een chromosoom met een copynumbervariatie en geeft deze bij de conceptie door aan het kind, wat bij het kind andere gevolgen heeft dan bij de ouder.

Er zijn dus in de meiose stukjes te veel of stukjes te weinig in het DNA ontstaan op een specifieke locatie. Hiermee wordt de basis gelegd voor een syndroom.

Vervolgens treden er problemen op in de ontwikkeling van het embryo in de eerste maand van de zwangerschap. Ongeveer 20 tot 40 dagen na de bevruchting gaat er bij beide stoornissen iets fout in de aanleg van de lichaamsdelen en hersenen, wat een kettingreactie op gang brengt die zowel autisme als schizofrenie kan veroorzaken. Autisme en schizofrenie zijn dan ook onderdeel van een continuüm waarbinnen zowel het autismespectrum als het schizoïdespectrum valt. Dit verklaart waarom er in gezinnen waarin autisme voorkomt regelmatig ook personen met schizofrenie worden aangetroffen.

Autisme en schizofrenie zijn dus geen op zichzelf staande afwijkingen, maar zijn beide een gevolg van een spontane genetische verandering die een syndroom tot gevolg heeft. Afhankelijk van de mate van de genetische verandering varieert de ernst van het autismespectrumstoornis of de schizoïdespectrumstoornis. Bij alle variaties is een aantal identieke kenmerken te zien:

  • verminderde emotieherkenning;
  • problemen met de theory of mind (vermogen zich een beeld te vormen van het perspectief van een ander en indirect ook van zichzelf);
  • problemen met de centrale coherentie[3] (de wereld bestaat uit fragmenten zonder directe samenhang en moet aan elkaar gepuzzeld worden);
  • catatonie (onbeweeglijkheid of typische stereotype beweging, met of zonder geluid);
  • problemen met de executieve functies (hogere controlefuncties van de hersenen);
  • de afwijkingen komen meer voor bij mannen dan bij vrouwen;
  • echolalie.

Er zijn tot nu toe een negental locaties ontdekt op het DNA waar de syndromen zijn te vinden, die worden gerelateerd aan autisme of schizofrenie, de zogenoemde 'hotspots': 1q21.1(chromosoom 1, lange arm, bandje 21.1), 3q29, 15q13.3, 16p11.2 (chromosoom 16, korte arm, bandje 11.2), 16p13.1, 16q21, 17p12, 21q11.2 en 21q13.3. Bij een aantal hotspots is zowel autisme als schizofrenie waargenomen op die locatie. In andere gevallen is de ene vorm waargenomen en wordt naar de andere nog gezocht. Statistisch is vastgesteld dat bij een deletie van 1q21.1 (1q21.1-deletiesyndroom) significant vaker schizofrenie voorkomt en bij een duplicatie van 1q21.1 (1q21.1-duplicatiesyndroom) significant vaker autisme voorkomt. Vergelijkbare waarnemingen zijn gedaan voor chromosoom 16 op 16p11.2 (deficiëntie: autisme/duplicatie: schizofrenie), chromosoom 22 op 22q11.21 (deletie (Velo-cardio-faciaal syndroom): schizofrenie/duplicatie: autisme) en 22q13.3 -deletie (syndroom van Phelan-McDermid): schizofrenie/duplicatie: autisme). Inmiddels heeft aanvullend onderzoek bevestigd dat de kans op een verband tussen schizofrenie en deleties bij 1q21.1, 3q29, 15q13.3, 22q11.21 en Neurexin 1 (NRXN1) en duplicaties bij 16p11.2 op 7,5% of hoger ligt [4][5]

Onderzoek naar autisme/schizofrenie-relaties gekoppeld aan deficiënties/duplicaties voor chromosoom 15 (15q13.3), chromosoom 16 (16p13.1) en chromosoom 17 (17p12) zijn nog niet eenduidig.[6].

  • Er is een sterke correlatie gevonden tussen schizofrenie en epilepsie. Ze zijn aan elkaar verbonden. Mensen met epilepsie hebben een 8 keer grotere kans om schizofrenie te ontwikkelen. Mensen met schizofrenie hebben een zes keer grotere kans op epilepsie.[7]
  • Risico op het krijgen van schizofrenie voor familieleden van een patiënt:[8]
    • Eeneiige tweeling 48%
    • Tweeling 17%
    • Kind 13%
    • Broer/zus 9%
    • Ouder 6%
    • Oom/tante/neef/nicht 2%
    • Baseline 1% Baseline; het risico op het ontwikkelen van schizofrenie voor een willekeurig persoon, of anders geformuleerd: het percentage van de wereldbevolking met schizofrenie.
  • Dopamine. Mede op basis van het werkingsmechanisme van antipsychotica, blijkt dat de neurotransmitter dopamine een belangrijke rol speelt bij schizofrenie. Samengevat komt het hierop neer: In de mesocortex is een tekort aan dopamine dat de D1- en D2-receptoren moet stimuleren. Dit heeft tot gevolg dat de respons van deze neuronen, onder invloed van de neurotransmitter glutamaat afneemt. Dit leidt ertoe dat de stimulatie van prefrontale D1-receptoren afneemt, en dit zou een verklaring kunnen zijn voor het ontstaan van de negatieve symptomen en cognitieve problemen.

In een later stadium, en episodisch optredend doet zich het volgende voor: hyperactiviteit van het mesolimbische dopaminesysteem leidt tot hyperstimulatie van postsynaptische D2-receptoren en het optreden van positieve symptomen.[9] Het dopaminerge systeem is onderdeel van een complexer systeem in de hersenen. De neurotransmitters glutamine, acetylcholine en serotonine spelen eveneens een rol bij schizofrenie. Dit blijkt onder andere uit het werkingsmechanisme van clozapine en aripiprazol.[9] Ook heeft onderzoek met PET laten zien dat bij niet gemediceerde patiënten vergeleken met normale proefpersonen sprake was van een verhoogde dopamine-opname in het striatum tijdens afname van de Wisconsin test (WCST). Deze test spreekt vooral de gebieden in de prefrontale cortex aan. Bij patiënten ging de verhoogde dopamineproductie tijdens testafname bovendien samen met een verminderde activatie van de prefrontale cortex [10]. Deze auteurs veronderstellen dus dat de abnormale dopamineproductie in schizofrenen niet oorzaak maar gevolg is van een verlaagd activatieniveau van de prefrontale hersenen. Het primaire defect bij schizofrenie is volgens deze theorie de verminderde inhibitie vanuit de prefrontale gebieden, leidend tot hyperactiviteit van de dopaminerge banen[11]

  • Neuropil. Schizofrenie wordt ook wel beschouwd als een stoornis van de synaptische verbindingen. Een tekort aan neuropil draagt ertoe bij dat zenuwen te weinig synaptische verbindingen hebben.[9]

Omgevingsfactoren:

Een omgevingsfactor die herval in een psychotische toestand kan uitlokken is het niveau van expressed emotion (kritiek, vijandigheid of emotionele overbetrokkenheid) van de familieleden. Dit is geen oorzaak van schizofrenie, maar wel een factor waarvan duidelijk is aangetoond dat die versneld herval uitlokt.

Overige bevindingen van hersenonderzoek:[9]

  • Vergroting van de zijventrikels.
  • Afname van de grijze stof in de hersenschors als geheel, maar met name in frontale en temporale gebieden in de hersenen. Dit kan echter ook veroorzaakt worden door antipsychotica.[9]
  • Defecte GABA-interneuronen. Een van de meest gerepliceerde bevindingen.

Naast bovenstaande potentiële oorzaken van schizofrenie, zijn er ook factoren die een psychotische episode kunnen uitlokken of de ziekte verergeren bij iemand die al schizofreen is. Bij iemand met een aanleg voor het ontwikkelen van schizofrenie kunnen zij de trekkerfunctie hebben voor het krijgen van de aandoening.

  • stress (waaronder: ingrijpende gebeurtenissen, ongunstige sociale omstandigheden zoals werkloosheid)
  • hallucinogenen
  • cannabis
  • alcohol (met name met betrekking tot de negatieve symptomen)

Behandeling[bewerken]

Medicamenteuze behandeling is essentieel bij schizofrenie. Een steungevende, emotioneel niet belastende omgeving (lage expressed emotion), die veiligheid en voorspelbaarheid biedt, samen met structuur, zijn behulpzaam. Specifieke niet-medicamenteuze benaderingen waarvan wetenschappelijk reeds is aangetoond dat ze kunnen werken zijn (in alfabetische volgorde):

Alternatieve benaderingen[bewerken]

Bij bepaalde cliëntenorganisaties bestaat verzet tegen de visie dat schizofrenie een psychische aandoening is (biologisch) of tegen de visie dat de aandoening behandeld zou moeten worden, met name met medicatie. De antipsychiatrie van de jaren zestig bekeek schizofrenie vanuit de dieptepsychologische kant (bijvoorbeeld de theorie van de schizofrenogene moeder). Dr. McKenzie[18] veronderstelt een traumatische oorsprong: scheiding van de ouders op jeugdige leeftijd veroorzaakt volgens hem schizofrenie. Deze visie is inmiddels verlaten, omdat er geen duidelijk verband is aangetoond tussen opvoeding en schizofrenie. Er bestaat steeds meer bewijs dat schizofrenie een biologische basis heeft met erfelijke componenten[19].

Externe links[bewerken]

Bronnen
  1. Miyamoto S et al. Treatments for schizophrenia. Molecular Psychiatry 2005;10:79-104.
  2. http://www.trimbos.nl/onderwerpen/psychische-gezondheid/schizofrenie/symptomen
  3. [1]
  4. Copy Number Variants in Schizophrenia: Confirmation of Five Previous Findings and New Evidence for 3q29 Microdeletions and VIPR2 Duplications; Douglas F. Levinson et al; Am J Psychiatry 2011; 168:302-316; doi: 10.1176/appi.ajp.2010.10060876
  5. Copy Number Variation in Schizophrenia in the Japanese Population; Masashi Ikeda et al; Biological Psychiatry Volume 67, Issue 3, Pages 283-286 (1 February 2010) doi:10.1016/j.biopsych.2009.08.034
  6. (en) Crespi B, Stead P, Elliot M. Evolution in health and medicine Sackler colloquium: Comparative genomics of autism and schizophrenia. (2010) Proc Natl Acad Sci U S A 107 Suppl 1:1736-1741. PMID 19955444 gratis volledige artikel.
  7. "Bidirectional Relation Between Schizophrenia and Epilepsy: A Population-Based Retrospective Cohort Study." Yu-Tzu Chang, Pei-Chun Chen, I-Ju Tsai, Fung-Chang Sung, Zheng-Nan Chin, Huang-Tsung Kuo, Chang-Hai Tsai and I-Ching Chou. Epilepsia; Published Online: September 19, 2011 (DOI: 10.1111/j.1528-1167.2011.03268.x
  8. Riley B, Kendler KS. Molecular genetic studies of schizophrenia. Eur J Hum Genet. 2006;14:669-80.
  9. a b c d e f Jarskog LF, Miyamoto S, Lieberman JA. Schizophrenia: new pathological insights and therapies. Annu Rev Med. 2007;58:49-61.
  10. A. Meyer-Lindenberg e.a. (2002). Reduced prefrontal activity predicts exaggerated striatal dopaminergic function in schizophrenia. Nature Neuroscience, 5, 3, 267-271
  11. Weinberger D.E. Arch. Gen. Psychiatr. 44, 660-669 (1987)
  12. Wohl M, Gorwood P. Paternal ages below or above 35 years old are associated with a different risk of schizophrenia in the offspring. Eur Psychiatry. 2007 Jan;22(1):22-6.
  13. a b Davies G, Welham J, Chant D, Torrey EF, McGrath J. A systematic review and meta-analysis of Northern Hemisphere season of birth studies in schizophrenia. Schizophr Bull. 2003;29(3):587-93.
  14. Brown AS, Susser ES. In utero infection and adult schizophrenia. Ment Retard Dev Disabil Res Rev. 2002;8(1):51-7.
  15. Rantakallio P et al. Association between central nervous system infections during childhood and adult onset schizophrenia and other psychoses: a 28-year follow-up. Int J Epidemiol. 1997;26:837-43.
  16. Buka SL et al. Maternal infections and subsequent psychosis among offspring. Arch Gen Psychiatry. 2001;58:1032-7.
  17. Yolken RH et al. Antibodies to Toxoplasma gondii in individuals with first-episode schizophrenia. Clin Infect Dis. 2001;32:842-4.
  18. Schizophrenia depression self help therapy McKenzie bipolar manic mental NBD
  19. Access : Gene surveys identify schizophrenia triggers : Nature News