Verslaving

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Verslaving is een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is, zodanig dat hij/zij deze gewoonte of stof niet, of heel moeilijk los kan laten. Het gedrag van de persoon is voornamelijk gericht op het verkrijgen en innemen van het middel, of het handelen naar de gewoonte, ten koste van de meeste andere activiteiten. Als het lichaam deze stof of gewoonte dan moet loslaten kunnen er ernstige ontwenningsverschijnselen optreden bij deze persoon.

Soorten[bewerken]

Zoals uit de bovenstaande definitie blijkt kan een verslaving bestaan uit een verslaving aan een gewoonte, gebruik of handeling, of aan een middel.

Gewoonteverslaving[bewerken]

Een gewoonteverslaving is een verslaving aan een handeling die voor een persoon van belang is om zich goed te voelen of een kick te krijgen. Enkele voorbeelden van een verslaving aan een handeling of gewoonte:

Middelenverslaving[bewerken]

Een middelenverslaving is een verslaving die in stand gehouden wordt door het gebruik van een middel of substantie, die op zichzelf verslavend is doordat het een directe werking in de hersenen heeft. Dit noemt men een psychoactief middel of drug. Er bestaan grof gezien 3 verschillende categorieën psychoactieve middelen, namelijk:

  • De stimulerende middelen als amfetamine, cocaïne en nicotine
  • De verdovende middelen, bijvoorbeeld alcohol en opium
  • Verder bestaan er nog bewustzijnsveranderende of in de volksmond geestverruimende middelen, bijvoorbeeld THC (de werkzame stof in marihuana) of LSD.

De meest verspreide verslavingen zijn die aan alcohol en sigaretten: andere zeer verslavende middelen zijn heroïne, cocaïne, GHB en amfetamine.

Een verslaving die vaak onopgemerkt blijft is verslaving aan medicatie zoals benzodiazepinen, de zogenaamde angstdempers en slaapmiddelen als diazepam, oxazepam en alprazolam.

Stilzwijgend worden vaak jarenlang herhalingsrecepten opgehaald totdat de arts ingrijpt of de patiënt niet meer genoeg heeft aan zijn dosis en meer van de huisarts probeert te krijgen of andere wegen gaat zoeken om de verslaving in stand te houden.

Geestelijk of lichamelijk verslaafd[bewerken]

Binnen de verslaving aan een stof wordt er ook gesproken over een lichamelijke en geestelijke verslaving. Een lichamelijke verslaving houdt in dat het menselijk lichaam gewend is geraakt aan de stof die intensief gebruikt wordt, en zich heeft aangepast aan die stof. Wordt er in zo'n geval gestaakt met het gebruiken van die stof, dan ontstaan er ziekteverschijnselen zoals koorts, slapeloosheid en braken. Dit noemt men onthoudingsverschijnselen. Het steeds meer nodig hebben van een verslavende stof om hetzelfde effect te bereiken noemt men tolerantie, wat vrijwel altijd voorkomt bij een verslaving.

Geestelijke verslaving betekent dat iemand een stof denkt nodig te hebben of denkt lekker te vinden en niet meer zonder kan. Deze vorm van verslaving is persoonsgebonden, omdat verschillende mensen verschillende dingen 'lekker' vinden. Bij geestelijke verslaving kan iemand zodanig naar een stof verlangen dat alle gedachten draaien om het gebruiken en verkrijgen van die stof. De mentale verslaving kan de chemische balans binnen de hersenen verstoren en daardoor ook een daadwerkelijke lichamelijke invloed hebben.

Problematiek[bewerken]

Verslaving wordt in de hulpverlening vaak aangeduid met 'problematisch middelengebruik'. Dat duidt erop dat er ook middelengebruik is dat minder of helemaal geen problemen veroorzaakt.

De meerderheid van de bevolking gebruikt 'roeswekkende middelen', waaronder drugs, zonder zichzelf of anderen schade te berokkenen. Zo is sociaal drinken, gematigd en verantwoorde alcoholconsumptie, ingeburgerd. Voor illegale middelen is, met uitzondering van cannabis, maatschappelijk aanvaard en geïntegreerd gebruik veeleer minimaal (en dus marginaal).

Bij een minderheid van de bevolking is middelengebruik een probleem bij het uitvoeren van dagelijkse taken en het leiden van wat de meerderheid van de bevolking een 'normaal' leven noemt.[bron?]

De impact van het problematisch gebruik van deze minderheid op onze samenleving is groot. Het gaat niet alleen om de gebruiker van drugs die zelf fysieke schade ondervindt. Middelenmisbruik leidt onder meer tot verhoogde kosten in de ziektekostenverzekering, tot veiligheidsproblemen en tot (intra-familiaal) geweld. Wel moet voor de volledigheid vermeld worden dat het algemeen heersende "zwart/wit"-beeld dat bestaat over middelengebruik en -gebruikers ten opzichte van mensen die enkel alcohol (specifiek) consumeren niet geheel terecht is.[1] Statistisch is het een gegeven dat per jaar een groter aantal mensen overlijdt aan de gevolgen van alcohol, (inclusief de hele problematiek daar aan voorafgaand) dan dat van alle andere illegale middelen bij elkaar.[2] Hoewel hier niet een risico-factor kan worden afgeleid, kan wel worden geconstateerd dat het aantal alcoholisten in Nederland aanzienlijk groter is. Dit lijkt de theorie dat sociale acceptatie zou bijdragen aan de situatie, onderuit te halen. (Een argument dat veel gehoord wordt onder de coffeeshopbezoekers wanneer gevraagd wordt naar de mening omtrent het gedoogbeleid.) Aan de andere kant is ook wel door verslavingsdeskundigen vastgesteld[bron?] dat een significant percentage van het aantal doden door middelen gebruik "per ongeluk" ergo: een onbedoeld neveneffect was; wat mede kan worden toegeschreven aan beperkte voorlichting en verificatie (test) mogelijkheden beschikbaar voor illegale middelen. Een opzettelijke overdosis met als doel zelfdoding, slaagt in nog geen derde van de gevallen; hoewel de lichamelijke schade soms aanzienlijk kan zijn. (zie Toxicologie) Na een periode van ontwenning, bijvoorbeeld bij een heroïneverslaafde die opgenomen is geweest in een kliniek, is de tolerantie voor het verslavende middel een stuk lager geworden. Als men weer clean is en weer gaat gebruiken, kan een verkeerde inschatting van de benodigde dosis heroïne, dodelijk zijn. Zwaar verslaafden gebruiken doseringen die voor een niet verslaafde zo hoog zijn, dat ze dodelijk of zeer schadelijk kunnen zijn. Hoewel er veel doden vallen ten gevolge van alcoholgebruik, overlijden er jaarlijks nog veel meer mensen aan de gevolgen van roken. Roken is de wijdst verspreide en meest dodelijke verslaving.[3][4]

DSM-IV-criteria[bewerken]

In de DSM-IV-TR staan de middelen-gerelateerde stoornissen beschreven op As I, Klinische stoornissen. Diagnostische criteria voor drugsmisbruik en afhankelijkheid (DSM-IV-TR): Middelenmisbruik:

  • Misbruikpatroon van het middelgebruik leidt tot klinisch significante beperkingen of distress wat zich laat zien door één of meer van de volgende karakteristieken binnen een periode van 12 maanden:
  1. Terugkerend middelmisbruik wat resulteert in het niet kunnen voldoen aan grote eisen van het werk, op school of thuis.
  2. Terugkerend middelenmisbruik in situaties waarin het fysiek gevaarlijk is
  3. Terugkerend middelenmisbruik-gerelateerde legale problemen
  4. Doorgaan met het middelenmisbruik desondanks terugkerende sociale of interpersoonlijke problemen te hebben die veroorzaakt zijn door of verergerd zijn door de effecten van het misbruik.
  • Symptomen voldoen niet aan de criteria van drugsverslaving voor dit type middel.

Middelenverslaving wordt gediagnosticeerd als 3 of meer van de volgende symptomen zich tegelijkertijd voordoen binnen 12 maanden:

  1. Tolerantie treedt op, dat wil zeggen dat er steeds meer van het verslavende middel nodig is om het gewenste effect te bereiken of dat steeds minder effect optreedt bij het gebruik van eenzelfde hoeveelheid van het verslavende middel
  2. Er treden ontwenningsverschijnselen op, specifiek voor dat middel, of er worden gelijksoortige middelen genomen om de ontwenningsverschijnselen het hoofd te bieden.
  3. Het middel wordt in steeds grotere hoeveelheden genomen, over een langere tijd dan eigenlijk de bedoeling was
  4. Er is de drang om te stoppen met het middel, verschillende (mislukte) pogingen zijn ondernomen om te stoppen, te minderen
  5. Veel tijd wordt gestoken in het verkrijgen van het middel en/of het gebruiken van het middel
  6. Belangrijke sociale activiteiten, werk en/of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd voor het middelengebruik
  7. Ook al weet de persoon dat het middel dat wordt genomen zorgt voor fysieke of psychologische aandoeningen of verslechtering daarvan, hij of zij blijft doorgaan met het gebruik ervan.

Oorzaken[bewerken]

Problematisch middelengebruik wordt in de hulpverlening soms evolutief, complex, meervoudig, chronisch en langdurig genoemd. Het evolueert, hoewel niet altijd van kwaad naar erger. Het is complex omdat er zoveel verschillende invloeden op elkaar inwerken. En het is veelal slechts een stukje van een grote puzzel (zelden alleen een verslaving). Voorts is het chronisch en langdurig, het houdt niet van vandaag op morgen op.

Persoonlijke kenmerken[bewerken]

Een persoon kan door zijn eigenheid op biologisch, psychologisch of genetisch vlak een bepaalde gevoeligheid hebben ontwikkeld voor (problematisch) middelengebruik. Voorbeelden van psychologische factoren zijn een kleinere strafgevoeligheid, verhoogde impulsiviteit - in het bijzonder een snellere delay discounting of ontwaarding van bekrachtigers met de afstand in de tijd, waardoor het denken en reageren op korte termijn de overhand krijgt -, verhoogde experiëntiële vermijding, verminderde inhibitie. Mensen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) hebben vaak meer biologische, psychologische en sociale risicofactoren voor problematisch gebruik. Deze groep is dan ook een risicogroep voor verslaving. Daarbij wordt de verslavingsbehandeling gecompliceerd door de LVB. Voor hulpverleners is het daarom van belang rekening te houden met de verstandelijke beperking.[5]

Omgeving[bewerken]

De houding van de sociale omgeving zoals familie, school en vrienden kan van invloed zijn op middelengebruik, vooral bij mensen met een naar afhankelijkheid neigende persoonlijkheid. Ook speelt vaak nieuwsgierigheid een rol.

Structurele factoren[bewerken]

Ook structurele factoren zoals de woonomgeving, socio-economische invloeden of de beschikbaarheid van middelen op de markt in een bepaalde buurt of in het algemeen kunnen ertoe leiden dat iemand sneller overdadig middelen gaat gebruiken. Ook terugkerende problematiek met het in stand houden van de maatschappelijke functie en zelfstandigheid kan leiden tot hernieuwd middelengebruik. Hoewel er minder drugsverslaafden dan problematisch alcoholisten zijn, is het toch een ernstig en zeer belastend probleem voor de betreffende persoon om, op vooral de langere termijn, een goed en als "normaal" beschouwd leven op te bouwen zonder contacten, gebruikers en dealers. Dit terugkeren van de verslavingssituatie noemt men recidiveren en is meestal gevolg van aanhoudende problematiek rond de maatschappelijke rol na een periode van verslaving. Er wordt soms, niet altijd onterecht maar toch stigmatiserend, gekeken naar drugsgebruikers alsof ze per definitie dus ook wel zullen dealen. Dit kan dermate sociale ontwrichting doen ontstaan dat de betreffende persoon een compleet andere levensstijl en plek zal moeten zoeken om het probleem te bestrijden. Er zijn ook (zeldzame) gevallen bekend waarin het staken van (illegaal) middelengebruik eigenlijk niet meer gewenst en mogelijk was. (Veertig jaar heroïnegebruik kan dodelijk aflopen bij het afkicken.)

Wettelijk kader[bewerken]

Het wettelijk kader is een belangrijke structurele factor, die vaker een weerspiegeling is van economische, politieke en sociaal-historische verhoudingen dan gebaseerd op de aard en het misbruik van de producten. De productkennis van middelen loopt traditioneel achter, en parallel ook het wettelijk kader. Bovendien bepaalt het al dan niet verbieden van een bepaald middel sterk het gebruik of misbruik.

Culturele factoren[bewerken]

De gemedicaliseerde maatschappij, de reclame voor tabak en alcohol en de eerder tolerante houding tegenover middelengebruik in de werksfeer spelen een rol bij wat men in het algemeen verslaving noemt.

Andere factoren[bewerken]

De afgelopen 3 decennia is steeds meer bekend geworden over de neurobiologie en genetische factoren die een rol spelen bij verslaving. Dit kan met zich meebrengen dat men zich hierachter zou kunnen verschuilen en redeneert: "Ja maar ik heb toch afwijkend functionerende hersenen of een genetische aanleg." Verslaafden worden hierin ook door medici bevestigd: de verslaving wordt soms op medische gronden in stand gehouden, bijvoorbeeld doordat men methadon voorgeschreven krijgt. Dit soort patronen kan mogelijk doorbroken worden, indien verslaving als een keuze ervaren wordt, vergelijkbaar met het aansteken van sigaretten of het heffen van een glas drank. Om te stoppen is uiteraard een aantal randvoorwaarden van belang. De belangrijkste is wellicht een verandering van omgeving, waarbij voldoende perspectief geboden wordt en waarin men zich een andere levensstijl kan aanmeten, zo nodig ondersteund door psychotherapie en/of verblijf in een beschermde woonvorm.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties