Acetylcholine
| Acetylcholine | ||||
| Structuurformule en molecuulmodel | ||||
| Structuurformule van acetylcholine | ||||
| Algemeen | ||||
| Molecuulformule (uitleg) |
C7H16NO2 | |||
| IUPAC-naam | (2-acetoxyethyl)trimethylammonium | |||
| Andere namen | ACh; choline acetaat | |||
| Molmassa | 146,21 g/mol | |||
| SMILES | CC(=O)OCC[N+](C)(C)C | |||
| InChI | InChI=1S/C7H16NO2/c1-
7(9)10-6-5-8(2,3)4/h5-6H2,1-4H3/q+1 |
|||
| CAS-nummer | 51-84-3 | |||
| EG-nummer | 200-128-9 | |||
| PubChem | 187 | |||
|
||||
Acetylcholine (vaak afgekort tot ACh) is een neurotransmitter, die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen. De actiepotentiaal maakt in het uiteinde van een zenuwcel acetylcholine vrij. Dit acetylcholine diffundeert door de ruimte tussen deze cel en de volgende cel (deze ruimte heet de synaptische spleet) en activeert de laatste door zich te binden aan de acetylcholine-receptor. Na activatie hiervan wordt, als dit een tweede zenuwcel betreft, weer een elektrisch signaal opgewekt; als het een spiercel is wordt door de receptoractivatie de spiercontractie (samentrekking) geïnduceerd. Na korte tijd wordt het acetylcholine in de synaptische ruimte door het enzym acetylcholine-esterase razendsnel afgebroken tot de metabolieten choline en acetaat dat in de originele zenuwcel weer tot acetylcholine hergebruikt wordt.
Diverse stoffen en farmaca kunnen dit proces op verschillende manieren beïnvloeden:
- Agonisten: dit zijn stoffen die de werking van ACh nabootsen, de afgifte van ACh stimuleren of de afbraak van ACh remmen. Bekende ACh-agonisten zijn de zenuwgassen tabun, sarin en soman. Hoewel deze stoffen in beginsel de werking van ACh versterken doordat ze de afbraak remmen, werken ze toch op termijn spierverslappend doordat ze een zogenaamd depolariserende verslapping induceren. Daarnaast hebben ze effecten op meerdere andere orgaansystemen.
- Antagonisten: dit zijn stoffen die de werking van ACh remmen of tegengaan. Belangrijke stoffen zijn atropine en spierverslappers zoals curare en analogen.
De ACh-concentratie is hoog in het corpus striatum en de thalamus en laag in het cerebellum.
Acetylcholine is voor het eerst ontdekt in 1921 door de Duits-Amerikaans farmacoloog Otto Loewi. Zijn ontdekking van acetylcholine leverde hem in 1936 samen met Sir Henry Dale de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde op.
[bewerken] Receptoren
Er zijn drie typen ACh-receptoren:
- Muscarinerge (AChM). Deze zitten veel in de parasympatische eindsynapsen.
- Nicotinerge (AChN). Deze zitten veel in de sympathische en parasympathische ganglia
- Nicotinerge, met receptoren op de motorische eindplaten van skeletspieren (AChNm)
[bewerken] Insectensteek
Acetylcholine is verantwoordelijk voor het branderig gevoel van een steek door een bij of wesp. Doordat de steek van een hoornaar een hogere concentratie acetylcholine bevat, ontstaat een extra branderig gevoel.
| Neurotransmitters |
|---|
|
Acetylcholine (ACh) · Adrenaline · Anandamide · Aspartaat (Asp) · β-lipoproteïne · Bombesine · Cholecystokinine (CCK) · Corticotropine (ACTH) · Dopamine (DA) · Dynorfine · Endorfine · Enkefaline · γ-aminoboterzuur (GABA) · Glutamaat (Glu) · Glycine (Gly) · Histamine · Leumorfine · Motiline · Neurofysine I · Neurofysine II · Neurokinine A · Neurokinine B · Neuropeptide A · Neuropeptide γ · Neuropeptide Y · Noradrenaline · Peptide YY · Serotonine (5-HT) · Stikstofoxide (NO) · Substantie P |