Zenuwgas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Molecuulstructuur van het zenuwgas VX.

Zenuwgassen zijn neurotoxinen die interfereren met de impulsoverdracht bij de overgang van de zenuw naar de spiercel (de motorische eindplaat) door het enzym acetylcholinesterase onomkeerbaar te blokkeren, waardoor acetylcholine niet meer afgebroken wordt, zodat de spier voortdurend wordt geprikkeld tot samentrekken. Hierdoor ontstaat bij het slachtoffer een krampende verlamming die in enkele minuten dodelijk is door het onmogelijk maken van de ademhaling. Voorbeelden zijn tabun, soman, sarin en VX.

Geschiedenis[bewerken]

Deze klasse verbindingen werd al in de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld door de Duitsers die er bij het eind van de oorlog aanzienlijke hoeveelheden (tonnen) van hadden opgeslagen. (De dodelijke dosis voor een volwassene van b.v. sarin is ca. 1 milligram). Het is echter in WO II niet gebruikt. Een interessante observatie is dat de geallieerden op dit tijdstip nog niet de beschikking hadden over chemische wapens met deze mate van giftigheid. De 'Duitse' gassen hebben een G-code (van German agent); de Amerikaanse een V-code (die zou afkomstig zijn van het Engelse woord voor giftig: venomous).

Eigenschappen[bewerken]

De naamgeving 'zenuwgas' is overigens onjuist, bij kamertemperatuur en -druk zijn deze verbindingen vloeistoffen. Ze worden in de strijd verspreid door vernevelen en zijn giftig bij inademing maar worden ook gemakkelijk door de intacte huid heen opgenomen, zodat ook het aanraken van besmette voorwerpen, of het op de kleding krijgen van de vloeistof zeer gevaarlijk is. Een belangrijk begrip in dit verband is persistentie, de tijdsduur dat een gif nog in gevaarlijke concentraties aanwezig blijft na te zijn verspreid. Dit kan bij sommige verbindingen weken later nog zo zijn. VX heeft een veel hogere persistentie (door een veel lagere dampspanning) dan de drie andere genoemde zenuwgassen. Het vluchtigste middel, sarin, is het gevaarlijkst bij inademing, het minst vluchtige, VX, bij het op de huid krijgen ervan. De dodelijke dosis van deze materialen ligt in de orde van 0,01 mg/kg lichaamsgewicht.

Behandeling[bewerken]

Atropine is een tegengif dat het slachtoffer soms nog kan redden; en als daarvoor faciliteiten beschikbaar zijn zal men het slachtoffer willen beademen na het bewust veroorzaken van een slappe verlamming door andere zenuwgiffen uit de curare-groep.

Meer verdedigingen tegen zenuwgassen[bewerken]

Naast beschermende kleding en gasmaskers is een profylactisch middel tegen zenuwgasvergiftiging het gecontroleerd toedienen van carbamaten zoals pyridostigmine. Carbamaten reageren evenals zenuwgassen ook met de katalytisch actieve CH2-OH groep van cholinesterase en blokkeren daarmee ook het katalytische centrum van dit enzym. Het voordeel is echter dat de blokkerende carbamaatgroep in tegenstelling tot een blokkerende fosfonaatgroep geleidelijk hydrolyseert waardoor het enzym langzaam reactiveert. De profylactische werking berust op gecontroleerde toediening van pyridostigmine waarbij in 20-30% van de enzymen de serine-CH2OH wordt gebonden als carbamaat. Bij een zenuwgasvergiftiging kan dan slechts het vrije deel van de enzymen worden geblokkeerd.

Als dit gebeurt dan kan door snel toedienen van atropine de overmaat aan acetylcholine-impulsen voldoende worden onderdrukt om levensreddend te zijn. Daarmee wordt dan de tijd gewonnen om de aanwezige zenuwgasmoleculen af te breken en voor de carbamaat-beschermde enzymen om door geleidelijke hydrolyse zijn katalytische functie te herwinnen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]