Emil Kraepelin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
E. Kraepelin.jpg

Emil Wilhelm Magnus Georg Kraepelin (Neustrelitz, 15 februari 1856München, 7 oktober 1926) was een Duits psychiater.

Systematiek van psychiatrische ziekten[bewerken]

Kraepelin was een van de eerste psychiaters die zich serieus met de systematiek van psychiatrische ziekten bezighield. In zijn werk probeerde hij een synthese te formuleren van de honderden psychische aandoeningen die in de 19e eeuw waren gedefinieerd. Hij groepeerde de ziektebeelden op basis van gemeenschappelijke patronen van symptomen in plaats van op afzonderlijke symptomen, zoals zijn voorgangers hadden gedaan. Hieruit wist Kraepelin een succesvol nieuw systeem van psychiatrische diagnostiek te creëren. Een van zijn uitgangspunten was dat psychische aandoeningen ontstaan door biologische en genetische factoren. Kraepelin was een collega van Alois Alzheimer en in zijn (Kraepelins) laboratorium werd de pathologische basis ontdekt van wat nu de ziekte van Alzheimer wordt genoemd.

Kraepelin studeerde medicijnen in Würzburg en Leipzig, waar hij Wilhelm Wundt leerde kennen. Hij werd in München assistent van professor Bernhard von Gudden (als opvolger van Auguste Forel) en paste in deze vierjarige periode veel van Wundts onderzoekstechnieken toe (bijvoorbeeld associatietesten). Lange tijd overwoog hij zich op de psychologie toe te leggen, maar op advies van Wundt keerde hij, na enige andere posities bekleed te hebben, terug naar Von Gudden om zich geheel aan de psychiatrie te wijden. Maar zijn hart bleef bij de psychologie, getuige het tijdschrift Psychologische Arbeiten. Hierin verschenen voornamelijk experimenteel psychologische artikelen, maar ook een enkele keer een afwijkend artikel: o.a publiceerde Kraepelin in 1906 Über Sprachstörungen im Träume. Dit artikel was een verslag van Kraepelins 20-jarige onderzoek naar de taalstoornissen in de droom als analogon van de schizofrene taalstoornis (zie verder).

Na deze periode werd Kraepelin in 1886 benoemd tot professor aan de universiteit van Tartu in het huidige Estland. Later was hij ook professor in Heidelberg en München. In Tartu kreeg hij de leiding over de universiteitskliniek, waar hij de gelegenheid had zich aan zijn studie te wijden en veel gedetailleerde patiëntenhistories op te stellen. In de classificatie van psychische aandoeningen begon hij het belang te overwegen van het verloop van een ziekte. Tien jaar later maakte hij bekend dat hij een nieuwe manier had ontwikkeld voor het indelen van psychische ziektebeelden. Hij noemde de traditionele manier symptomatisch en zijn eigen methode klinisch.

Op basis van zijn langdurig onderzoek en met gebruik van zijn criteria voor verloop, afloop en prognose ontwikkelde hij het concept van de dementia praecox, de eerste aanzet tot de beschrijving van schizofrenie.

Kraepelin postuleerde dat aan iedere grote psychische aandoening een hersenziekte of andere biologische ziektebeelden ten grondslag liggen. Hij was ervan overtuigd dat na verloop van tijd de pathologische oorzaak van alle grote psychische aandoeningen ontdekt zou worden. Een van de kardinale principes van de methode is dat ieder willekeurig symptoom in vrijwel alle aandoeningen kan voorkomen: bijna alle symptomen van de bipolaire stoornis komen bijvoorbeeld ook wel bij schizofrenie voor. Het symptomatische onderscheid in ziektebeelden (in contrast met de onderliggende pathologie) betreft dus niet een bepaald symptoom, maar een specifiek patroon van symptomen. Doordat er geen fysiologische of genetische tests is, is het alleen mogelijk ze te onderscheiden aan de hand van deze specifieke symptomenpatronen.

Kraepelin toonde ook specifieke patronen aan in de genetica van patiënten en specifieke en karakteristieke patronen in het verloop en de afloop van de ziekte. Over het algemeen heeft een schizofrene patiënt meer schizofrenen in de familie dan gemiddeld en komen manie en depressie vaker voor bij familieleden van bipolaire patiënten.

Ook rapporteerde Kraepelin een patroon voor het verloop en de afloop van deze condities. Hij geloofde dat dementia praecox een doorlopend verval van de geestelijke functies kende (wellicht onjuist), terwijl de bipolaire stoornis zich uitte in episoden, waartussen de patiënten relatief weinig symptomen vertoonden. Daarom gaf hij de naam dementia praecox aan wat we nu schizofrenie noemen (dementia verwijst naar het onomkeerbare geestelijke verval). Later werd duidelijk dat dementia praecox niet noodzakelijk tot geestelijk verval leidt en Eugen Bleuler gaf in 1908 de ziekte de nieuwe naam schizofrenie. De nieuwe naam was in feite een variant van de ziektenaam hebefrenie, leterlijk Jugendirresein. Op het fundament van de hebefrenie was in 1893 de eerste versie van Kraepelins dementia praecox ontstaan.

Wat voor zijn tijd als psychose werd aangeduid, werd door Kraepelin in twee onderscheiden groepen ingedeeld:

Ook gebruikte Kraepelin als eerste de term paranoia.

Het heeft tot halverwege de twintigste eeuw geduurd voor het werk van Kraepelin evenveel aandacht kreeg als de freudiaanse theorieën, maar zijn benadering speelt tegenwoordig een zeer grote rol in de psychiatrie, die steeds 'biologischer' en 'genetischer' van aard is geworden. Ook in de gebruikte indelingen in het DSM-IV en het ICD-systeem van de Wereldgezondheidsorganisatie is de hand van Kraepelin nog duidelijk te herkennen, hoewel de exacte categorieën die tegenwoordig worden gebruikt ten dele wel sterk verschillen van de oorspronkelijke van Kraepelin.

Droomtaal[bewerken]

Kraepelins interesse in de schizofrenie blijkt ook uit een bijzondere publicatie uit 1906. In 1906 publiceerde hij een monografie met de titel Über Sprachstörungen im Traume (over gestoorde taaluitingen in de droom). Daarin deed hij verslag van meer dan 20 jaar onderzoek naar gestoorde taalproductie in dromen. Met dit onderzoek van de droomtaal, die Traumsprache, hoopte hij meer te weten te komen van de schizofrene wartaal, die veel lastiger te bestuderen is maar die als twee druppels water lijkt op de droomtaal.

Volgens Kraepelin kunnen we de schizofrene wartaal moeilijk bestuderen omdat we niet weten wat de zieke bedoelde te zeggen. De dromer heeft een gestoorde taaluiting en kan bij het wakker worden zich herinneren wat hij bedoelde. De studie van de relatie tussen bedoelde en gestoorde taaluiting wordt dan dus mogelijk. Het resultaat van de studie van de associaties van geïntendeerde en gestoorde taaluiting was tweeledig: een indeling en de constatering van basale stoornissen

Kraepelin deelde de gestoorde taaluitingen in drie groepen in:

  1. woordvindingsstoornissen: veelvuldig worden dan neologismen geproduceerd.
  2. stoornissen in de uitdrukking van gedachten: er is sprake van een paralogie, een danebenreden, er vinden verschuivingen of ontsporingen plaats; er is sprake van een agrammatisme of van telegramstijl.
  3. denkstoornissen (een geheel andere gedachte treedt in de plaats).

De 286 voorbeelden van droomtaal (meestal eigen voorbeelden) werden door Kraepelin tot op zekere hoogte geanalyseerd, maar ver kwam hij daarbij niet. Hij beperkte zich tot het laten zien van enkele associatiemechanismen in de droomtoestand. Veelvuldig ontdekte hij klankassociaties.

Kraepelin concludeerde dat twee basale stoornissen de gestoorde taalproductie in dromen verklaren:

  1. Een tijdelijk verminderd functioneren van het Wernicke-gebied. Daardoor is de productie van zinlose taaluitingen mogelijk: er vindt geen terugkoppeling en correctie plaats.
  2. Een verminderd functioneren van de frontale hersengebieden, waar het abstracte denken gelokaliseerd is. In plaats daarvan komen de zogenaamde Individualvorstellungen, de eigennamen in de ruimste zin, meer aan bod dan de Allgemeinvorstellungen , waartoe o.a. de soortnamen horen.

Kraepelin vergeleek de droomtaal met verschillende vormen van gestoorde taaluitingen (bij alcoholici, bij kinderen, bij verminderde concentratie). Maar zijn hoofdconclusie, die hij in 1920 formuleerde, luidde:

Das die Traumsprache [...] in allen Einzelheiten der schizophrenen Sprachverwirrtheit entspricht.

Een voorbeeld[bewerken]

Na 1906 continueerde Kraepelin zijn onderzoek naar de droomtaal. Postuum zijn 391 nieuwe voorbeelden van droomtaal uit de periode 1908-1926 gepubliceerd (Heynick, 1993). In een droom van juli 1919 gebruikt Kraepelin het woord dampjes voor 'rokers' en zegt erbij dat het Nederlands is. Kraepelin beheerste het Nederlands passief. Het neologisme is eenvoudig te begrijpen met een verwijzing naar 'dampen.' Kraepelin was niet-roker en geheelonthouder. Dit laatste verklaart waarom 'dampjes' optreedt in de merkwaardige zin: Frielig wurde von den Dampjes nicht wiedergewaehlt (Frielig werd door de Dampjes niet herkozen). De naam Frielig klinkt Nederlands, maar het woord Frielig is Zwitserduits voor het Duitse 'Fruehling' (lente). Met Frielig wordt de Zwitserse psychiater Auguste Forel bedoeld, collega van Kraepelin en van 1906 tot 1919 voorzitter van de internationale geheelonthoudersbeweging was[1] en dus in het jaar van de droom niet herkozen. De transformatie van de Nederlands klinkende naam Forel in Frielig is via de tussenstap Flora, godin van de lente, tot stand gekomen. De gestoorde taaluiting in de droom gaat over roken in plaats van geheelonthouding: een voorbeeld van een denkstoornis in de droom.

Geheelonthouder[bewerken]

Naast zijn activiteit als psychiater manifesteerde Kraepelin zich als strijder tegen alcoholmisbruik Sinds 1895 was hij geheelonthouder en was daarvoor bekend in heel Duitsland. Hij heeft veel publicaties[2] op zijn naam staan over de effecten van alcoholmisbruik op het psychisch functioneren (zie b.v. Kraepelin, 1983).

Referenties[bewerken]

  1. zie Engels (2006, p.110, noot 62)
  2. In 1917 verscheen in Nederland de tweede editie van Alkohol en zieleleven, vertaling van Alkohol und Seelenleben, waarvan de tweede editie pas in 1919 in Duitsland verscheen

Literatuur[bewerken]

  • Engels, Huub (2009). Emil Kraepelins Traumsprache: erklären und verstehen. In Dietrich von Engelhardt und Horst-Jürgen Gerigk (ed.): Karl Jaspers im Schnittpunkt von Zeitgeschichte, Psychopathologie, Literatur und Film. p.331-43. ISBN 978-3-86809-018-5 Heidelberg: Mattes Verlag.
  • Engels, Huub (2006). Emil Kraepelins Traumsprache 1908-1926.
  • Heynick, F. (1993): Language and its disturbances in dreams: the pioneering work of Freud and Kraepelin revisited. New York: Wiley. Kraepelins monografie is in dit boek in het Engels vertaald.
  • Kraepelin , E. (1906) Über Sprachstörungen im Traume. Leipzig: Engelmann.
  • Kraepelin, E. (1920). Die Erscheinungsformen des Irreseins.
  • Kraepelin, E. (1983). Lebenserinnerungen. Berlin: Springer.

Externe link[bewerken]