Erfbelasting
Successierecht(en) of erfenisrecht(en) (vooral in België), ook wel erftaks genoemd, en in Nederland sinds 2010 erfbelasting, is een belasting die wordt geheven in geval van erfenissen. Het is verwant aan schenkbelasting.
Het tarief van deze belasting is sterk progressief en afhankelijk van twee factoren:
- De hoogte van de verkrijging;
- De mate van verwantschap tussen de schenker of erflater en de begunstigde.
Zo betaalt een zoon die erft van zijn vader minder belasting dan een neef die van zijn oom hetzelfde bedrag erft. Het hoogste tarief geldt voor een erfenis of schenking van een niet bloedverwant of echtgeno(o)t(e).
[bewerken] Nederland
In Nederland werd de erfbelasting, toen successierecht genoemd, in 1956 ingevoerd. Dit wordt geregeld in de Successiewet 1956 waarin tevens de schenkbelasting wordt geregeld, de belasting bij schenkingen. Uit een onderzoek onder 1200 mensen door TNS NIPO in opdracht van Plus Magazine kwam naar voren dat het successierecht als de 'meest gehate belasting' van Nederland werd beschouwd.[1] Sommigen pleiten voor afschaffing. De regering vindt echter dat het legitiem kan zijn belasting te heffen over vermogen dat iemand zonder inspanning toevalt, ook wel het buitenkansbeginsel genoemd. Het bezwaar dat vermogen bij de erflater al eerder in de heffing van belasting is betrokken wordt gepareerd met het argument dat dat voor de verkrijger niet relevant is, voor hem is het de eerste keer.
De tariefopbouw heeft een zg. eerste en tweede progressie. De eerste progressie kan beredeneerd worden vanuit de bevoorrechte verkrijgingsgedachte en bestaat uit een toenemend tarief bij afnemende verwantschap, waar ook de aloude gedachte van familiebezit in teruggevonden kan worden. De tweede progressie berust op het draagkrachtbeginsel en houdt in dat het tarief hoger wordt naarmate de verkrijging in omvang toeneemt. Een derde progressie zou inhouden dat het tarief mede afhankelijk is van het inkomen of de vermogenspositie van de verkrijger. Hiervan wordt afgezien.
De Successiewet kent verder een aantal fictiebepalingen, waarin bepaalde constructies die juridisch geen schenking/vererving zijn, toch voor de toepassing van de wet als verkrijging krachtens erfrecht worden beschouwd en dus worden belast.
De Wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) is op 1 januari 2010 in werking getreden.
De tarieven zijn vereenvoudigd en zijn nu als volgt:
Er is een belastingvrije voet (voetvrijstelling, geregeld in artikel 32):
- voor partners € 603.600
- voor gehandicapte kinderen € 57.342
- voor overige kinderen en voor kleinkinderen en achterkleinkinderen € 19.114
- voor ouders € 45.270
- voor andere verkrijgers € 2.012
Het tarief (geregeld in artikel 24) is:
- voor partners en kinderen 10% over de eerste € 118.000 boven de voetvrijstelling en 20% over het restant.
- voor kleinkinderen 18% over de eerste € 118.000 boven de voetvrijstelling en 36% over het restant.
- voor andere verkrijgers 30% over de eerste € 118.000 boven de voetvrijstelling en 40% over het restant.
Voor broers en zusters is het aparte tarief vervallen, dus die vallen nu onder "andere verkrijgers".
Een algemeen nut beogende instelling (ANBI) en een sociaal belang behartigende instelling (SBBI) zijn vrijgesteld van erfbelasting en schenkbelasting, mits aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen, resp. sociaal belang.
Zie ook afgezonderd particulier vermogen.
[bewerken] België
In het Belgische taalgebruik spreekt men van successierechten (meervoud), en bedoelt daarmee de belasting: een percentage op de waarde van een erfenis die door de erfgenamen moet worden betaald. Deze Belgische belasting is voorzien in het Wetboek van de successierechten. Opmerkelijk is nog dat deze belasting toekomt aan de gewesten. Naargelang de overledene in Vlaanderen, Brussel of Wallonië woonde, zijn de regels en de tarieven dan ook verschillend. De belasting wordt nog wel geïnd door de Federale Overheidsdienst Financiën. Door middel van successieplanning voor grote fortuinen, zowel binnenlands als offshore, kan een toekomstig erflater het betalen van successierechten in hoge mate voorkomen.
De 'successierechten' (in het meervoud) omvatten het 'successierecht' (in het enkelvoud), dat op de nalatenschap van rijksinwoner (inwoner van België) geheven wordt, en het 'recht van overgang bij overlijden', dat op de nalatenschap van een niet-inwoner geheven wordt. Het successierecht wordt geheven op de totale netto-successie (alle activa min alle passiva), het recht van overgang wordt alleen geheven op de in België gelegen onroerende goederen. Tot voor kort was dit laatste een bruto heffing: schulden waren niet aftrekbaar, maar door een arrest van het Europese hof van Justitie (de zaak Eckelkamp)worden de wetgevingen (er zijn er immers 3: Vlaanderen, Brussel en Wallonië) nu geleidelijk aangepast
[bewerken] Externe links
Voor Nederland:
Voor België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk, Italië en Zweden:
- Schenkings- en successierecht - Een blijvend gegeven?, Deloitte Belastingadviseurs, Onderzoek naar schenkings- en successierecht in diverse Europese landen, in opdracht van het Nederlandse Ministerie van Financiën, maart 2007
- Wetboek der succesierechten (Vlaams Gewest), Fisconet
Referenties
|