Erfbelasting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Successierecht(en) of erfenisrecht(en) (vooral in België), ook wel erftaks genoemd, en in Nederland sinds 2010 erfbelasting, is een directe belasting die wordt geheven in geval van erfenissen. Het is verwant aan schenkbelasting of de schenkingrechten in België.

Het tarief van deze belasting, die gerelateerd is aan het erfrecht, is sterk progressief en afhankelijk van twee factoren:

  • volgens een tarief dat opklimt per schijf van verkrijging,
  • volgens een tarief dat verschilt naargelang de graad van verwantschap tussen de erfgenaam en de overledene.

Zo betaalt een zoon die erft van zijn vader minder belasting dan een neef die van zijn oom hetzelfde bedrag erft. Het hoogste tarief geldt voor een erfenis of schenking van een niet bloedverwant of echtgeno(o)t(e).

Nederland[bewerken]

In Nederland werd de erfbelasting, toen successierecht genoemd, in 1956 ingevoerd. Dit wordt geregeld in de Successiewet 1956 waarin tevens de schenkbelasting wordt geregeld, de belasting bij schenkingen.

De tariefopbouw heeft een zg. eerste en tweede progressie. De eerste progressie kan beredeneerd worden vanuit de bevoorrechte verkrijgingsgedachte en bestaat uit een toenemend tarief bij afnemende verwantschap, waar ook de aloude gedachte van familiebezit in teruggevonden kan worden. De tweede progressie berust op het draagkrachtbeginsel en houdt in dat het tarief hoger wordt naarmate de verkrijging in omvang toeneemt. Een derde progressie zou inhouden dat het tarief mede afhankelijk is van het inkomen of de vermogenspositie van de verkrijger; deze is niet van toepassing.

De Successiewet kent een aantal fictiebepalingen, waarin bepaalde constructies die juridisch geen schenking/vererving zijn, toch voor de toepassing van de wet als verkrijging krachtens erfrecht worden beschouwd en dus worden belast.

Er is een belastingvrije voet (voetvrijstelling, geregeld in artikel 32):

  • voor partners € 616.880
  • voor gehandicapte kinderen € 58.604
  • voor overige kinderen en voor kleinkinderen en achterkleinkinderen € 19.535
  • voor ouders € 46.266
  • voor andere verkrijgers € 2.057

Het tarief (geregeld in artikel 24) is:

  • voor partners en kinderen 10% over de eerste € 118.254 boven de voetvrijstelling en 20% over het restant.
  • voor kleinkinderen 18% over de eerste € 118.254 boven de voetvrijstelling en 36% over het restant.
  • voor andere verkrijgers 30% over de eerste € 118.254 boven de voetvrijstelling en 40% over het restant.

Een algemeen nut beogende instelling (ANBI) en een sociaal belang behartigende instelling (SBBI) zijn vrijgesteld van erfbelasting en schenkbelasting, mits aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen, resp. sociaal belang.

Zie ook afgezonderd particulier vermogen.

Van een erfgenaam die zelf binnen 30 dagen na het verkrijgen van de erfenis overlijdt, wordt de belastingaanslag vernietigd.[1]

Partnerbegrip[bewerken]

Naast echtgenoten en geregistreerde partners worden twee personen, in afwijking van het basispartnerbegrip, voor de erfbelasting slechts aangemerkt als partners indien zij gedurende de zes maanden voorafgaand aan het overlijden dat aanleiding is tot de heffing van erfbelasting:

a. beiden meerderjarig zijn;
b. op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
c. ingevolge een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben;
d. geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn, en
e. niet met een ander aan de in de onderdelen b tot en met d genoemde voorwaarden voldoen.

De in onderdeel c gestelde voorwaarde geldt niet voor personen die tot het tijdstip van het overlijden of de schenking gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren staan ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie.

De in onderdeel d gestelde voorwaarde geldt niet voor bloedverwanten in de eerste graad, ingeval een van deze bloedverwanten een mantelzorgcompliment heeft genoten in verband met in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van overlijden van de andere bloedverwant, aan die bloedverwant verleende zorg. Na invoering van de voorgestelde Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 vervalt deze regeling.

Per 1 januari 2011 trad het basispartnerbegrip in werking. Het basispartnerbegrip geldt voor alle belastingwetten, dus ook voor de Successiewet 1956. Dit basispartnerbegrip en het partnerbegrip van de Successiewet 1956 stemmen niet geheel overeen, omdat voor de schenk- en erfbelasting een aantal aanvullende eisen wordt gesteld. Deze eisen komen voort uit het specifieke karakter van de schenk- en erfbelasting, waarbij partners een aanzienlijk voordeel genieten. De eerdere tekst van het partnerbegrip zoals die met ingang van 1 januari 2010 voor de schenk- en erfbelasting gold, is aangepast. Hierbij is geen wijziging beoogd.[2] De eerdere tekst had de voorwaarde "ten minste vijf kalenderjaren een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, blijkend uit een inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens op hetzelfde adres".

Standpunten[bewerken]

De regering vindt dat het legitiem kan zijn belasting te heffen over vermogen dat iemand zonder inspanning toevalt, ook wel het buitenkansbeginsel genoemd. Het bezwaar dat vermogen bij de erflater al eerder in de heffing van belasting is betrokken wordt gepareerd met het argument dat dat voor de verkrijger niet relevant is, voor hem is het de eerste keer.

Uit een onderzoek onder 1200 mensen door TNS NIPO in opdracht van Plus Magazine kwam naar voren dat het successierecht als de 'meest gehate belasting' van Nederland werd beschouwd.[3] Sommigen pleiten voor afschaffing.

Vrijstelling bij bedrijfsopvolging in de familiesfeer[bewerken]

De Successiewet 1956 kent in artikel 35b aparte hoge vrijstellingen toe bij bedrijfsopvolging in de familiesfeer. Tot € 1.045.611 wordt nu in het geheel geen belasting geheven.[4] Vooral de Raad van State zette op 28 april 2009 reeds vraagtekens bij dit wetsonderdeel.[5]

Op 13 juli 2012 besliste de rechtbank te Breda dat particulieren recht hadden op dezelfde vrijstelling (toen tot € 1.006.000) als welke geldt bij het ondernemingsvermogen. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad ging hier gedeeltelijk in mee. De uitspraak volgde op 22 11 2013 in vijf geselecteerde model-gevallen en negeerde het advies van de advocaat-generaal. [6] De uitspraak was gunstig voor de Nederlandse staat; het genoemde onderscheid in erfbelasting mag.[7][8] De Stichting Meldpunt Collectief Onrecht (SMCO) wil de zaak in laatste instantie voorleggen aan het Europees Hof.[9]

Geschiedenis[bewerken]

De Wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) is op 1 januari 2010 in werking getreden.

Voor broers en zusters is het aparte tarief vervallen, dus die vallen nu onder "andere verkrijgers".

België[bewerken]

In het Belgisch taalgebruik spreekt men van successierechten (meervoud), en bedoelt daarmee de belasting: een percentage op de waarde van een erfenis die door de erfgenamen moet worden betaald. Deze Belgische belasting is voorzien in het Wetboek van de successierechten. Opmerkelijk is nog dat deze belasting toekomt aan de gewesten. Naargelang de overledene in Vlaanderen, Brussel of Wallonië woonde, zijn de regels en de tarieven dan ook verschillend. De belasting wordt nog wel geïnd door de Federale Overheidsdienst Financiën. Door middel van successieplanning voor grote fortuinen, zowel binnenlands als offshore, kan een toekomstig erflater het betalen van successierechten in hoge mate voorkomen.

De 'successierechten' (in het meervoud) omvatten het 'successierecht' (in het enkelvoud), dat op de nalatenschap van rijksinwoner (inwoner van België) geheven wordt, en het 'recht van overgang bij overlijden', dat op de nalatenschap van een niet-inwoner geheven wordt. Het successierecht wordt geheven op de totale netto-successie (alle activa min alle passiva), het recht van overgang wordt alleen geheven op de in België gelegen onroerende goederen. Tot voor kort was dit laatste een bruto heffing: niet alle schulden waren aftrekbaar, enkel de schulden gerelateerd aan de belaste goederen, maar door een arrest van het Europese hof van Justitie (de zaak Eckelkamp) worden de wetgevingen (er zijn er immers 3: Vlaanderen, Brussel en Wallonië) nu geleidelijk aangepast.

Erfbelasting in natura[bewerken]

Wanneer erfgenamen een waardevolle kunstverzameling erven bestaat er in Nederland een speciale regeling om, onder bepaalde voorwaarden, de erfbelasting te voldoen in natura. De regeling heet 'Betaling van erfbelasting in de vorm van kunstvoorwerpen'. Het moet daarbij gaan om kunstvoorwerpen met een wettelijk beschermde status, dus kunstvoorwerpen van zodanige culturele waarde dat de Staat er belang bij heeft dat zij het land niet verlaten. De erfbelasting, die op deze manier kan worden voldaan, is gebonden aan een maximum van honderdtwintig procent van de waarde van de kunstvoorwerpen.

Externe links[bewerken]

Voor Nederland:

Voor België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk, Italië en Zweden:

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Brochure belastingdienst 2013[1]
  2. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32505-3.html
  3. Erik Bogaards, Erftaks: de meest gehate belasting, Plus Magazine, 16 februari 2009
  4. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2009-564.html
  5. http://parlis.nl/KST130212
  6. http://accountancynieuws.nl/actueel/fiscaliteit/ag-hoge-raad-onderscheid-in-erfbelasting-in-strijd.126316.lynkx
  7. [2] een van de 5 uitspraken 13/02453. De andere 4 zijn: 13/01160 13/01161 13/01154 en 13/01622
  8. 13.02453: onder 3.3.13. "De hiervoor in onderdeel 3.3.12 vermelde overwegingen tezamen brengen de Hoge Raad tot de slotsom dat de faciliteit zoals die gold in het onderhavige jaar en ook in andere jaren, berust op een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot. De wetgever heeft daarom met de faciliteit de in onderdeel 3.3.1 bedoelde grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden. Mitsdien is geen sprake van een bevoordeling van de verkrijging van ondernemingsvermogen boven de verkrijging van overige vermogensbestanddelen die leidt tot discriminatie als hiervoor in onderdeel 3.3.1 omschreven."
  9. http://www.telegraaf.nl/overgeld/belastingen/22271741/__Beroep_tegen_successierechten_tegen_beter_weten_in___.html