Eten uit blik

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eén van de eerste grote conservenfabrieken, van de gebroeders Weiss in Csepel-Boedapest
reclamekaart uit 1885

Over eten uit blik, in het algemeen over conserven, wordt soms denigrerend gedacht, voornamelijk vanwege de vermeend lage voedingswaarde en lagere vitaminegehalte van conserven.

Geschiedenis[bewerken]

De eerste pogingen om eten in 'blik' bewaarbaar te maken waren nog niet zo geslaagd. De blikken lekten al snel, omdat de binnenkant nog niet werd verzinkt en het ijzer via elektrolyse oploste in het vocht van het voedsel. Men beheerste het rillen van de dekselranden nog niet maar soldeerde de blikken dicht met het giftige metaal lood. Bij zure producten zoals bij tomaten werd het ijzer door het zuur opgelost.

Productieproces tegenwoordig[bewerken]

Dit soort problemen zijn echter al jaren geleden opgelost. Wanneer de inhoud van het blik zuur is, dan wordt het blik aan de binnenkant voorzien van een laagje plastic. Dat is bijvoorbeeld het geval bij tomaten, olijven en maïs. Inmiddels wordt het blik vertind, dat wil zeggen voorzien van een dun laagje tin (wat geen probleem is zolang het blik dicht is). De blikken worden niet meer gesoldeerd, maar gelast. Ook worden blikken mechanisch gesloten doordat meer lagen metaal in elkaar worden gestoken en dan tezamen meer keren worden omgebogen en samengeperst. Dit proces wordt felsen genoemd.

Nadat de, al dan niet voorgekookte, inhoud in het blik is gedaan en het blik is gesloten wordt het blik met inhoud enige tijd in een stoomketel gekookt, zodat de inhoud voldoende is verwarmd om te zijn gesteriliseerd. Ook wordt een minimale hoeveelheid zout toegevoegd maar vergeleken met andere conserveringswijzen is dat erg weinig. Uiteraard treedt door het koken een verlies aan vitaminen op. Dat is met name zo voor vitamine C, maar het is niet meer of niet veel meer dan wanneer men zelf verse producten kookt. Sommige fabrikanten voegen nog extra vitaminen aan hun conserven toe, maar aan de waarde daarvan kan worden getwijfeld.

Fabrikanten van conserven zorgen ervoor, om zo goedkoop mogelijk te produceren, dat ze alle processen met minimale middelen kunnen toepassen. Ze verwarmen zo kort mogelijk en ze voegen zo min mogelijk zout toe, daar zijn tabellen voor. Conserveermiddelen zijn niet nodig, in tegenstelling tot andere methodes, want de inhoud van een blik is geheel geïsoleerd van de omgeving en wordt in de regel in één keer geconsumeerd. Bovendien mogen er volgens de warenwet bij conserven ook geen conserveermiddelen worden gebruikt.

Peulvruchten[bewerken]

Al met al is er weinig op tegen om regelmatig kapucijners, bruine bonen of erwten uit blik te eten. Peulvruchten zijn een van de weinige planten die eiwitten bevatten, vooral soja-bonen, waardoor je ook nog eens minder vlees nodig hebt. Verder bevatten ze koolhydraten en toch zijn het een soort groentes. Het is een erg efficiënte plantenfamilie want het leeft in symbiose met bacteriekoloniën in bolletjes aan zijn wortels, die stikstof uit de lucht kunnen binden, waardoor de plant zijn eigen 'kunstmest' kan produceren. In nieuwbouwwijken zaait men soms peulvrucht-planten, zoals lupine, op gebieden die later begroeiing moeten krijgen om de grond stikstofrijker te krijgen. Die planten worden dan later ondergeploegd.

Het eten van peulvruchten kan overigens hinderlijke bijwerking voor de consument hebben. Peulvruchten bevatten enzymen, die de stoffen in de menselijke maag tegenwerken die het eten verteren. Daardoor moet de maag het verteren aanvankelijk overlaten aan allerlei bacteriën in de maag. Deze bacteriën zijn niet efficiënt en produceren veel methaan bij het verteren van het voedsel in de maag. Bonenkruid is niet alleen een kruid dat een bonenschotel een goede smaak geeft maar het lost ook grotendeels dit probleem op.

Diepvriesvoedsel[bewerken]

Voor diepvriesvoedsel gelden trouwens soortgelijke overwegingen, behalve dan dat diepvriesvoedsel niet om het proces eerst hoeft te worden gekookt. Zodra je iets invriest stabiliseer je de toestand en zolang het maar ingevroren blijft, blijft het goed. Zodra je het ontdooit is het vrijwel in de toestand waarin het werd ingevroren. Een probleem is dat water bij het invriezen uitzet en daarbij de eventueel eromheen aanwezige celwanden doet barsten. Zolang het voedsel ingevroren blijft is het geen probleem, maar zodra je het ontdooit kunnen bacteriën zich veel sneller door de inmiddels homogene massa verspreiden. Vandaar dan ook dat er altijd wordt gewaarschuwd dat je eenmaal ontdooide etenswaren niet meer opnieuw mag invriezen en snel moet opeten.

Zie ook[bewerken]