Gemeenschapslandbouw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Pakket van een CSA-bedrijf

Gemeenschapslandbouw of community-supported agriculture (CSA), in Nederland ook pergola-landbouw genoemd, is een vorm van samenwerking tussen burgers en lokale landbouwers. Burgers betalen jaarlijks een bijdrage om de productiekosten van het landbouwbedrijf te kunnen dekken. In ruil krijgen ze een deel van de opbrengst.

Geschiedenis[bewerken]

Halverwege de jaren 1960 gingen Japanese vrouwen kritisch kijken naar de afkomst en kwaliteit van hun voedsel. Ze gingen rechtstreeks onderhandelen met boeren en sloten samenwerkingsverbanden af.[1] Dit was de start van teikei, een systeem van directe distributie van goederen.[2] Ook in Chili zouden begin jaren 1970 soortgelijke initiatieven ontstaan zijn.[3] Beide ontwikkelingen worden regelmatig vermeld als voorlopers van de gemeenschapslandbouw, maar noch teikei, noch de Chileense initiatieven inspireerden de latere Europese en Amerikaanse initiatieven rechtstreeks.

In Europa werd het eerste experiment met gemeenschapslandbouw opgestart in 1978 in Les jardins de Cocagne, een nog steeds bestaande Zwitserse boerderij.[4] Dit initiatief, samen met enkele biologisch-dynamische landbouwbedrijven, gebaseerd op ideeën van Rudolf Steiner, inspireerde wel rechtstreeks de verdere ontwikkeling van de gemeenschapslandbouw. Halverwege de jaren 1980 werden de Europese voorbeelden overgebracht naar en verder uitgewerkt in Amerika. In 1985 startten Robyn Van En en Jan Vander Tuin het eerste Amerikaanse gemeenschapslandbouwbedrijf: Indian Line Farm.[5] Beide waren Amerikaan. Vander Tuin ging begin jaren 1980 naar Europa en werkte daar onder meer in de biodynamische Topinambur-hoeve in Zwitserland. Van daaruit bezocht hij onder meer Les jardins de Cocagne. Enkele jaren later keerde hij terug naar Amerika, waar zijn vriendin Robyn Van En een tuinbouwbedrijf had. Samen gingen ze aan de slag met de principes van gemeenschapslandbouw, beginnende met een appelgaard. Van daaruit groeide een groter initiatief.[6] Begin 1997 stierf Van En onverwacht aan een astma-aanval. Zij was 49 jaar. Een Amerikaans nationaal centrum voor gemeenschapslandbouw aan het Wilson College draag haar naam: Robyn Van En Center.[7] Van En stierf in vrij armoedige omstandigheden. Haar zoon was verplicht het bedrijf te verkopen, maar met steun van de Schumacher society, gebaseerd op de ideeën van Ernst Friedrich Schumacher, kon het bedrijf verdergezet worden en blijft het een modelvoorbeeld van gemeenschapslandbouw.[8] Een tweede bedrijf begon rond dezelfde tijd (1985) met gemeenschapslandbouw: Temple-Wilton Community Farm.[9] De initiatiefnemers waren Trauger Groh, Lincoln Geiger en Anthony Graham. De Temple-Wilton Community Farm is ononderbroken volgens dezelfde principes blijven werken.
Deze beide bedrijven kregen veel navolging in Amerika, maar inspireerden later ook Europese initiatieven. Een telling door het United States Department of Agriculture in 2007 wees uit dat er op dat moment in de Verenigde Staten reeds meer dan 12.500 bedrijven volgens de principes van gemeenschapslandbouw werkten.[10]

Principes[bewerken]

De basiskenmerken van gemeenschapslandbouw zijn te herleiden tot drie principes:

  • Economisch: burgers betalen vooraf een jaarbijdrage aan de landbouwer. De bijdragen dekken de productiekosten, maar zorgen tevens voor een degelijk loon voor de landbouwer en loonzekerheid onafhankelijk van zijn productie of van de marktprijzen. De burgers betalen dus in verhouding tot de productie kosten en niet tot wat ze krijgen. Ze weten vooraf niet welke oogsten veel zullen opbrengen of zullen mislukken. Bij slechte oogst krijgen ze weinig terug, bij goede oogst krijgen ze meer. Dit is een vorm van solidariteit: een lokale gemeenschap en een landbouwer sluiten een verbintenissen af en nemen wederzijdse verantwoordelijkheid op.
  • Ecologisch: gemeenschapslandbouw heeft oog voor milieuvriendelijkheid. Zowel de manier van telen als de distributie gebeuren ecologisch verantwoord. De landbouw is steeds kleinschalig en gericht op de lokale gemeenschap of op nabijgelegen steden. Verschillende CSA-bedrijven werken biodynamisch, doch dit is niet essentieel.
  • Sociaal: landbouwer en klanten ontwikkelen een persoonlijke band. De klanten garanderen de landbouwer ook een degelijk inkomen onder aanvaardbare arbeidsvoorwaarden. Omgekeerd biedt de landbouwer openheid over zijn bedrijfsvoering, productie en boekhouding.

Praktijk[bewerken]

Gemeenschapslandbouw bestaat ondertussen in zeer veel landen. De praktische invulling ervan verschilt in zekere mate, doch de essentiële kenmerken komen overal terug. Internationaal verenigden heel wat bedrijven en organisaties die actief zijn rond gemeenschapslandbouw en aanverwante zaken zich sinds 2004 in Urgenci, een letterwoord dat staat voor "Le réseau Urbain-Rural: Générer des Echanges Nouveaux entre CItoyens", of "An Urban - Rural Network: Generating new forms of Exchange between CItizens". De ontwikkeling van de gemeenschapslandbouw in Nederland en België wordt kort toegelicht. Alle bedrijven leggen zich toe op tuinbouw: vooral groenten en in mindere mate fruit. Er werden al vragen gesteld rond de mogelijkheden om het systeem uit te breiden naar bloemen, bijen en boerderijdieren.[11]

Nederland[bewerken]

In Nederland was Jolien Perotti de voorstrekster van de gemeenschapslandbouw.[12] In 1994 had ze een lezing van Andrew Lorand bijgewoond. Daarop trok ze naar de Verenigde Staten om er ervaring op te doen in gemeenschapslandbouw en in het begeleiden van landbouwers daarin. In 1996 keerde ze terug. In 1997 begeleidde ze dan Tineke Bakker bij het opstarten van gemeenschapslandbouw op haar bedrijf De Oosterwaarde. De Oosterwaarde was in 1994 opgericht als biologisch-dynamisch landbouwbedrijf. Het startte met 5 ha grond, maar kocht in 1997 9 ha bij, zodat het tot nu 14 ha bewerkt. De pergola van De Oosterwaarde bestaat meer dan 200 wekelijkse klanten. Jolien Perotti overtuigde nog enkele bedrijven om over te schakelen op gemeenschapslandbouw, maar dan vertrok ze naar Noorwegen om daar een zelfoogstboerderij op basis van gemeenschapslandbouw op te zetten. Hierdoor viel de uitbreiding in Nederland grotendeels stil. Er bleef wel interesse, maar er kwam geen navolging. Pas een tiental jaren later zou er terug meer evolutie komen in Nederland, mee door de inspanningen van Tineke Bakker. Zo nam zij in 2006 en 2007 wekelijks een dag vrij om het Pergola-idee te promoten.[13] Het aantal Nederlandse bedrijven dat werkt met gemeenschapslandbouw, is onduidelijk, mede omdat er niet echt een overkoepelende organisatie bestaat. Het probleem blijft dat er veel interesse is, maar dat er slechts weinigen echt de stap zetten. Intussen zouden 25 bedrijven werken op een manier die aanleunt bij gemeenschapslandbouw.[14] Slechts een klein gedeelte daarvan zijn echte CSA-bedrijven.

België[bewerken]

In België is de situatie complexer: er zijn verschillen tussen Vlaanderen, Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Vlaanderen[bewerken]

In Vlaanderen nam gemeenschapslandbouw pas in 2007 een aanvang. Tom Troonbeeckx startte het landbouwbedrijf “Het Open Veld” te Heverlee, een deelgemeente van Leuven.[15] Hij startte met 50 deelnemers en een bedrijfsoppervlakte van 1,5 ha. Intussen is het ledenaantal gegroeid tot 320 en is er een wachtlijst van geïnteresseerden. Het grootste deel van de Vlaamse gemeenschapslandbouwbedrijven zijn zogenaamde “zelfplukboerderijen”: leden gaan hun groenten en fruit zelf oogsten. Ze krijgen dus geen kant en klare pakketjes aangeleverd. De landbouwbedrijven zijn verenigd in het CSA-netwerk. Vlaamse bedrijven die willen erkend worden als CSA-bedrijf, moeten zich houden aan het charter van het netwerk.[16] De Vlaamse gemeenschapslandbouw benadert het meeste het oorspronkelijke concept en breidt zich sterk uit.[17] Eind 2012 werkten 11 Vlaamse landbouwbedrijven volgens dit systeem en waren nog 14 nieuwe dossiers in voorbereiding.[18]

Alle Vlaamse bedrijven zijn erg klein: de landbouwoppervlakte bedraagt minder dan 5 ha. Het maximumaantal leden dat ze aankunnen schommelt tussen 100 en 500.[19] Naast groenten, kruiden en fruit produceren sommige ook aardappelen, bloemen en eieren. De prijs voor een oogstaandeel (per persoon, meestal voor iets minder dan een jaar) schommelt tussen 200 en 375 euro. In Vlaanderen is nog meer interesse van een aantal mensen om met gemeenschapslandbouw te starten, maar het grootste probleem is het vinden van grond: er is nog nauwelijks landbouwgrond beschikbaar.

Brussel[bewerken]

In het Brussels Gewest bestaat geen echte gemeenschapslandbouw. Wel bestaat er een verwant systeem dat een afwijkend principe hanteert: men werkt er met “GASAP”s, Groupes d’Achat Solidaires de l’Agriculture Paysanne (in het Nederlands: “Solidaire Aankoopgroep van Agro-ecologische Landbouw” - SAGAL). Een SAGAL is een groep van maximum 20 burgers die rechtstreeks met een landbouwproducent afspraken maken om op regelmatige basis producten te kopen. De afspraken worden aan het begin van het seizoen gemaakt, zodat het risico gedeeld wordt. De eerste SAGAL werd in 2006 opgericht te Elsene. Het was een initiatief van Le début des Haricots, een vereniging voor milieubescherming.[20] Intussen zijn er 40 SAGALs in het Brusselse; deze zijn aangesloten bij 10 landbouwbedrijven. Dit geeft meteen een belangrijk verschil aan met de echte gemeenschapslandbouw: hierbij gaat het initiatief uit van een landbouwer die een groep leden rond zich verzamelt. Bij SAGALs is het omgekeerd: groepjes geïnteresseerden sluiten een contract af met een landbouwer en meerdere groepen kunnen contracten afsluiten met dezelfde landbouwer. De SAGALs zijn verenigd in een complex gestructureerd netwerk dat ook politiek financieel ondersteund en dus beïnvloed wordt. Brussel is hiermee een uitzondering. Andere initiatieven voor gemeenschapslandbouw kiezen bewust voor geen politieke inmenging.[21] In 2011 werd ook een charter voor de SAGALs gepubliceerd (oorspronkelijk in het Frans, maar met een gebrekkige Nederlandse vertaling).[22]

Wallonië[bewerken]

In Wallonië is er minder samenhang en duidelijkheid. Reeds geruime tijd bestaan er "GAC"s, Groupe d’Achats Communs en recenter ook "GAA's", Groupement d'Achats Alimentaires; in 2012 waren er een 50-tal. Dit zijn aankoopgroepen, vergelijkbaar met de Brusselse SAGALs, maar met toch een aantal verschillen: er zijn zelden schriftelijke contracten en meestal slechts mondelinge engagementen, er is veel minder sprake van risicodeling, betalingen gebeuren vaak per week en meerdere landbouwers leveren dikwijls aan eenzelfde GAA. GACs en GAA’s wijken dus nog veel meer af van gemeenschapslandbouw en gelijken veel meer op voedselteams. op 22 januari 2011 startte een eerste Waals landbouwbedrijf echter wel met duidelijkere gemeenschapslandbouw, meer bepaald een “AMAP”, Association pour le maintien d'une agriculture paysanne.[23] Het betreft “Helia”, een landbouwbedrijf te Louvain-la-Neuve.[24] AMAPs zijn de Franse versie van gemeenschapslandbouw (in Frankrijk wordt hun aantal op 1500 geschat). Ook zijn hebben een eigen charter.[25]

Naam[bewerken]

De naam “community supported agriculture” ontstond pas eind de jaren 1980, enkele jaren nadat een paar boerderijen ermee aan de slag waren gegaan. Wie de naam heeft gelanceerd is niet helemaal duidelijk. De meeste bronnen geven aan dat de naam werd gegeven door de groep rond Robyn Van En en Jan Vander Tuin. Van En vond vooral belangrijk dat de naam ook kon omgedraaid worden tot “agriculture supported communities”. Zij hechtte zeer veel belang aan gemeenschapsvorming en zag het principe van gedeelde verantwoordelijkheid niet beperkt tot landbouw, maar bijvoorbeeld evenzeer toepasbaar op wagenonderhoud: “community supported auto mechanics”.[26] Hierin werd ze echter niet gevolgd door anderen. De eerste publicatie waarin de term community supported agriculture gebruikt werd is waarschijnlijk het boek “Farms of tomorrow” van Groh en McFadden.[27]

De Nederlandse term “pergola” werd gegeven door Jolien Perotti. Pergola verwijst naar een pergola, een houten constructie in de tuin waarlangs planten kunnen groeien. De pergola staat symbool voor de relatie tussen het bedrijf en de klanten: de pergola-leden (klanten) zijn het geraamte waarlangs het bedrijf kan groeien en steun ondervindt.[28]

Te onderscheiden[bewerken]

  • Biologische landbouw: gemeenschapslandbouw werkt ecologisch. Dit betekent niet noodzakelijk dat het steeds moet voldoen aan de strikte vereisten van biologische landbouw. Omgekeerd werken de meeste biologische landbouwbedrijven niet volgens het systeem van gemeenschapslandbouw.
  • Groentepakketten: verschillende bedrijven bieden (vaak biologisch geteelde) groentepakketten aan – soms aangevuld met fruit, brood, ... Klanten kunnen een abonnement nemen en bijvoorbeeld wekelijks een pakket afhalen. Dit is iets anders dan gemeenschapslandbouw. De klant weet niet vooraf wat hij precies krijgt, maar hij krijgt wel gegarandeerd een pakket. In tegenstelling tot gemeenschapslandbouw hangt de hoeveelheid niet af van de oogst; er is geen gedeeld risico. De pakketten worden dikwijls ook samengesteld met producten van verschillende bedrijven. Een ander belangrijk verschil is dat er bij de gewone groentepakketten geen directe band tussen landbouwer en klant is. Heel wat CSA-bedrijven werken eveneens met pakketten. Zij moeten daarbij wel voldoen aan de regels voor gemeenschapslandbouw.
  • Voedselteams: voedselteams is eveneens een vorm van georganiseerde, geregelde collectieve aankoop van lokale producten, meestal groentepakketten, soms ook fruit. De verschillen met gemeenschapslandbouw zijn dezelfde als die van groentepakketten.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen:

Referenties:

  1. Geschiedenis van CSA
  2. Teikei
  3. Mythe en realiteit van het ontstaan van gemeenschapslandbouw
  4. Geschiedenis van Les jardins de Cocagne
  5. Website van de Indian Line Farm met korte geschiedenis
  6. Biografie van Robyn Van En
  7. Robyn Van En Center
  8. Schumacher society
  9. Website van de Temple-Wilton Community Farm met korte geschiedenis
  10. Departement Landbouw van de VS met gegevens over CSA
  11. Verslag CSA en Pergola Conferentie 2010, met onderzoek naar mogelijkheden naast tuinbouw
  12. Start Nederlandse gemeenschapslandbouw
  13. Tineke Bakker promoot Pergola
  14. CSA in Nederland
  15. Start gemeenschapslandbouw Het Open Veld Leuven
  16. Charter van de Vlaamse gemeenschapslandbouwbedrijven
  17. Uitbreiding in Vlaanderen
  18. D. Knockaert: Even hard werken, minder stress. Boer en consument investeren samen in de oogst bij CSA-landbouw. De Standaard, 29 december 2012, 20-21.
  19. CSA in Vlaanderen
  20. Le début des Haricots
  21. S. Schlicht, P. Volz, Ph. Weckenbrock & T. Le Gallic: Community Supported Agriculture: An overview of characteristics, diffusion and political interaction in France, Germany, Belgium and Switzerland. ACTeon – Die Argonauten, 2012.
  22. Nederlandse versie van het charter van de SAGALs
  23. Eerste AMAP in Wallonië
  24. Start van Helia als AMAP
  25. Charter van de AMAPs
  26. R. Van En: Eating for your community. A report from the founder of community supported agriculture. A Good Harvest, 1995, 29.
  27. T.M. Groh & S.S.H. McFadden: Farms of tomorrow: Community supported farms, farm supported communities. Kimberton: Bio-dynamic Farming and Gardening Association, 1990.
  28. Naam Pergola (p. 3)