Graskarper

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Graskarper
IUCN-status: Niet geëvalueerd (2010)
Graskarper (Ctenopharyngodon idella)
Graskarper (Ctenopharyngodon idella)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Actinopterygii (Straalvinnigen)
Orde: Cypriniformes (Karperachtigen)
Familie: Cyprinidae (Eigenlijke karpers)
Geslacht: Ctenopharyngodon
Soort
Ctenopharyngodon idella
(Valenciennes, 1844[1])
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vissen

De graskarper (Ctenopharyngodon idella) is een exoot in de wateren van de Benelux. De graskarper is een echte herbivoor. Hij wordt uitgezet daar waar beplanting in en langs het water als een probleem gezien wordt.

Ecologische betekenis[bewerken]

Deze vis heeft hoge watertemperaturen nodig om tot voortplanting te komen. Alle graskarpers in Nederland zijn dus uitgezet.

Beperking visvangst met betrekking tot de graskarper[bewerken]

De graskarper moet vanwege zijn speciale functie altijd levend en onbeschadigd in hetzelfde water worden teruggezet. Deze vissoort wordt uitgezet om de plantengroei in het water in bedwang te houden. In Nederland mag het uitzetten van graskarper overigens uitsluitend met toestemming van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gebeuren.

Kracht[bewerken]

De graskarper is door zijn langwerpige en dus hydrodynamische vorm in staat om bijzonder snel te zwemmen. Als de graskarper aan de lijn zit, is het in vergelijking met een gewone karper van hetzelfde gewicht dan ook een stuk lastiger voor een visser om deze aan te kant te krijgen.

Zeer klein albino exemplaar

Albino variant[bewerken]

De graskarper bestaat ook in albinovorm. Deze heeft een geelroze kleur en heeft rode ogen. Deze variant is zeer populair bij vijverliefhebbers om de vijver algenvrij te houden. Deze karper groeit zeer snel en kan tot 1,20 m lang worden, waar de meeste vijvers te klein voor zijn. (Draad)algen eet de graskarper overigens alleen tot een lengte van circa 10 cm. Daarna krijgt hij een voorkeur voor de wat zachtere planten om vervolgens ook harde planten te gaan eten. Hij kan zelfs leven van (gemaaid) gras omdat zijn bek een raspfunctie voor harde plantendelen bevat. Vandaar de naam. Het gevolg van een of meer grotere exemplaren voor een vijver laat zich raden. U krijgt op termijn een draadalg en plantenloze bak. Het risico van zweefalg is daarbij groot. Bezint voordat u ze in een vijver uitzet.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Cuvier, G. en A. Valenciennes (1844) Histoire naturelle des poissons. Tome dix-septième. Suite du livre dix-huitième. Cyprinoïdes. Historie naturelle des poissons. v. 17: i-xxiii + 1-497 + 2 pp., Pls. 487-519. [Valenciennes authored volume. i-xx + 1-370 in Strasbourg edition.]