Identificatieplicht in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Identificatieplicht is de plicht tot het overleggen van een identiteitsbewijs (een document dat de identiteit van de drager bewijst). Dit artikel gaat over de situatie in Nederland.

Historie[bewerken]

Ver voor de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Vanouds gold dat een burger zijn persoonsgegevens correct moest opgeven als daar door het bevoegde gezag naar werd gevraagd, bijvoorbeeld bij een verkeersovertreding. Zwijgen was toegestaan, maar het opgeven van een onjuiste naam was strafbaar. Het probleem was dat het gezag geen deugdelijke mogelijkheid had om de opgegeven naam te controleren. Eventueel kon worden gevraagd naar een document waarop de naam stond, bijvoorbeeld een bankpasje, maar de burger was niet verplicht zo'n document bij zich te dragen, laat staan te tonen.

De rijksambtenaar Jacobus Lambertus Lentz, die vanaf 1936 de leiding had bij de Rijksinspectie van het Bevolkingsregister, wilde al voor de Tweede Wereldoorlog een systeem invoeren waarmee de identiteit van de inwoners van Nederland onomstotelijk kon worden vastgesteld. Dit systeem hield in, dat elke Nederlander een deugdelijk identificatiebewijs bij zich zou moeten dragen, zodat ieder zich op elk moment zou kunnen legitimeren. Een departementale commissie, waar Lentz lid van was, beval dit sterk aan. De regering wees dit voorstel in maart 1940 van de hand, omdat zij van mening was dat dit in strijd met de Nederlandse tradities was. Het argument tegen de algemene identificatieplicht was, dat men daarmee zou veronderstellen dat elke inwoner een potentiële misdadiger is.

Bezettingstijd[bewerken]

Op aandringen van de Duitse bezetter werd een persoonsbewijs ingevoerd door de Nederlandse secretarissen-generaal op 1 oktober 1940. Dit was bestemd voor alle Nederlanders van 14 jaar en ouder. Door middel van dit persoonsbewijs moest elke Nederlander zich in het maatschappelijke verkeer kunnen legitimeren. De eerder door de regering afgewezen voorstellen om een persoonsbewijs in te voeren, werden dus alsnog doorgevoerd met medewerking van Nederlandse ambtenaren. Het persoonsbewijs was zeer moeilijk te vervalsen. Het systeem van identiteitsvaststelling, bestaande uit het bevolkingsregister in combinatie met de persoonsbewijzen, was goeddeels waterdicht.

Dit systeem werd door de bezetter gebruikt om duizenden personen op te pakken, waarvan velen werden vermoord. Ook voor de joden was het persoonsbewijs een belangrijke schakel op weg naar de vernietiging. Na de bevrijding van Nederland werd de identificatieplicht afgeschaft.

1994-2005[bewerken]

Mede vanwege deze geschiedenis was een algemene identificatieplicht in Nederland lange tijd onbespreekbaar. Sinds juni 1994 bestond echter een identificatieplicht in het geval van gegronde verdenking en bij financiële transacties (de Wet op de identificatieplicht). Dit betekende dat er naar een identiteitsbewijs mocht worden gevraagd bij bijvoorbeeld vreemdelingentoezicht, verdenking van zwartrijden, toegang tot voetbalstadions.

Bezwaren[bewerken]

Op grond van de ervaringen tijdens de oorlog maakte herinvoering van de ID-plicht tot in de jaren '60 weinig kans. Met name organisaties van voormalige verzetsmensen zoals de Expogé wezen een algehele ID-plicht af. De Volkstelling van 1971 wakkerde dit bezwaar aan door veel uitgebreidere vragen te stellen dan tot dan toe gewoon was, wat een uitgebreide maatschappelijke discussie en veel bezwaren opriep. Pas in de jaren na 2000 ontstond een geconcentreerd bezwaar tegen verplichte identificatie, zoals o.m. de Stichting Meldpunt Misbruik Identificatieplicht. Dit is een onafhankelijke vrijwilligersorganisatie die werd opgericht in november 2004 om de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht, die in 2005 van kracht werd, te volgen en tegen te gaan. Het meldpunt werd in 2008 een stichting.

De wet op de uitgebreide identificatieplicht (Wuip, 2005)[bewerken]

Per 1 januari 2005 is er de wet op de uitgebreide identificatieplicht uitgebreid. Onder bepaalde omstandigheden moeten nu ook kinderen onder 14 jaar zich legitimeren in het openbaar vervoer.

Inhoud van de wet[bewerken]

Op 1 januari 2005 werd de Wet op de identificatieplicht gewijzigd door de invoering van de 'Wet op de uitgebreide identificatieplicht'. Sinds deze datum is een algemene identificatieplicht van kracht [1]

De uitbreiding van de identificatieplicht is bedoeld om een betere handhaving van wetten en regels mogelijk te maken. In de oorspronkelijke concepttekst van de wet werd voorgesteld om de identificatieplicht te laten ingaan vanaf twaalf jaar. Na het inwinnen van advies bij een aantal instellingen en adviesorganen heeft het kabinet in 2003 besloten om die leeftijd te verhogen naar veertien jaar.

Sinds 1 januari 2005 geldt in Nederland de Wet op de Uitgebreide Identificatieplicht. Burgers moeten op verzoek van een daartoe bevoegd ambtenaar een identificatiebewijs kunnen tonen. Er is derhalve sprake van een toonplicht, de plicht tot het dragen van een identiteitsbewijs (draagplicht) staat niet in de wet.

Mensen die na 1 januari 2005 bij een controle door de politie geen identificatiebewijs kunnen tonen, riskeren een boete. Per 1 januari 2013 is dit 90 euro. Voor jongeren van 14 tot 16 jaar bedraagt de boete 45 euro. De boete betreft een zogeheten OM-transactie. Dat houdt in dat de overtreding door de officier van justitie kan worden afgedaan.

Situaties[bewerken]

Met het oog op de invoering van de identificatieplicht heeft het OM een Aanwijzing Uitbreiding Identificatieplicht opgesteld. In deze aanwijzing staat beschreven in welke situaties de politie om een identiteitsbewijs mag vragen.

Controle van identiteitsdocumenten zal vooral plaatsvinden bij onrust of dreigend geweld, zoals 's nachts in uitgaansgebieden of bij dreigende ordeverstoringen rond voetbalwedstrijden. Ook kan de politie aan omstanders van bijvoorbeeld een schiet- of steekpartij, of een brand om identificatie vragen.

De volgende, geenszins uitputtend bedoelde, opsomming noemt een aantal situaties waarin identiteitscontrole aangewezen kan zijn.

  • een auto rijdt ‘s nachts rond op een industrieterrein (naar het rijbewijs van een autobestuurder kan altijd gevraagd worden);
  • er vindt op straat of in een café een schietpartij plaats en het is relevant voor het onderzoek om de identiteit van (mogelijke) getuigen vast te stellen;
  • in een groepje bekende dealers duikt een onbekende op;
  • hangjongeren veroorzaken overlast in de openbare ruimte;
  • er woedt een brand en de (mogelijke) brandstichter zou zich kunnen bevinden tussen de toegestroomde belangstellenden;
  • bij evenementen zoals voetbalwedstrijden en demonstraties in geval van rellen of dreiging van het ontstaan van rellen;
  • bij onrust of dreigend geweld in uitgaansgebieden en/of openbare manifestaties waarbij gevaar van ordeverstoring aanwezig is.

Onder normale, onverdachte omstandigheden zal de politie niet om identificatie vragen, maar ook dan moet de burger een legitimatiebewijs kunnen tonen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak.[2] In een uitgebreid onderzoek door de Nationale Ombudsman in september 2011 over preventief fouilleren, bleek dat de politie vaak routineus om identificatie vraagt (bijvoorbeeld bij het aanhouden voor controle van fietsverlichting). Juist in deze gevallen volgt regelmatig een boete wegens niet kunnen tonen van identificatiebewijs. Volgens de Ombudsman is dit een onterecht gebruik van de Wet op de Identificatieplicht[3].

Komt iemand bij de politie om te melden dat hij iets verdachts heeft gezien, dan zal de politie hem om zijn persoonlijke gegevens vragen - waarbij een officieel identiteitsbewijs gewenst is - maar hij zal niet beboet worden als hij geen legitimatie kan tonen.

Geen recht op coulance[bewerken]

Hoofdregel voor het OM is dat er weinig ontsnappingsmogelijkheden zijn voor mensen die geen identiteitsbewijs bij zich dragen.[bron?] Om te voorkomen dat het belang van de identificatieplicht voor de rechtshandhaving wordt ondergraven, is er geen recht op een coulante behandeling. Wie geen identiteitsbewijs bij zich draagt, neemt het risico van een boete.[bron?] De kosten bij vervanging na verlies of beroving van een identiteitsbewijs zijn echter hoger dan de boete bij het niet kunnen tonen.

Geaccepteerde identificatiemiddelen[bewerken]

Artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht onderscheidt in het eerste lid (verkort weergegeven):

1°. een paspoort of identiteitskaart
2°. een vreemdelingendocument
4°. een rijbewijs

Verder is er nog het geprivilegieerdendocument.

Artikel 2 verplicht een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, op de eerste vordering van de politie of een toezichthouder een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden (zie ook hierboven).

Sommige andere wetten, zoals de SUWI (zie onder), eisen echter een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, dus een rijbewijs wordt daar niet geaccepteerd.

Sinds 1994 geldt in Nederland een beperkte identificatieplicht. Deze plicht blijft na 1 januari 2005 gewoon bestaan en betekent dat men zich in bepaalde situaties moet kunnen identificeren. Dat geldt bijvoorbeeld bij het openen van een bankrekening, het aanvragen van een sofinummer, het aanvragen van een uitkering, aanmelden bij zorginstellingen en op de werkplek.

Het rijbewijs is een algemeen identiteitsbewijs, maar in een aantal situaties waarin gegevens over verblijfstatus en nationaliteit belangrijk zijn, kan men zich er niet mee identificeren. Bijvoorbeeld bij de belasting, bij het in dienst treden bij een werkgever en bij het aanvragen van een uitkering. Op het rijbewijs staat namelijk niets over de nationaliteit en verblijfstatus. In deze gevallen heeft men een paspoort, identiteitskaart of vreemdelingendocument nodig.

In het onderstaande overzicht staat in welke situaties men welk identiteitsbewijs kan (dient te) gebruiken. Een 'X' geeft aan of het document in de gegeven situatie geaccepteerd wordt.

situatie paspoort Nederlandse identiteitskaart vreemdelingen-document rijbewijs
Identiteitscontrole door politie, Marechaussee en toezichthouders X X X X
Bij de belastingdienst X X X
Geldzaken X X X X
Aanvraag burgerservicenummer X X X
Notaris X X X X
In dienst treden bij nieuwe werkgever X X X
Op het werk X X X X
UWV/SVB (uitkering) X X X
Stemmen bij Verkiezingen X (tot 5 jr.verlopen) X (idem) X (niet voor Provincie of Tweede Kamer)(idem) X (idem)
Binnenlands Vreemdelingentoezicht X X X
Zwartrijden in het openbaar vervoer X X X X
Bezoek voetbalwedstrijd X X X X
In de zorg X X X X

SUWI[bewerken]

De Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) bevat het volgende artikel:

Artikel 55. Vaststelling identiteit

1. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank stellen bij de uitoefening van hun taak de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van die taak.

2. Een ieder verstrekt op verzoek onverwijld aan de in het eerste lid genoemde rechtspersonen inzage in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wettelijke taken door de betrokken rechtspersoon.

Gelijk oversteken[bewerken]

Vanwege artikel 2 van de Ambtsinstructie is de politieambtenaar zelf ook verplicht zich te legitimeren indien daartoe een verzoek komt. Een politieambtenaar in burgerkleding is zelfs altijd verplicht zich te legitimeren. Een aantal mensen roept daarom op om altijd als er om identificatie wordt gevraagd dit tegelijk ook aan de politieambtenaar te vragen: "gelijk oversteken". Onder speciale omstandigheden kan een politieambtenaar zich niet legitimeren, of is een politieambtenaar niet verplicht dit te doen. Bijvoorbeeld bij ernstige zaken met spoed, of bij geweld waarbij de politieambtenaar zich moet verdedigen en geen mogelijkheid heeft of krijgt om zich te legitimeren.

Bronnen, noten en/of referenties