Italianisering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Italianisering houdt in dat niet-Italiaanse volkeren de Italiaanse taal opgelegd krijgen.

Geschiedenis[bewerken]

Alhoewel hier al eerder sprake van is geweest was de 20e eeuw wel het hoogtepunt van het italianiseren. Door de regering van de fascist Benito Mussolini werden Slavische, Franse, Duitse en Griekse volkeren gedwongen de Italiaanse cultuur aan te nemen. Deze politiek was gebaseerd op de overtuiging dat de Italiaanse cultuur superieur zou zijn aan andere culturen. Tijdens het fascisme vormde Il fascismo di frontiera (het "grensfascisme") de bekroning van de gewelddadige ideologie: een op dubieuze rassentheorie gebaseerde vernietiging van niet-Italiaanse elementen in de nieuw verworven gebiedsdelen.

De autochtone Sloveense en Kroatische bevolking in Primorska, Istrië, Dalmatië en het oosten van Italië, de Duitsers in Zuid-Tirol en de Arpitaans sprekende mensen in Valle d'Aosta waren allen slachtoffer van het Italianiseren. Volgens deze methode werden al deze volkeren gedwongen Italiaanse namen aan te nemen, de Italiaanse taal te leren en mochten zij in kerken en in het openbaar alleen Italiaans spreken. Sloveense en Kroatische verenigingen zoals het Narodni dom in Triëst werden geïntimideerd en later verboden, dit gold ook voor de traditionele Duitstalige verenigingen. Alles wat naar de Sloveense, Kroatische, Franse of Duitse cultuur refereerde moest uit het straatbeeld verwijderd worden. Italianen uit diverse regio’s werden aangemoedigd zich te vestigen in gebieden waar de Italiaanse cultuur niet dominant was, om zo de Italiaanse cultuur verder op te dringen. Met name uit de Apennijnen werden onderwijzers aangetrokken om niet-Italiaanse leraren in de bezette gebieden te vervangen. In West-Slovenië werden intellectuelen, zoals priesters en onderwijzers, gedeporteerd naar het binnenland van Italië of op Sardinië, Ventotene, Medea en andere strafkampen gevangengezet. De niet-Italiaanse media, politieke en culturele organisaties werden verboden, het niet-Italiaanse bankwezen en bedrijfsleven werd systematisch onteigend en overgedragen aan Italiaanse immigranten. Enkele Slovenen en Kroaten namen het italianiseren voor lief om volledig Italiaanse burgers te worden. De meeste van hen keerden zich echter tegen de radicale verdringing van hun culturele erfgoed. Zo werd in 1924 de gewapende verzetsorganisatie TIGR opgericht.

Ook in Dodekanesos kwam men in aanraking met dit beleid. Het eiland was in 1912 door de Italianen veroverd maar had voornamelijk een Grieks-sprekende bevolking, een kleine Turks-sprekende minderheid en een nog kleinere Joodse Ladino-sprekende minderheid (met praktisch geen Italiaans sprekenden). Scholen moesten Italiaans onderwijzen en de Grieks Orthodoxe Kerk werd sterk ontmoedigd. Als gevolgd hiervan vond er een grote emigratie van Grieken plaats, ter bevordering van het Italianiseren werd deze groep (slechts gedeeltelijk) verplaatst door Italiaanse immigratie.

In 1939 troffen Mussolini en Hitler een overeenkomst betreffende de Duitse bevolking in Zuid-Tirol: Zij konden emigreren naar Duitsland (of zijn veroverde gebieden) of blijven en het beleid accepteren. Hierdoor raakte Zuid-Tirol verdeeld: degenen die bleven ("Dableiber") werden gezien als verraders, degenen die wegtrokken ("Optanten") werden als nazi’s beschouwd. Door het beginnen van de Tweede Wereldoorlog werd de overeenkomst nooit voltooid. Toen de geallieerden meer voet aan land kregen in Italië gaf Italië zich over. De Duitsers namen snel grote gebieden van Italië in en op September 23 1943 werd de Marionettenstaat het Italiaanse Sociale Republiek in leven geroepen, Mussolini werd door Hitler gedwongen om Zuid-Tirol over te dragen aan het Derde Rijk.

Eenzelfde strategie van patriatie werd gevolgd in Val Canale, een regio waarin voor de Eerste Wereldoorlog nog geen Italianen woonden. De Duitstalige patrianten, ongeveer 50% van de bevolking (de andere helft bestond hier uit Slovenen), werden voor een deel naar Duitsland, voor een deel ondergebracht in Stiermarken, waar zij de boerderijen van gedeporteerde Slovenen in bezit namen.

Zie ook[bewerken]