Kortstaartbuideldas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kortstaartbuideldas
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2008)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Peramelemorphia (Buideldassen)
Familie: Peramelidae (Buideldassen)
Geslacht: Echymipera
Soort
Echymipera kalubu
(Fischer, 1829)
Kortstaartbuideldas op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De kortstaartbuideldas (Echymipera kalubu) is een buideldas uit het geslacht Echymipera.

Kenmerken[bewerken]

Net als andere Echymipera is de kortstaartbuideldas een middelgrote, donkere, stekelige buideldas. Anders dan bij enkele andere soorten zit er geen zwarte knobbel op de voet. Het dier heeft een lange, beweeglijke snuit en stijve, dikke dekharen in verschillende kleuren geel, koperrood of bruin tot zwart. De buik heeft een vaalgele kleur. De staart bevat geen haar. De kop-romplengte bedraagt voor mannetjes van de ondersoort philipi 300 tot 345 mm en voor vrouwtjes 242 tot 280 mm, de staartlengte respectievelijk 73,2 tot 92,0 mm en 73,0 tot 88,0 mm, de achtervoetlengte 53,5 tot 58,7 mm en 45,8 tot 49,0 mm, de oorlengte 25,0 tot 27,0 mm en 21,7 tot 25,7 mm en het gewicht 700 tot 1000 g en 405 tot 560 g. Voor Papoea-Nieuw-Guinese exemplaren van de ondersoort kalubu bedraagt de kop-romplengte respectievelijk 260 tot 380 mm en 225 tot 280 mm, de staartlengte 63 tot 98 mm en 68 tot 78 mm.

Leefwijze[bewerken]

De kortstaartbuideldas is een nachtdier en komt veel voor in de laaglanden van Nieuw-Guinea. Er wordt veel op het dier gejaagd. Op grotere hoogte komt het dier steeds minder voor in primair bos, hoewel het in verstoorde habitats nog tot op 2000 m hoogte te vinden is. De soort eet zaden, fruit, larven van insecten en op het land levende weekdieren. Op soortgenoten reageren ze vrij agressief. Overdag wordt uitgerust in een holle boom, onder een bladerhoop of in een zelfgegraven hol.

Voortplanting[bewerken]

De vrouwtjes zijn zeer vruchtbaar; waarschijnlijk kunnen ze ongeveer eens in de 120 dagen een jong krijgen. Meestal zitten er een tot drie jongen in de buidel. Er worden over het algemeen meer mannetjes dan vrouwtjes gevangen.

Verspreiding[bewerken]

Deze soort komt voor op Nieuw-Guinea en een aantal nabijgelegen eilanden (Bagabag, mogelijk Batanta, Biak-Supiori, Blup Blup, Japen, Kadovar, Karkar, Koil, Lou, Manus, Misool, Nieuw-Brittannië, Owi, Sakar, Salawati, Su Mios, Tolokiwa, Umboi, Vokeo en Waigeo). Op Manus is de soort waarschijnlijk geïntroduceerd.

Verspreidingsgebied

Ondersoorten[bewerken]

Er worden vier ondersoorten onderscheiden: E. k. philipi Troughton, 1945 op Biak-Supiori en Owi (een kleine vorm met veel melanistische exemplaren), E. k. cockerelli (Ramsay, 1877) op New Britain en omgeving, E. k. oriomo Tate & Archbold, 1936 op het plateau van de Fly River en E. k. kalubu (Fischer, 1829) in de rest van het verspreidingsgebied. Genetische gegevens geven aan dat de ondersoort cockerelli mogelijk nauwer verwant is aan E. rufescens dan aan de kortstaartbuideldas.

Literatuur[bewerken]

  • Flannery, T.F. 1995. Mammals of New Guinea. 2nd ed. Chatswood, New South Wales: Reed Books, 568 pp. ISBN 0 7301 0411 7
  • Flannery, T.F. 1995. Mammals of the South-West Pacific & Moluccan Islands. Chatswood, New South Wales: Reed Books, 464 pp. ISBN 0 7301 0417 6
  • Groves, C.P. 2005. Order Peramelemorphia. Pp. 38-42 in Wilson, D.E. & Reeder, D.M. (eds.). Mammal Species of the World: A taxonomic and geographic reference. 3rd ed. Baltimore: The Johns Hopkins University Press, Vol. 1: pp. i-xxxv+1-743; Vol. 2: pp. i-xvii+745-2142. ISBN 0 8018 8221 4
Bronnen, noten en/of referenties