Leendert Pieter de Neufville

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Leendert Pieter de Neufville (Amsterdam, 8 maart 1729 - Amsterdam, 19 september 1797) was een Amsterdamse bankier, die tijdens de Zevenjarige oorlog een financiële innovatie doorvoerde, de zogenaamde wisselruiterij. Na het uitbreken van de vrede in 1763 kon hij niet meer aan zijn verplichtingen voldoen. Daardoor kwamen ook andere banken in de problemen en er ontstond een vertrouwenscrisis. Banken wilden elkaar geen krediet meer verlenen. Vanuit Amsterdam ontstond er een internationale bankencrisis, die zich uitstrekte tot Duitsland en Scandinavië. De Neufville stond bekend als speculant en parvenu.

Crisis van 1763[bewerken]

Omdat De Neufville veel geld had uitstaan bij Duitse firma’s gingen in 1763 95 bedrijven in Hamburg failliet. In Berlijn raakte de porseleinfabriek KPM in de problemen, in Frankfurt gingen dertig handelshuizen failliet. Ook in Bremen, Leipzig, Kopenhagen, Stockholm en Londen moesten handelsfirma's door dit voorval hun deuren sluiten. Voor het eerst had een crash op de beurs internationale uitwerking. Er waren in het faillissement 361 crediteuren betrokken, met een totaalbedrag van bijna tien miljoen gulden. De finale afwikkeling kwam eerst in ... 1811.[1]

Biografie[bewerken]

De doopsgezinde familie De Neufville was na de Spaanse furie vanuit Antwerpen in de Zuidelijke Nederlanden van al haar goederen beroofd en naar Haarlem getrokken. Verschillende leden vestigden zich in de tweede helft van de 17e eeuw in Amsterdam.[2] In 1721 komt zijn firma onder de naam Gebroeders de Neufville voor het eerst in de boeken van de Amsterdamse Wisselbank voor.

Naast geld- en goederenhandel in textiel (zijde en sitsen), koffie en thee exploiteerde de firma ook nog een glasblazerij en een katoendrukkerij. Het kantoor op de Keizersgracht, dat drie kamers van het woonhuis vulde, bestond uit 23 personen. Leendert Pieter de Neufville begon als koopman in linnen en graan, met een omvangrijke handel op het oosten van Duitsland. De luxe in zijn huis was zeer tekenend. Hij bezat acht notenhouten kabinetten en commodes, een geelzijden salon, 96 schilderijen, vergulde speeltafeltjes tot in zijn slaapkamer, maar in het hele huis was geen boek te vinden.[3]

Crash[bewerken]

De Neufville maakte van elke conjunctuurbeweging gebruik om snel een partij te verhandelen. Na de Zevenjarige Oorlog raakte de firma in de problemen, toen de goederenprijzen daalden. De aandelenhandel zakte onmiddellijk in na het bekend worden van het faillissement.

Leendert de Neufville had niet alleen een slechte naam als zakenman, maar hij werd te Amsterdam gehaat omdat hij kort na de vrede aan Frederik II van Pruisen zijn diensten had aangeboden voor de wederoprichting van een Pruisische Aziatische Compagnie.[4] In hoeverre zijn drie jongere broers Pieter de Neufville, David de Wolff de Neufville en Balthasar de Wolff de Neufville in de zaken geïnteresseerd waren is niet duidelijk. Na het staken der betalingen op 30 juli 1763 zijn David en Balthasar naar Zutphen gevlucht.

Op 2 augustus probeerde Leendert een steunfonds te verwerven. Hope & Co en andere bankiers hebben nog getracht een steunsyndicaat te vormen, doch dit is afgestuit op de weigering van de firma Pels om mee te doen. (In Hamburg was de bank een nacht open voor de mensen die een voor de gelegenheid opgericht fonds wilden steunen.) Op 16 augustus ontstond er een run op de kassiers. In heel Amsterdam was geen krediet meer te krijgen; wissels werden niet langer geaccepteerd en de goederenhandel lag stil. Op 7 oktober kwam De Neufville onder curatele te staan en de Desolate Boedelkamer kreeg beschikking over zijn goederen. Er waren volgens Jacob Bicker Raye 25 Amsterdamse kooplieden in het faillissement betrokken en honderden mensen werden geruïneerd.

In 1761 zette de zijdehandelaar Johann Ernst Gotzkowsky een porseleinfabriek op in Berlijn. Al in 1763 ging hij failliet als gevolg van het opkopen van Russische graan, samen met De Neufville. Frederik de Grote, die hem vanaf zijn aantreden in 1740 steunde, en hem schilderijen in Holland had laten kopen, nam de fabriek over, en startte het bedrijf opnieuw op onder de naam Königliche Porzellan-Manufaktur (KPM).

Ook Frederik de Grote bemoeide zich met de zaak De Neufville en verzocht de Amsterdamse regering het faillissement op te heffen. Reeds op 14 juli 1764 kreeg hij rehabilitatie, na overlegging van een ongelooflijk slordige, onvolledige balans, waar in de crediteurenlijst niet alle bedragen zijn ingevuld en toch een totaalsom wordt gegeven.[5]

Begin september was de crisis voorbij. De Neufville bekommerde zich niet meer om de zaak, leefde rustig en kocht zijn buitenplaats Westermeer in 1765 terug. In dat jaar werd ook zijn schilderijencollectie geveild. Van de 122 schilderijen brachten de Rubens, Nicolaes Berchem, Jan van Huysum, Gabriel Metsu, David Teniers de Jonge, Paulus Potter, Gerard ter Borch, Adriaan van de Velde, Willem van de Velde de Oude en Philip Wouwerman het meeste op.


Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Brugmans, H. (1973) Geschiedenis van Amsterdam, Deel IV, Afgaand tij 1697/1795, blz. 85.
  2. Veluwenkamp, J.W. (1981) Ondernemersgedrag op de Hollandse stapelmarkt in de tijd van de Republiek. De Amsterdamse handelsfirma Jan Isaac de Neufville & Comp., 1730-1764, p. 31.
  3. http://www.roeljanssen.nl/wp/?cat=4
  4. Dillen, J.G. van (1970) Van Rijkdom en Regenten. Handboek tot de Economische en Sociale Geschiedenis van Nederland tijdens de Republiek, blz. 605-6.
  5. Jong-Keesing, E.E. de (1939) De economische crisis van 1763 te Amsterdam, p. 125.