Operatie Black Tulip

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Operatie Black Tulip was direct na de Tweede Wereldoorlog een beleid van de Nederlandse regering dat tot doel had de in Nederland wonende Duitsers het land uit te zetten. Op 11 september 1946 werd door de regering, in de persoon van de minister van justitie Hans Kolfschoten, de operatie in gang gezet. De bedoeling was ongeveer 25.000 Duitsers, van wie de meesten al lang voor de oorlog in Nederland woonden en een gezin hadden, te verdrijven.

Na de Tweede Wereldoorlog bestonden er binnen Nederland op grote schaal wraakgevoelens tegenover Duitsland en de Duitsers. Naast de ideeën over schadevergoedingen, in financiële vorm en in de zin van annexatie van Duits grondgebied, ontstond het plan om Duitsers die in Nederland woonden het land uit te zetten. Minister Kolfschoten stelde in de zomer van 1945 een nota op met het voorstel de Rijksduitsers (dus niet de Volksduitsers) in omgekeerde volgorde van vestiging het land uit te zetten. Onder deze Rijksduitsers bevond zich ook een grote groep die zich al in de jaren 20 in Nederland had gevestigd en vaak gezinnen hadden gesticht.

Het plan kreeg al snel kritiek uit de hoek van de geallieerden en de Katholieke Kerk. Volgens de Kerk was de uitzetting in strijd met het christelijke concept van naastenliefde. De Nederlandse regering trok zich weinig aan van de kritiek en wilde toch beginnen met de uitwijzingen. In reactie hierop begonnen de Britten Nederlanders die woonachtig waren in de Britse bezettingszone in Duitsland, terug naar Nederland te sturen. Toen er ook vanuit het binnenland steeds meer commentaar op de plannen kwam, werd besloten dat alleen de Duitsers die zich tijdens de oorlog pro-Duits hadden opgesteld, uitgezet zouden moeten worden. De binnenlandse kritiek werd vooral geleverd door freule Christine Wttewaall van Stoetwegen, toentertijd Tweede Kamerlid voor de CHU, en kardinaal De Jong.

In het najaar van 1946 gaf de nieuwe minister van justitie Van Maarseveen te kennen nog steeds 17.000 mensen het land uit te willen zetten. Op 11 september 1946 gingen de verdrijvingen officieel van start. De Duitsers werden naar kampen in de buurt van de Duitse grens gestuurd, waarvan kamp Mariënbosch vlak bij Nijmegen het grootste was. Aan het einde van 1948 werden de kampen gesloten en vanaf 1950 werden geen Duitsers meer uitgezet. Op 26 juli 1951 werd de staat van oorlog met Duitsland beëindigd en waren Duitsers niet langer vijand van de staat. In totaal zijn er 3691 Rijksduitsers (15% van alle Duitsers in Nederland) uit Nederland verdreven.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]