Piet Schoonenberg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vraagteken
Er wordt getwijfeld aan de juistheid van een of meer onderdelen van dit artikel.
Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: dit, aanvankelijk door mij aangemaakte, lemma dijdt steeds meer uit met allerlei niet door bronnen gestaafde beweringen. Overigens worden ook steeds meer beweringen gedaan die de reikwijdte van een encyclopedisch lemma verre te buitengaan. Het is zo langzamerhand meer een soort essay geworden in plaats van een artikel dat in een encyclopedie thuishoort. Desgewenst leg ik dat graag nader uit op de Overlegpagina. Maar wier hart encyclopedisch klopt, snapt wat ik bedoel - Berretta cardinalizia.png RJB overleg 15 dec 2011 23:35 (CET)
Dit sjabloon is geplaatst op 15 december 2011.
Vraagteken

Petrus Johannes Albertus Maria (Piet) Schoonenberg S.J. (Amsterdam, 1 oktober 1911 - Nijmegen, 21 december 1999) was een Nederlands geestelijke, theoloog en hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Schoonenberg trad in 1930 toe tot de orde der Jezuïeten en studeerde filosofie, theologie en exegese in Nijmegen, Maastricht en Rome. Hij promoveerde op een proefschrift getiteld Theologie als geloofsverkondiging dat echter niet kon verschijnen daar de leiding van de jezuïeten publicatie ervan verbood en dat pas in 1991 gepubliceerd kon worden. Het is een diepgaand onderzoek naar de de methode van de katholieke theologie, die in de jaren 1930-1950 onder Franstalige theologen werd ontwikkeld. Na enkele jaren theologie te hebben gedoceerd aan de jezuïeten-faculteit van Maastricht trad hij in 1964 in dienst van het Hoger Katechetisch Instituut in Nijmegen en werd hij tevens benoemd tot hoogleraar dogmatiek aan de theologische faculteit van de Katholieke Universiteit aldaar. Edward Schillebeeckx was er zijn naaste collega. Schoonenberg was de auctor intellectualis van de Nieuwe Katechismus, die het Katechetisch Instituut na het Tweede Vaticaans Concilie vervaardigde in opdracht van de Nederlandse Bisschoppenconferentie. In de jaren 1955-1962 werkte hij aan een breed opgezette dogmatische studie over de apostolische geloofsbelijdenis 'Het geloof van ons doopsel', dat hij echter nooit zou voltooien, omdat hij inmiddels tot andere inzichten was gekomen. Verder leverde hij een bijdrage aan 'Mysterium Salutis, dogmatiek in heilshistorisch perspectief', een dogmatisch overzichtswerk in 8 delen. Hij werd meerdere malen door de congregatie van de Geloofsleer in Rome gewaarschuwd, met name om zijn Christologie.

Methode[bewerken]

Schoonenberg distantieerde zich als theoloog van de rationalistische theologie, zoals die op de grootseminaries aan de hand van neothomistische handboeken werd gedoceerd. In zijn theologiseren werkte hij volgens een vaste 'positieve' methode: eerst teruggaan naar de Schrift en de geschriften van de kerkvaders en van daaruit bezien hoe de traditie zich hieruit ontwikkeld heeft. In zijn benadering van de dogmatiek werd hij beïnvloed door de Nouvelle Théologie waarin het middeleeuws essentialistisch denken, plaatsmaakt voor een meer dynamische en existentiële benadering. Het theologisch spreken over God is volgens Schoonenberg altijd een spreken van 'onderop' en de overgeleverde geloofsformules kunnen daarom niet als onveranderlijke waarheden worden beschouwd, maar moeten geïnterpreteerd worden vanuit hun historische, vaak polemische of apologetische context. Dit betekent niet dat Schoonenberg universele geloofsformules afwijst, maar van mening is dat zij slechts volledig begrepen kunnen worden wanneer men teruggaat naar de bronnen en ziet wat men hiermee destijds beoogde. Kenmerkend is de zin uit het artikel 'Christus 'van boven' en de 'Christologie 'van beneden' (1992): 'Openbaring is veeleer het aankomen van Gods werking van boven op zodanige wijze dat ze (reeds door de eerste ontvangers ervan) geïnterpreteerd kan worden, dat wil zeggen van beneden af verstaan kan worden, als zich van boven af voltrekkend.'

Zijn motivatie voor zijn hermeneutische methode is drieledig.

  • Allereerst is Schoonenberg bezorgd om de verstaanbaarheid van de heilsboodschap voor de moderne mens. Het is de taak van de Kerk en de theologie de boodschap zo te verwoorden dat zij in het heden betekenis kan genereren.
  • Daarnaast is hij ervan overtuigd dat de Heilige Schrift geen wetenschappelijke bespiegeling, historische beschrijving van gebeurtenissen of zuiver wijsgerig speculatie over 'eeuwige waarheden' kan zijn, maar een heilsinterpretatie is van de menselijke existentie die als doel heeft om een boodschap mee te delen voor vandaag.
  • Ten slotte is hij van mening dat uit de ware menselijkheid van Zoon volgt dat elk kerkelijk, dogmatisch of schriftuurlijk spreken over deze mens historisch, taalkundig en cultureel gesitueerd is en een antwoord poogt te geven op bepaalde vragen in die situatie. Wil men de betekenis van dit spreken voor de huidige mens blootleggen, moeten deze uitspraken allereerst binnen hun context worden geplaatst en begrepen. Dit betekent echter niet dat God enkel als immanentie zou bestaan. In 'De Christus van boven en de christologie van beneden' schrijft Schoonenberg: 'een louter binnenwereldlijke Drieëenheid is er nooit geweest. Gods Drieëenheid is zijn eigen wezen en tegelijk zijn weg naar ons. 'Reeds vóór alle eeuwen ons verleend, is zijn genade nu openbaar geworden door de Verschijning van onze Heiland Christus Jezus' (Titus 1,9). De hemel altijd geopend naar de aarde, en de aarde ten diepste altijd open naar de hemel, zij zijn in volheid samengekomen in de Christus, die van boven én beneden is'. Evenmin wordt hiermee alle leerstelligheid afgewezen. Het christendom is, volgens Schoonenberg, een boodschap, die in tweede instantie zijn uitdrukking vindt in een juiste leerstellige formule. Een zekere waardering voor de orthodoxie vormt daarom 'het fundament van onze expliciete christelijke werkzaamheid' en 'een voortdurende inspiratie voor het christelijk handelen'. Orthodoxie vormt een uitgangspunt voor de orthopraxie en verder ook weer een bezinning op dit handelen. Niettemin is in Schoonenbergs denken de orthodoxie in zeker opzicht ondergeschikt aan de orthopraxie.

De Zonde[bewerken]

Volgens Schoonenberg kan men alleen zinvol over verlossing spreken, wanneer men een idee heeft van het kwaad. Een dogmatische verduidelijking van het kwaad vormt zodoende een inleiding op de verlossing in Christus. Een centraal thema in de theologie van Schoonenberg is daarom de herkomst en aard van de zonde. De zonde is allereerst een bondsbreuk. Volgens Schoonenberg spelen theologen die menen dat iemand in een staat van doodzonde de heiligmakende genade behoudt een volledig irreëel begrippenspel en gaan zij voorbij aan het feit dat iedere zonde een bovennatuurlijke, ontische en personale kant heeft. Een persoon die een doodzonde begaat verspeelt de heiligmakende genade en valt terug in de situatie van de dood en de eenzaamheid. De doodzonde sluit bovendien niet alleen de bovennatuurlijke liefde, maar ook de natuurlijke liefde uit. Volgens Schoonenberg vernietigt de zonde de vrije wil niet, maar zij zorgt ervoor dat de wil een ruimte en gemeenschap mist waarin het tot echte deugd kan komen, hoewel zij in staat blijft tot het beperkte goede. De zonde straft zichzelf, zij valt samen met haar straf. De straf is niet zoals in de juridische orde iets wat van buiten op de daad volgt. Hoewel de daad in zekere zin voorbijgaand is, is de toestand van zonde blijvend, daar een daad meer is dan zijn uiterlijke verschijningsvorm of haar omschreven inhoud. Na de moord blijft de haat, de wanorde leidt tot ongeregelde hartstochten. Schoonenberg ontstijgt zo een oppervlakkig dadenmoralisme en legt de dieptedimensie van de zonde bloot. De zonde brengt de mens in een toestand van zonde. Daarom houdt de katholieke kerk vast aan de leer van de tijdelijke zondestraffen en de uitboeting daarvan in het vagevuur.

De Erfzonde[bewerken]

Volgens Schoonenberg is de erfzonde geen hypothese of een onbeduidend gegeven dat alleen zou bestaan zonder de verlossing. Zij is een werkelijkheid die niemand kan ontkennen. Hij stelt op basis van de kerkelijke leer vast dat de erfzonde drie aspecten kent. Deze aspecten vormen ook zijn uitgangspunten.

  • Kwantitatief: De erfzonde is een situatie van de hele mensheid. Ieder mens die niet verlost is door Christus is hieraan onderworpen.
  • Kwalitatief: De erfzonde betreft niet een bepaalde zedelijke of godsdienstige waarde, maar de bron van alle waarden. Zij is dus een toestand van onmacht om goed te handelen.
  • Bovennatuurlijk: De erfzonde is het gevolg van een val uit de bovennatuurlijke liefde, door een verbroken verbond tussen God en mens, waardoor deze mens niet langer in staat is deze gemeenschap door te geven aan volgende generaties. Zij is dus niet een gevolg van een tekort aan religie, van daden tegen God of de medemens of van een zondige houding (habitus), die alle tot de persoonlijke zonde behoren.

Het feit dat de erfzonde onderscheiden moet worden van een personalistische of existentiële zonde betekent echter niet dat personele categorieën vervangen moeten worden door naturale, anders zou zij haar gesitueerde karakter verliezen. Schoonenberg zoekt daarom naar een opvatting van de zonde die recht doet aan zowel de naturalistische, existentiële, existentialistische, personele aspecten. Zo moet de erfzonde niet alleen worden verstaan als iets dat alleen biologisch (via de voortplanting) wordt doorgegeven, zoals bij Augustinus, maar veeleer als een 'condition humaine', als scheve maatschappelijke en intermenselijke structuren die over de generaties heen in stand worden gehouden en die een 'solidariteit van het kwaad' scheppen. Het monogenisme, de idee dat de erfzonde 'genetisch' is terug te voeren op de stamvader (Adam) en Eva is niet wezenlijk verbonden met de leer over erfzonde. Hij verzet zich daarom tegen een eenvoudige historisering van het verhaal van de zondeval in Genesis. Op basis van de Schrift kan de niet-fysieke overdracht van de erfzonde niet worden uitgesloten. Zo moet het 'ben'adam' uit Genesis niet vertaald worden met 'zoon van Adam', maar eenvoudigweg met 'mensenkind', zodat hiermee eerder een menselijke situatie lijkt te worden aangeduid dan een genetica. Schoonenberg wijst erop dat de encycliek 'Humani Generis', waarin de kerk de monogenetische opvatting wordt hernomen, niet een uitspraak is van het kerkelijk leergezag op het hoogste niveau.

De Schrift[bewerken]

Schoonenberg had als dogmaticus een bijzondere liefde voor de de heilige Schrift, in het bijzonder voor de boeken het Oude Testament. Hij toont zich hierin een tegenstander van de vervangingstheologie die stelt dat het Oude Verbond met de komst van Christus is komen te vervallen. Tussen de geschriften van het Oude en Nieuwe Testament ziet Schoonenberg eerder een continuïteit, dan een radicale breuk. Zo is hij van mening dat het optreden en de verkondiging van Jezus alleen binnen het Oude Verbond op volledige wijze te begrijpen is. Het hele leven van Jezus' staat onder dit Verbond. Begrippen als 'tempel', 'koningschap' en 'belofte' moeten binnen het joodse paradigma verstaan worden. Hiermee zette hij zich af tegen de theologen die vonden dat het Nieuwe Testament en Oude in zekere zin overbodig had gemaakt of die in het Oude Testament niet meer dan een onvolmaakte afspiegeling van het Nieuwe Testament zagen. De theologie zou volgens Schoonenberg de scholastische begrippen moeten afleggen en weer moeten terugkeren naar de begrippen van het Oude Testament. Hierdoor zou het christelijk leven, naast een leven vanuit de voltooiing, weer een 'uitzien' en 'belofte' worden, een verlangend uitzien naar de wederkomst van Christus.

De Kerk[bewerken]

Het meest cruciale probleem van de moderne Kerk was volgens Piet Schoonenberg de wijze waarop het gezag binnen de Kerk functioneert en de verhouding tussen het ambtelijk en persoonlijk gezag. Hij was een voorstander van een minder feodale, minder anonieme kerk, hoewel hij ook ernstige bedenkingen had bij het versterken van de lokale kerken, omdat hij bang was dat er in plaats van de romeinse curies niet allerlei curies van plaatselijke bisschoppen zouden ontstaan. Hij was daarom ook een tegenstander van het verabsoluteren van de moeilijkheden met Rome, aangezien Rome in het verleden ook een matigende invloed had t.o.v. de plaatselijke kerkelijke potentaten. Volgens Schoonenberg zullen gezagsdragers moeten leren leven met een compromis, omdat zowel de plaatselijke pastorale verantwoordelijkheid als de eenheid van de Kerk behouden moeten worden. Het compromis is echter slechts een tijdelijke oplossing en kan niet worden beschouwd als 'representatief voor de fundamentelere werkelijkheid van de dialoog'. Het is een tijdelijke overeenkomst in afwachting van een oplossing die de 'volledige vrijheid van de ander respecteert'.

Over de toekomst van de kerk in Nederland schreef hij: 'ik ben ervan overtuigd dat datgene waarvoor nu in Nederland en in andere landen gestreden wordt, uiterst belangrijk is voor de gehele kerk, maar ik vraag me soms af, wat er over twintig jaar van het katholicisme in Nederland over zal zijn.'

De rol van de theologie[bewerken]

Theologie is voor Schoonenberg altijd een geloofsvertolking: zij moet doortrokken zijn van het geloof. Een theoloog moet daarom een man van gebed zijn. De theologie impliceert bovendien een diepe verbondenheid met de geloofsgemeenschap. Binnen deze geloofsgemeenschap is de theologie een kritische, maar loyale instantie in het leven en de verkondiging van de Kerk. De onderscheiding der geesten, het uitzuiveren van haar belijden en het ontmaskeren van valse profeten en leraren behoort tot haar charisma. Hoewel hiervoor vanzelfsprekend een grondige kennis van de letterlijke en historische interpretaties van de kerkelijke traditie vereist is, moeten theologen dit niet alleen doen op grond van wat altijd geweest is, maar op basis van 'een kennis die voortdurend tot nieuwe interpretatie leidt'. De interpretatie moet altijd zodanig zijn dat ze 'de belofte en aansporing van het evangelie' samenvat en een impuls geeft tot christelijke activiteiten in de wereld. De kerkelijke leer krijgt zodoende iets dynamisch. Het is, volgens Schoonenberg, taak van de theologen om de leer van de Kerk steeds opnieuw te formuleren als een levende evangelische boodschap en niet als een onbeweeglijke verzameling verklaringen over het wezen der dingen. Hiervoor is een nauwere relatie tussen de christelijke moraal en de dogmatiek noodzakelijk. Handelen en belijden moeten, volgens Schoonenberg, voortdurend op elkaar betrokken zijn. De keuze tussen God en de mens moet hierbij als een vals dilemma worden gezien: de liefde voor God en de ander kunnen niet gescheiden worden; door de liefde voor de ander komt de mens pas tot zichzelf en tot God. Tijdens zijn afscheidscollege in 1977 aan de Katholieke Universiteit Nijmegen zei hij: 'omdat wij geheel en al op de ander gericht zijn, is de liefde tot de ander onze diepste zelfvervolmaking en kunnen wij, omgekeerd, onze zelfvervolmaking ten diepste alleen verwerkelijken door in liefde naar de ander uit te gaan'. Uitgangspunt hierbij is een houding van verwondering: 'de verwondering om het zijn kan zo de dank in zich dragen, en hier opent zich het perspectief op een gebed dat de soevereine en liefdevolle majesteit Gods herkent in de mildheid der aarde, in de liefde van mensen en bovenal in de uitnodiging om zelf lief te hebben, gedragen door de verlossende liefde van Jezus Christus.'

Kritiek uit Rome[bewerken]

Schoonenberg werd meermaals berispt door de Congregatie voor de Geloofsleer. Met name zijn christologie, zoals uiteengezet in zijn laatste werk 'De Geest, het Woord en de Zoon' moest het ontgelden. Publicatie ervan werd aanvankelijk verboden. Pas in 1991 kwam er dankzij enkele Leuvense theologen een uitgave van dit werk. [1] [2] . Overigens was Schoonenberg van mening dat theologen nooit het laatste woord konden hebben. In zijn inaugerele rede van 1965 zei hij: 'de theoloog moet beseffen dat zijn denken een schakel is in een rijpingsproces, en ook dat het een verkeerde schakel kan zijn. Daarom spreek ik uit innerlijke overtuiging als ik zeg dat u mijn voorstelling van het bovennatuurlijke kritisch moet beluisteren. Zeker moogt U zich de vraag stellen of hier Gods heilshandelen niet wordt ingesloten binnen menselijke kaders'. Hoewel hij door behoudende katholieken samen met zijn collega in Nijmegen Edward Schillebeeckx O.P. vaak smalend S&S werd genoemd, heeft Schoonenberg nooit willen deelnemen aan de richtingenstrijd binnen de katholieke kerk. Hoewel hij in veel opzichten een vooruitstrevend theoloog genoemd kan worden, is zijn theologie nooit echt populair geworden, zoals die van Schillebeeckx. Zijn interesse voor de zonde en eschatologie is hier vermoedelijk mede debet aan. Zelf noemde Schoonenberg zichzelf conservatief. Altijd probeerde hij binnen de kaders van de kerkelijke leer te denken, hoewel hij vaak de grenzen hiervan opzocht door zich af te vragen hoe deze leer geïnterpreteerd diende te worden. Evenmin zocht Schoonenberg veelvuldig de media op om uit te halen naar het Vaticaan. Toen Rome de publicatie van een boek verbood, trok hij zich terug in stilte. Na zijn emeritaat hield Schoonenberg nog geregeld gastcolleges en overwegingen in Amerika, Oostenrijk, België en elders.

Werken[bewerken]

  • Theologie als Geloofsverkondiging, 1948
  • Het geloof van ons doopsel, (4 delen) 1955-58
  • God of mens: een vals dilemma, Inaugurale rede, 1965
  • Hij is een God van mensen, 1966
  • De Mens in zonde, in: Mysterium Salutis, 1967
  • Auf Gott hin denken, 1986
  • De geest, het woord en de zoon, 1991
  • De Christus 'van boven' en de christologie 'van beneden', 1992

Noten[bewerken]

  1. Piet Schoonenberg sj, www.jezuieten.org
  2. Piet Schoonenberg, www.trouw.nl

Externe link[bewerken]