Poëtica

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De term poëtica is afkomstig van het Griekse πoιησις (poësis, poëtica). De betekenissen van het originele Griekse woord zijn:

  1. het maken, vervaardigen
  2. het scheppen van beelden en voorstellingen
  3. dichten, dichtkunst

Poëtica heeft dus als grondbetekenis: de visie en werkwijze van een kunstenaar. In het bijzonder geldt dit voor een schrijver of dichter. Het verwijst dus naar het geheel van opvattingen die een schrijver heeft over wat literatuur of poëzie moet zijn.

Wat poëzie inhoudt hebben dichters vaak neergelegd in een geschrift. Het eerste en bekendste is Peri poiètikès (Over de dichtkunst) van Aristoteles. Een ander bekend voorbeeld is de brief Ad Pisones (Aan de familie Piso) van Horatius. Daarin zet Horatius zijn opvattingen over literatuur en poëzie uiteen. Horatius' brief is dan ook bekend geworden als de Ars Poetica.

Bij de studie van de poëtica van een dichter onderscheidt men 'versexterne' (poëticale geschriften, brieven, kritieken) en 'versinterne' poëtica (die blijkt uit de gedichten zelf).

Soorten[bewerken]

Traditioneel onderscheidt men vier poëtica's, al zijn indelingen als deze uiteraard altijd enigszins artificieel en doen ze niet altijd recht aan de complexiteit van poëtische teksten. Deze vier types moeten daarom als een soort 'polen' worden beschouwd, waartussen allerlei mengvormen, hybrides en oncatalogeerbare dingen bestaan.

mimesis 
kenmerken: centraal staat de eis om een realistische uitbeelding (Aristoteles, cf. Realisme)
pragmatisch 
kenmerken: essentieel is de (morele) les die de lezer leert (Horatio, cf. Naturalisme)
expressief 
kenmerken: de uitdrukking van het gevoel, de dichter staat vaak centraal (Willem Kloos, cf. Romantiek)
autonoom, objectivistisch 
kenmerken: de tekst wordt autonoom bestudeerd, los van de context (New Criticism, cf. Modernisme, Postmodernisme).