Web 2.0

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tim O'Reilly bedacht de term Web 2.0 om een nieuwe fase in het internetgebruik aan te duiden.
Andrew Keen schrijft in zijn boek The Cult of the Amateur kritisch over vrije, gebruikers-gebaseerde informatie-verzamelende websites zoals Wikipedia. Als alternatief verwijst hij naar Citizendium van Larry Sanger. De kritiek op Wikipedia stelt dat iedere amateur of leek inhoud kan toevoegen zonder dat dit gecontroleerd of geredigeerd wordt door iemand met een grondige kennis van zaken op het betreffende gebied.

Web 2.0 verwijst naar de ontwikkeling van internet tot een interactief medium waarbij ook doorsneegebruikers informatie kunnen uploaden en niet enkel downloaden. Internetgoeroe Tim O'Reilly bedacht de term en situeert de omslag omstreeks 2001, na het uiteen spatten van de internetzeepbel van het Web 1.0. Bij die aanvankelijke populariteit van het internet hoorde een 'nieuwe' economische euforie die eind jaren negentig in de dotcomhype eindigde. Web 2.0 is geen synoniem voor het semantische web, zoals soms wordt aangenomen.

Iedereen auteur[bewerken]

Met Web 2.0 bepalen de internetgebruikers mee de inhoud die op internet verschijnt en ze verhogen zo het interactieve karakter van het web. Deze user-generated content wordt verzameld op sociaalnetwerksites zoals het Nederlandse Hyves of het Belgische Netlog, op weblogs, wiki's, podcasts, RSS-feeds, webvideo en webservices met open API's. Voorbeelden van toepassingen zijn Reddit, YouTube, Facebook, Dailymotion, Flickr, Panoramio, Netvibes, Orkut, MySpace, Last.fm, Delicious, Digg, Pandora, Wikipedia en Twitter.

Veel Web 2.0-websites worden continu uitgebreid en veranderd en blijven in de ontwikkelingsfase of bètaversie hangen. Soms tot grote ergernis van de gebruikers die zich steeds weer bij alle veranderingen (die niet altijd verbeteringen zijn) moeten aanpassen. Voor de meeste van deze sites geldt echter dat ze gratis zijn en in 'ruil' daarvoor veel informatie over hun gebruikers verzamelen omwille van de commercie. Hierbij geldt de regel dat waar zaken gratis zijn, jij het product bent.

Voor en tegen[bewerken]

Pleitbezorgers van het Web 2.0 zijn de oprichter van Wikipedia Jimmy Wales, de digitaal activist en vormingswerker Ndesanjo Macha, de filosoof Charles Leadbeater. De schrijver Andrew Keen en de voormalige hoofdredacteur van de Encyclopaedia Britannica Robert McHenry bekijken het interactieve internet eerder sceptisch.

Techniek of attitude?[bewerken]

Waar Web 1.0 eenvoudige HTML gebruikt, breidt de Web 2.0-techniek die uit met XML, JavaScript en server-side scripting (meestal in de vorm van PHP). Web 2.0 is een interactief communicatiemedium. Interactieve applicaties worden vaak ontworpen met AJAX, dat gebruik maakt van XHTML, CSS, Document Object Model (DOM), XML, XSLT en JavaScript XMLHttpRequest. Ajax geeft gebruikers het gevoel dat ze met een desktopapplicatie werken. Ajax communiceert met een webserver, vaak servers die een scripttaal als PHP, JSP, ColdFusion of Ruby geïnstalleerd hebben. Als de server dan een antwoord stuurt, dat zowel in XML en JSON als in HTML kan zijn, past JavaScript een gedeelte van de pagina aan. Een vroege website die Ajax gebruikte en als een typische Web 2.0-site gezien wordt, is Googles Gmail.

Betrouwbaarheid[bewerken]

De overvloed aan informatie die hierdoor is ontstaan, is niet altijd even betrouwbaar. Nieuwsfeiten via Twitter zijn vanuit het standpunt van de toeschouwer geschreven. Meer dan bij traditionele journalistiek geldt bij Twitter "één bron is géén bron". Sceptici zien dit als het nadeel van Web 2.0: het ontbreken van academische referenties. Niettemin staat daar tegenover een peerreviewsysteem dat zou leiden tot verfijning en correctie. Wikipedia is een bekend voorbeeld: iedereen is vrij om te bewerken en te verbeteren.

Profiel[bewerken]

De interactieve sites vragen telkens weer de aanmaak van een profiel. Een online profiel toont al dan niet via nicknames wie een gebruiker is. Het vele aanmelden is soms een knelpunt: de diverse profielen, nicknames, wachtwoorden en digitale identiteiten worden als onpraktisch ervaren. Identity 2.0-diensten zoals OpenID en Windows CardSpace koppelen websites en geven de gebruiker één login. Tegenstanders zien gevaren in het onderbrengen van al deze gegevens bij een enkele partij.

Ontwikkeling in de tijd[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Hugo Callens, Sociaal-cultureel werk, nieuwe media en digitale competenties. In: Cockx F., De Blende H. & Van den Eeckhout G. (Ea.), (Eds.), Wissels. Handboek sociaal-cultureel werken met volwassenen. Steunpunt sociaal-cultureel volwassenenwerk, Socius & Academia Press, Gent, 2011.
  • Manuel Castells, The information age: economy, society and culture. Volume I. The Rise of the network society. Blackwell Publishers, Oxford, 2003.
  • Tom de Mette, In de mix: het sociaal cultureel volwassnenewerk draait door. In: Cockx F., De Blende H. & Van den EECKHOUT G. (Ea.), (Eds.), Wissels. Handboek sociaal-cultureel werken met volwassenen. Steunpunt sociaal-cultureel volwassenenwerk, Socius & Academia Press, Gent, 2011.
  • Debbie Esmans & Dirk de Wit, E-Cultuur. Bouwstenen voor praktijk en beleid, Acco, Leuven, 2006.
  • Donna Haraway, Een cyborg manifest. De balie, Amsterdam, 1994.
  • Andrew Keen, The Cult of the Amateur, in het Nederlands vertaald als De @-cultuur Meulenhoff, Amsterdam, 2008.
  • Angelo Vermeulen & Antoon van den BraembusscheBaudelaire in cyberspace. Dialogen over kunst, wetenschap en digitale cultuur. ASP, Brussel, 2008.
  • Benedict Wydooghe. Flaneren in cyberspace. De metaforische weg naar digitale cultuurparticipatie. In: Cockx F., De Blende H. & Van den Eeckhout G. (Ea.), (Eds.), Wissels. Handboek sociaal-cultureel werken met volwassenen. Steunpunt sociaal-cultureel volwassenenwerk, Socius & Academia Press, Gent, 2011.