Yukio Mishima

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Yukio Mishima

Yukio Mishima (Japans: 三島由紀夫, Mishima Yukio) (Shinjuku, 14 januari 1925 - 25 november 1970) was een Japans schrijver en politiek activist. Hij werd geboren als Kimitake Hiraoka (Japans: 平岡公威, Hiraoka Kimitake), en schreef romans, toneelstukken, essays, gedichten en een libretto. Mishima is bekend om zowel zijn nietsontziende naoorlogse geschriften als de omstandigheden rondom zijn zelfmoord.

Mishima was de zoon van Azusa Hiraoka, vicedirecteur van het Ministerie van Visserijen in het Ministerie voor Landbouw, en Shizue Hara. Hij werd in zijn jonge jaren erg beïnvloed door zijn grootmoeder Natsu. Zij haalde hem uit zijn familie, en stimuleerde zijn interesse in het Kabuki-theater en het idee van een elitegeschiedenis.

Mishima deed het goed op de elitaire Peers School, en behoorde tot het literaire milieu. Hij had een zwak gestel en er zou ten onrechte tuberculose bij hem zijn vastgesteld, waardoor hij - zoals hij achteraf te kennen gaf zeer tegen zijn zin - tijdens de Tweede Wereldoorlog niet de militaire dienstplicht hoefde te vervullen. In 1947 studeerde hij af in de rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Tokio. Hierna werkte hij bij het Ministerie van Financiën, maar nam binnen een jaar ontslag om zich volledig aan het schrijven en ook aan fysieke training te kunnen wijden: de "weg van de pen" en de "weg van het zwaard", zoals ook de samoerai die kenden in de Japanse geschiedenis: die waren geduchte strijders, maar ook vaak fijngevoelige dichters. Door fanatieke beoefening van karate, kendo en bodybuilding veranderde hij van een zwakke knaap in een fiere vent, met een homo-erotisch maar ook masochistisch getinte belangstelling. Hij schreef Kamen no kokuhaku (Bekentenissen van een gemaskerde), een autobiografisch werk over een jonge homoseksueel die zich achter een masker moet verschuilen om in de samenleving te passen. Dit werk is ook in het Nederlands vertaald, net als onder meer Het gouden paviljoen en Een zeeman door de zee verstoten.

In de jaren zestig schreef Mishima een aantal van zijn meest succesvolle romans die door de literatuurcritici goed werden ontvangen. Ook speelde hij in films. Hij werd in deze periode drie keer genomineerd voor de Nobelprijs voor de Literatuur.

In zijn belangrijkste essay, Bunka beiron (Een verdediging van cultuur), beargumenteerde hij dat de keizer van Japan de bron was van de Japanse cultuur, waardoor de keizer verdedigen dus gelijk stond aan de Japanse cultuur verdedigen. Hij vormde zijn eigen privéleger, de Tatenokai (Gilde van het Schild), om de keizer te beschermen. Hij verzette zich tegen de invloed van de westerse (met name Amerikaanse) cultuur in Japan en de daarmee samenhangende teloorgang van oude Japanse waarden en vond dat het ethos en de oude erecode van de samoerai moesten worden hersteld, inclusief die van de eervolle zelfdoding, waarover hij een boekje schreef. Hij werd hierin slechts door weinigen serieus genomen; velen vonden hem een poseur.

Op 25 november 1970 bezetten Mishima en leden van de Tatenokai het hoofdkantoor van de Japanse Zelfverdedigingskrachten in Tokio. Hij verlangde dat het leger naar zijn toespraak luisterde, maar de soldaten waren niet geïnteresseerd in zijn ideeën. Mishima en één van zijn volgers pleegden daarop seppuku, rituele zelfmoord, tot ontsteltenis van de velen die zijn eerdere ontboezemingen daarover als aanstellerij hadden afgedaan. Na het zichzelf verwonden van zijn onderbuik met een tanto, werd hij onthoofd door zijn vriend Isho Morita die daarna zelfmoord pleegde.[1]

De punkrockband The Stranglers verwijst expliciet naar Mishima in het nummer Death And Night And Blood op hun LP Black And White uit 1978.

In 1985 is een film uitgebracht over zijn leven, Mishima - A Life In Four Chapters, door Paul Schrader, met muziek van Philip Glass. Op 1 September 2001 bracht Margueritte Yourcenar het boek Mishima of Het Visioen van de leegte uit over leven, werk en dood van Mishima.

Nederlandstalige Bibliografie[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Gavin J. Fairbairn (1995) Contemplating Suicide: The Language and Ethics of Self-harm, New York, Routledge, p. 146