Adolf II van Nassau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Adolf II van Nassau
1423-1475
Aartsbisschop van Mainz
Periode 1462-1475
Voorganger Gerlach van Nassau
Opvolger Lodewijk van Meißen
Vader Adolf II van Nassau-Wiesbaden-Dietz
Moeder Margaretha van Baden

Adolf II van Nassau (rond 1423 - Eltville am Rhein, 6 september 1475) was tussen 1462 en 1475 aartsbisschop van Mainz.

Hij werd rond 1423 geboren als zoon van graaf Adolf II van Nassau-Wiesbaden-Dietz en Margarete van Baden.

Bij de verkiezing van de aartsbisschop van Mainz in 1459 door het Kapittel van Mainz verloor Adolf nipt van de tegenkandidaat, Diether van Isenburg. Maar Diether werd reeds twee jaar na zijn benoeming door Paus Pius II afgezet, wegens zijn opstandige houding tegenover kerk en keizer. Tegelijkertijd stelde de paus Adolf II van Nassau als nieuwe aartsbisschop aan. Omdat het kapittel trouw bleef aan Diether, moest Adolf zijn toevlucht nemen tot geweld, en volgde er een bloedige strijd tussen de twee partijen.

Die verwoestende, bloedige en geldverslindende Mainzer Stichtsvete duurde een jaar en piekte op 28 oktober 1462, toen Adolfs troepen Mainz binnenvielen en rond en om 500 mensen over de kling joegen; 400 anderen werden uit de stad verdreven. De verslagen Diether zette echter pas een jaar later een stap achteruit : in de Vrede van Zeilsheim verzaakte hij aan de Mainzer aartsstoel, in ruil voor een aanzienlijke som geld en een eigen klein vorstendommetje dat hoofdzakelijk bestond uit de stadjes Höchst, Steinheim en Dieburg.

Adolf II liet zich daarna de in 1244 door Siegfried III van Eppstein verleende Grote Vrijheidskeure bezorgen, die hij samen met alle sindsdien uitgereikte privileges annuleerde, waarmee effectief een eind kwam aan het bestaan van de Vrije Stad Mainz.

In 1470 besliste hij tot het verdrijven van alle joden uit het aartssticht, dat wil zeggen uit de wereldlijke gebieden van de aartsbisschop.

Na zijn dood werd hij bijgezet in het klooster van Eberbach in Eltville. Zijn oude rivaal Diether van Isenburg volgde hem op.