Alois Miedl

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Alois Miedl

Alois Miedl (München, 3 maart 1903 - 4 januari 1990) was een Duitse kunsthandelaar, speculant en vriend van Rijksmaarschalk Hermann Göring. Miedl heeft weliswaar in de Tweede Wereldoorlog Joodse families geholpen en hij was zelf met een Joodse vrouw getrouwd, maar hij had ook duidelijk nazisympathieën. Hij profiteerde van de oorlog door grote winsten te behalen in kunsthandel met Duitsers, waarbij hij zich in het bijzonder beijverde voor de verzamelingen van Göring en van Hitler. Bekend is dat Miedl al in een vroeg stadium van de bezetting druk uitoefende op Joodse kunstbezitters om hen te bewegen tot verkoop via hem aan Göring.[1]

Zijn vroege leven[bewerken]

Alois Miedl werd in 1903 in München geboren als zoon van Alois Miedl en Maria Streicher. Zijn vader had een melkveebedrijf. Alois Miedl trouwde met Theodore (Dori) Fleischer, een Joodse vrouw met wie hij twee kinderen kreeg. Van 1920 tot 1924 werkte Alois als volontair aan de bank van de Joodse bankiers Heinrich en Hugo Marx in München,[2] en werkte van 1924 tot 1929 bij de bank Johannes Witzig & Co., eveneens in München. In 1930 werd hij directeur van de Berlijnse Schantung-Handelsgesellschaft,[3] en in 1932 verhuisde hij naar Nederland, en werd eigenaar van de Buitenlandse Bankvereeniging.[4] Tegelijkertijd was hij directeur van een aantal bedrijven in Duitsland en elders.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Voor de oorlog bezochten de Miedls de rijkste Joodse families in Amsterdam.[5] Miedl was tevens een vriend van prominente nazileiders, waaronder Hermann Göring[6]. Hij verbleef zelfs meerdere malen in Hitler's woonhuis Berghof in Berchtesgaden.[7] De Miedls organiseerden gala's in hun huis om de verjaardag van Hitler te vieren, waarbij Miedl een SS-uniform droeg en prominente leden van de Nederlandse Gestapo te gast waren.[8]

Vanaf het begin van de oorlog probeerde Miedl kunstwerken van Joodse eigenaren te verwerven. Veel Joden die geen uitweg zagen, stemden daarmee in.[7][9] Miedl handelde niet alleen in kunst, maar kreeg zo ook andere waardevolle zaken in handen. Hij bood ook een aantal Joden bescherming aan als een vorm van zakelijke transactie, waardoor hij een tiental Joden van deportatie en een bijna zekere dood redde. Maar in andere gevallen had hij er geen probleem mee om Joodse medewerkers te laten deporteren. Zo zijn twee Joodse administrateurs in 1943 overgebracht naar Theresienstadt en daar overleden.[8]

Hermann Göring verlaat de kunsthandel Goudstikker (1941)

Nadat de beroemde verzamelaar Jacques Goudstikker in 1940 was verongelukt tijdens zijn vlucht uit Nederland kochten Miedl en Göring, overigens tegen de wil van Goudstikkers weduwe die de meerderheid van aandelen vertegenwoordigde, zijn vastgoed en zijn collectie van 1300 oude meesterwerken en andere kunstwerken op. Hermann Göring nam 600 meesterwerken over. Alois Miedl verwierf de rest van de kunstwerken en Goudstikkers kunsthandel aan de Herengracht 458, het kasteel Nijenrode en de Buitenplaats Oostermeer in Ouderkerk aan de Amstel, waar hij in welstand zou leven. Hij betaalde alles bij elkaar 2 miljoen gulden, wat slechts een fractie van de werkelijke waarde was op dat moment. Onder de schilderijen die aan Göring werden verkocht waren werken van Rembrandt, Salomon van Ruysdael, Hans Memling, Lucas Cranach de Oude, Gerard ter Borch, Jacopo del Casentino en Frans Hals. De werken die Miedl zelf hield omvatten o.a. Rembrandt's Jonge man met een zwaard, welke hij in 1944 in Duitsland verkocht om een ​​lening af te betalen.[10]

Hij gebruikte de reputatie van Goudstikker voor zijn handel. In ruil daarvoor kwam hij met Göring overeen dat het aan Goudstikker's moeder betaalde bedrag en haar leven vrij van beslagname cq deportatie bleven. Door de overeenkomst overleefde zij de oorlog.[7]

Medio 1940 kocht Miedl van de Kunsthandel Katz een groot aantal schilderijen. Na de oorlog verklaarde Benjamin Katz over het verloop van de besprekingen: "De Heer Miedl heeft op mij en mijn broer (Nathan Katz) nooit dwang uitgeoefend om schilderijen te verkoopen, die mijn broer en/of ik niet wilde verkoopen." In 1941 zouden Nathan Katz en zijn gezin door Miedl zijn geholpen om te ontsnappen tijdens een razzia. Miedl zou hen in zijn huis hebben verborgen tot het weer veilig was om terug te keren naar Arnhem.[11] Van de collectie van de broers Wolf, die Nederland ontvluchtten, kocht hij meerdere schilderijen voor de verzameling van Göring, waaronder een Vincent Van Gogh, een Tintoretto en een Joos van Cleve. Voor zichzelf verwierf hij de bank en de bioscoop die vroeger in het bezit van de broers waren. Van de Jood Friedrich Gutmann kocht hij drie 16-eeuwse zilveren bekers.[9] Andere verzamelingen die hij kocht, waren o.a. de Mannheimer collectie.[3] Tegelijkertijd met de collectie Goudstikker kocht Göring in mei 1940 van de joodse bankiers Lisser & Rosenkranz 19 oude meesterwerken uit de verzameling van de Nederlandse bankier Franz Koenigs. Ook hier functioneerde Miedl als tussenpersoon. Göring betaalde aan Miedl fl 500,000.- voor de 19 schilderijen, waaronder 11 van Rubens. De schilderijen van de Koenigscollectie waren voor de bank Lisser & Rosenkranz in commissie bij Jacques Goudstikker op de Herengracht 458 opgeslagen.[12]

Miedl handelde ook met niet-Joodse verzamelaars. Van de Belgische kunstverzamelaar Emile Renders kocht hij 12 oude Vlaamse werken, waaronder werken die werden toegeschreven aan Hans Memling en Rogier Van der Weyden. Zes werken werden verkocht aan Göring, de andere helft werd door Miedl behouden.[9][10] Met de in Nederland wonende Duitser Hans Tietje, die ook met een Joodse vrouw was getrouwd, handelde hij veelvuldig.

In 1942 kocht Miedl voor 1,65 miljoen Nederlandse gulden Christus en de overspelige vrouw, een schilderij door, zoals werd aangenomen, Johannes Vermeer maar eigenlijk een vervalsing van Han van Meegeren. Vervolgens verkocht hij het aan Hermann Göring in ruil voor een onbekend bedrag tezamen met 150 andere schilderijen, waarvan 54 oorspronkelijk uit de Goudstikkercollectie, in totaal ongeveer 2 miljoen gulden waard.[8][10]

Vlucht[bewerken]

In mei 1944[13] vluchtte Miedl naar Spanje, dat sterke banden met het Nazi-regime had. Een half jaar eerder had hij het grootste deel van zijn kunstcollectie naar dat land gestuurd, samen met zijn vrouw, die volgens hem, vanwege Görings tanende macht, niet meer veilig was in Nederland. Hij had een catalogus waaruit bleek dat hij over 200 werken beschikte, mogelijk werken van Göring, maar deze bleken uiteindelijk spoorloos. Tweeëntwintig schilderijen, waaronder verschillende schilderijen uit de Goudstikkercollectie, waren in de vrijhaven van Bilbao opgeslagen. Ze werden door Nederland teruggevorderd.[14] Een moeizame onderhandeling over de bestemming van de schilderijen volgde, tot de Spaanse overheid na een afwijkende interpretatie van de internationale afspraken over geroofde kunst in februari 1949 de goederen vrijgaf. Miedl nam de schilderijen en waardepapieren mee, waarop men ieder spoor verloor.[13] Andere schilderijen die door Miedl waren verworven, werden bewaard in banken in Berlijn en Zwitserland. Deze werken werden teruggevorderd door de Nederlandse overheid.[8][9][10]

In 1949 keerde Miedl onder vrijgeleide kort naar Nederland terug om inlichtingen te verschaffen over zijn handel in kunst in de oorlog.[15] Tevens diende Alois Miedl een verzoek tot ontvijanding in.[16] Dit verzoek werd niet gehonoreerd, maar toch heeft hij Amsterdam nog verschillende malen bezocht.[17]

In 1952 was hij waarschijnlijk nog in Spanje omdat op 10 december een rechtbank in Lausanne verzocht hem te ondervragen.[13] Tussen 1953 en 1957 hield hij zich in München op.[18] Hij handelde niet meer in kunst maar leefde van bankzaken.[17] In 1967 overleed zijn vrouw Dori. Volgens de advertentie woonde Alois Miedl toen in Beieren.[19] Hijzelf overleed in 1990.[8]

Wetenswaardigheden[bewerken]

  • De vrouw van Baldur von Schirach, Henriëtte, schreef in 1976 in haar memoires over Miedls kasteel aan het water dat ze daar alles aantrof waar je in Duitsland moeilijkheden mee kreeg: Duitsers die vanwege hun huwelijk met Joodse vrouwen door Göring waren overgeplaatst, achtergebleven toneelspelers van de Wehrmacht, journalisten, mensen met valse passen en valse namen.[17]
  • Petrus Rienstra van Stuyvesande zat in de directie van Miedls bank. Hij bracht Han van Meegeren in contact met Miedl voor de verkoop van de, naar later zou blijken, valse Johannes Vermeer Christus en de overspelige vrouw[20]
  • In 1956 eiste Miedl in München in een kort geding de stopzetting van de verkoop van een boek waarin hij 'ariseur' (rover) van de kunsthandel van Goudstikker werd genoemd. Hij kreeg daarvoor een schadevergoeding.[17]
  • In oktober 2002 werd door een privéverzamelaar een schilderij, Maria Magdalena van Anthony van Dyck, uit Miedl's verzameling van 22 schilderijen ter veiling gebracht.[21]