Anton Tsjechov

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Anton Tsjechov
Anton Tsjechov 1889
Anton Tsjechov 1889
Algemene informatie
Volledige naam Anton Pavlovitsj Tsjechov
Pseudoniem(en) Antosja Tsjechonte
Geboren 29 januari 1860
Overleden 15 juli 1904
Land Rusland
Beroep arts, schrijver
Werk
Jaren actief 1880 - 1904
Genre korte verhalen, toneel
Bekende werken De dame met het hondje, Zaal 6 (verhalen), De meeuw, Drie zusters (toneel)
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Anton Pavlovitsj Tsjechov (Russisch: Анто́н Па́влович Че́хов) (Taganrog, 29 januari 1860Badenweiler, 15 juli 1904) was een Russisch schrijver, voornamelijk van toneelstukken en korte verhalen. Met name als schrijver van korte verhalen wordt Tsjechov algemeen beschouwd als een der grootsten uit de literatuurgeschiedenis, door menigeen zelfs als de grootste.[1]

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

1860: Taganrog[bewerken | brontekst bewerken]

Anton Pavlovitsj Tsjechov werd geboren in Taganrog, een havenstad in Zuid-Rusland aan de zee van Azov, als derde zoon van een kruidenier die zich had vrijgekocht uit lijfeigenschap. In 1876 vluchtte zijn vader voor schuldeisers naar Moskou. Anton bleef in Taganrog om er het gymnasium af te maken. Drie jaar later, in 1879, voegde de jonge Tsjechov zich bij zijn familie in Moskou en startte met een studie medicijnen.

In een bekende brief aan zijn latere uitgever Soevorin, gedateerd 7 januari 1889, deed hij een schrijfsuggestie die op zijn eigen jonge leven betrekking leek te hebben:

Schrijft u eens een verhaal over hoe een jonge man, de zoon van een lijfeigene, een vroegere winkelier, zanger in de kerk, gymniast, daarna student, opgevoed in een geest van eerbied voor rangen, het kussen van de handen van de pope, het zich buigen voor de denkbeelden van anderen, dankje zeggend voor ieder stuk brood, vaak geslagen - hoe zo iemand, die zijn leerlingen bezocht zonder overschoenen aan, die veel vocht, dieren pestte, graag bij rijke familie ging eten en zonder enige noodzaak huichelde tegenover God en de mensen, slechts door het besef van eigen nietigheid, - schrijft U er eens over hoe die jonge man druppel voor druppel de slaaf uit zich wringt en, wanneer hij op een goede morgen wakker wordt, voelt dat in zijn aderen geen slavenbloed meer stroomt, maar echt mensenbloed...[2]

1879: Moskou[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf zijn studententijd in Moskou begon Tsjechov korte humoristische verhalen te schrijven, deels om bij te verdienen naast zijn studie. Geleidelijk groeide zijn succes: in 1880 werden negen van zijn verhalen gepubliceerd, in 1881 elf, in 1882 dertig en in 1883 meer dan honderd. Ook in 1884 was hij productief. Hij schreef 76 verhalen en zijn enige roman Drama op de jacht, die als feuilleton verscheen in een Moskouse verschijnt. In dat jaar verscheen ook zijn eerste verhalenbundel: Verhalen van Melpomene.

In 1884 studeerde hij af als arts. Hij heeft waarschijnlijk enige tijd een eigen praktijk in Moskou gehad, maar de inkomsten daarvan zullen die van zijn literaire werk meestal niet overtroffen hebben, omdat hij veel patiënten gratis hielp. Ook nadat hij zijn praktijk had gesloten en serieus werk was gaan maken van zijn schrijverschap, bleef hij van tijd tot tijd actief als arts – onder andere tijdens de choleraepidemie van 1892, ook weer onbezoldigd – totdat hij in 1897 naar Jalta verhuisde.

Tijdens zijn werk als arts kwam Tsjechov in contact met allerlei menselijke ellende, ziekte en dood, ervaringen die zijn kennis van de menselijke psyche verrijkten en die een belangrijke inspiratiebron voor zijn latere werk zouden worden.[5]

In de herfst van 1886 huurden de Tsjechovs het huis aan de Sodovaja-Koedrinskaja oelitsa dat tegenwoordig als het Moskouse Tsjechovmuseum dienstdoet. Vanwege de opvallende roodgekleurde voorgevel met twee erkers gaf Tsjechov het huis de bijnaam 'de ladenkast'.[7]

In 1886 bleef Tsjechov in hoog tempo doorschrijven en dit leverde klassiekers op als Agafja en De heks. Voor een deel verschenen de verhalen in de Petersburgse krant Novaja Vremja ("Nieuwe Tijd"), uitgegeven door Aleksej Soevorin, die hem had uitgenodigd om voor hem te gaan schrijven en die lange tijd een van Tsjechovs intiemste vrienden zou worden, totdat de vriendschap zo'n tien jaar later enigszins bekoelde. De verhalen werden ook opgemerkt door de destijds vermaarde schrijver Grigorovitsj, die in maart 1886 een brief aan Tsjechov schreef waarin hij hem aanspoorde zijn talent serieus te nemen.[8]

Tsjechov nam het advies ter harte en gunde zich voortaan meer tijd om zijn verhalen uit te werken. Een keerpunt in zijn schrijverscarrière vormde de novelle De steppe uit 1888, zijn eerste verhaal dat in een literair tijdschrift verscheen en waarvoor hij werd onderscheiden met de Poesjkinprijs van de Koninklijke Aademie van Wetenschappen. [9] In deze periode probeerde Tsjechov ook als toneelschrijver aan de bak te komen. In het Korsjtheater werden Ivanov en de eenakter De beer in 1888 met redelijk succes opgevoerd, maar zijn volgende stuk, De bosgeest uit 1889, werd aanvankelijk door alle theaters geweigerd. Hij zou dit toneelstuk later omwerken tot Oom Vanja. 1889 was ook het jaar waarin zijn broer Nikolaj op 31-jarige leeftijd overleed aan tuberculose.

1890: Sachalin[bewerken | brontekst bewerken]

In 1890 reisde Tsjechov naar het verbanningseiland Sachalin, waar zich een strafkolonie bevond. Hij wilde er het leven van de gevangenen bestuderen, omdat niemand daar in die tijd aandacht voor had.[12]. Maar ook: 'Ik wil een jaar of anderhalf jaar wegstrepen uit mijn leven', schreef hij voor zijn vertrek in een brief. Na zijn terugkeer in 1891 reisde hij door Europa en zette hij vervolgens een hulpverleningsactie op poten voor boeren om de hongersnood tegen te gaan.

1892: Melichovo[bewerken | brontekst bewerken]

In 1892 kocht hij het kleine landgoed Melichovo bij Lopasnja. Hij vestigde zich daar op 4 maart met zijn ouders en zijn zus Masja en hij meldde zich als arts bij de bestrijding van een cholera-epidemie in de omgeving.

Op Melichovo ontstonden bekende verhalen als Zaal 6, De zwarte monnik (1893) en het ophefmakende De boeren (1897). Hij liet een tuinpaviljoen bouwen naar ontwerp van Fjodor Sjechtel, waar hij in 1895 het toneelstuk De meeuw schreef.[15]

1897: Nice[bewerken | brontekst bewerken]

Tsjechov kampte al sinds december 1884 met serieuze ziekteverschijnselen, zoals bloed opgeven bij braken.[18] Pas in 1897 werd definitief de diagnose tuberculose gesteld. Volgens de toenmalige - niet onomstreden - inzichten was de enige remedie een verblijf in een mediterraan klimaat. Tsjechov besefte dat hij Moskou nooit meer in de sneeuw zou kunnen zien. In september 1897 vertrok hij naar Frankrijk. Na twee weken aan de Atlantische kust in Biarritz en Bayonne, waar hij La belle Hélène van Offenbach zag, streek hij neer in La Pension Russe in Nice. Hij kreeg daar bezoek van diverse landgenoten, onder wie Aleksandra Chotjaintseva, kunstenares en vriendin van Masja, en Osip Braz, die in opdracht van de kunstverzamelaar Pavel Tretjakov zijn portret moest schilderen. Ze hadden eerder die zomer in Melichovo al een poging gewaagd, maar de samenwerking verliep stroef en Tsjechov zou altijd een hekel houden aan het portret.

Tijdens zijn verblijf in Nice kwam de Dreyfusaffaire naar buiten. Émile Zola's aanklacht J'accuse...! stond op 13 januari 1898 in de krant, nadat hij zich in de weken ervoor al had uitgesproken over de zaak. Uit Tsjechovs brieven aan Soevorin blijkt dat hij bewondering had voor Zola's interventie en ook zelf tot de conclusie kwam dat Alfred Dreyfus onschuldig was. Hij was dan ook ontzet dat juist Soevorins krant Novaja Vremja de kant van de Franse overheid koos met felle antisemitische artikelen.

In Nice begon hij, na een pauze van een halfjaar sinds De boeren, weer te schrijven. Dit leverde vier verhalen op, waaronder Op de wagen en Bij kennissen, dat vooruitloopt op De kersentuin en dat in de vergetelheid raakte omdat hij het later (mogelijk per ongeluk) niet opnam in zijn Verzamelde Werken.[19]

1898: Jalta[bewerken | brontekst bewerken]

Vanwege het klimaat kocht hij een landgoed bij Jalta op de Krim en liet hij zijn 'witte datsje' bouwen die hij in 1899 betrok. In hetzelfde jaar schreef hij De dame met het hondje, misschien wel zijn beroemdste verhaal, en voerde het Moskous Kunsttheater Oom Vanja op. Het was zo'n succes dat theaterdirecteur Nemirovitsj-Dantsjenko besloot dat Tsjechov elk jaar een nieuw toneelstuk moest gaan schrijven. Dit was wat te veel gevraagd. Op Drie zusters zou hij twee jaar moeten wachten.

Huwelijksreis in Aksjonovo

Tsjechov trouwde in 1901 met de succesvolle Russische actrice Olga Knipper, die eerder ook al in zijn eigen stukken acteerde (Oom Vanja, Drie zusters). In deze periode kreeg hij op Jalta bezoek van onder anderen Leo Tolstoj en Maxim Gorki en schreef hij zijn laatste verhalen De bisschop en Verloofd.

1904: Badenweiler[bewerken | brontekst bewerken]

In 1903 ging zijn gezondheidstoestand snel achteruit. Tijdens zijn laatste levensjaar schreef hij nog maar weinig, alleen De kersentuin wist hij nog af te ronden. In 1904 vertrok hij naar het Duitse kuuroord Badenweiler waar hij op 1 juli 1904 overleed aan de gevolgen van gevorderde tuberculose. Vier jaar eerder was de Amerikaanse schrijver Stephen Crane daar aan dezelfde ziekte overleden. Hoewel Olga ervan uitging dat Tsjechov een graf in Duitsland zou krijgen, was het voor familie en vrienden vanzelfsprekend dat hij net als zijn vader werd begraven op de Novodevitsjibegraafplaats. Een week later arriveerde het stoffelijk overschot via Sint-Petersburg in Moskou.

De begrafenis vond plaats op 9 juli. Masja, Michail en hun moeder, die in de Kaukasus verbleven toen Tsjechov overleed, waren maar net op tijd voor de ceremonie. Het was zo druk op het kerkhof dat graven vertrapt en kruisen omvergelopen werden, herinnerde Michail zich later.[20] Ook Maxim Gorki was verontwaardigd over het gebrek aan decorum bij de omstanders. Bovendien was Tsjechovs lichaam van Sint-Petersbug naar Moskou overgebracht in een koelwagon die blijkens het opschrift bestemd was "voor verse oesters". In zijn herinneringen aan deze dag schreef hij: "De vuilgroene vlek van die wagon komt mij voor als een enorme grijnslach van de vulgariteit." Tot overmaat van ramp volgde een gedeelte van de rouwenden per ongeluk de begrafenisstoet van een gesneuvelde generaal wiens lichaam met dezelfde trein op het station was gearriveerd.[21] Alsof Tsjechov zelf het scenario van zijn begrafenis had geschreven.

Werk[bewerken | brontekst bewerken]

Tsjechov en Maksim Gorki, Jalta, 5 mei 1900
Tsjechov en Lev Tolstoj, Jalta 1901
Tsjechov en Ivan Boenin

Korte verhalen[bewerken | brontekst bewerken]

In 1880 publiceerde Tsjechov zijn eerste korte verhalen in het Peterburgse blad ‘De Libelle’ onder het pseudoniem Antosja Tsjechonte. Vaak betrof het nog boertige schetsen over grappige onderwerpen zoals schoonmoeders. In 1884 verscheen zijn eerste bundel.

Tsjechov/Tsjechonte had bij een breed publiek succes met zijn verhalen maar langzamerhand begon ook de literaire belangstelling toe te nemen, onder meer van A. Soevorin, in wiens bekende dagblad ‘Nieuwe Tijd’ hij vanaf 1886 de meeste van zijn verhalen publiceerde.

In 1888 ontving Tsjechov de Poesjkinprijs voor de bundel In de schemering.

Rond 1888 heeft Tsjechov ook definitief zijn unieke niveau als schrijver van korte verhalen gevonden. De 58 verhalen geschreven van het begin van dat jaar tot aan zijn dood, verschaffen hem een speciale plaats in de wereldliteratuur. De betekenis van deze verzameling steekt grote romans als Oorlog en Vrede (Leo Tolstoj) en De gebroeders Karamazov (Dostojevski) naar de kroon. Het zijn stuk voor stuk juweeltjes.[22] Tsjechov wordt dan ook vrij algemeen beschouwd als de grootste Russische schrijver van korte verhalen, door sommigen zelfs uit de wereldliteratuur.

Op een karakteristieke rustige toon schrijft Tsjechov over een bonte verzameling van mensen, onderwerpen en problemen, waarbij hij streeft naar een diepe, veelzijdige psychologische analyse. Hij toont zich vooral waarnemer, heeft een hekel aan preken. Tsjechov wijdt in zijn verhalen veel aandacht aan conflicten, onderzoekt alle aspecten van het conflict, maar suggereert zelden een oplossing. Veel van zijn verhalen hebben een open einde.

Enkele van zijn bekendste verhalen zijn De weddenschap (1888), Een trieste geschiedenis (1889), Zaal no. 6 (1892), De man in het foedraal (1898), Kruisbessen (1898) en De dame met het hondje (1899). In dat laatste verhaal behandelt hij de plotselinge verliefdheid tussen twee getrouwde mensen tijdens een vakantie op De Krim, maar terwijl deze nog zoeken naar een uitweg breekt Tsjechov het verhaal af: ook hier geen oplossing.

In de periode 2005-2010 werden de verzamelde verhalen van Tsjechov opnieuw in het Nederlands vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel (Russische Bibliotheek).

Toneel[bewerken | brontekst bewerken]

Tsjechov mag ook tot de grootste Russische dramaturgen worden gerekend. Zijn werk wordt wereldwijd nog steeds met grote regelmaat op de planken gebracht.

In het begin van de jaren 80 van de 19e eeuw schreef Tsjechov al diverse eenakters en in 1887 ging zijn eerste serieuze toneelstuk Ivanov in première. Het volgende toneelstuk, De Bosgeest, dat in 1889 in première ging, werd echter een mislukking. De Peterburgse première van het toneelstuk De meeuw werd eveneens een fiasco en Tsjechov nam zich even voor nooit meer een toneelstuk te schrijven. Nadat De meeuw echter door het Moskouse kunsttheater op de planken werd gebracht kwam het grote succes. Met Oom Vanja (1899) (met Olga Knipper als Yelena) en Drie zusters (1901) werd zijn naam als toneelschrijver definitief gevestigd. Kort voor zijn dood rondde hij nog De kersentuin (1904) af.

Tsjechov stond met zijn toneelwerken aan de basis van het psychologisch realisme en schiep het zogenaamde 'stemmingstheater': personages die zich doorheen het hele stuk proberen te ontworstelen aan hun uitzichtloze of saaie situatie. Hij had kritiek op de parasiterende burgerij en sympathie voor de gewone man, en werd later door de eerste communistische machthebbers als voorbode van de revolutie beschouwd (onder Stalin verdween hij echter langzaam in de ban).

Trivia[bewerken | brontekst bewerken]

Bibliografie[bewerken | brontekst bewerken]

  • Verhalend proza: Tsjechov schreef bijna driehonderd prozawerken tussen 1880 en 1903. De meeste daarvan zijn korte verhalen, al zijn sommige lang genoeg om novelle of roman genoemd te worden. Dit zijn enkele van de bekendere titels:
    • De holle spiegel (1883)
    • De Zweedse lucifer (1883)
    • De afgevaardigde, of hoe Desdemonov 25 roebel kwijtraakte (1883)
    • Perpetuum mobile (1884)
    • Een verschrikkelijke nacht (1884)
    • Twee brieven (1884)
    • De puitaal (1885)
    • De intelligente botterik (1885)
    • Uit de herinneringen van een idealist (1885)
    • Het drama op de jacht (1885, roman)
    • De redekunstenaar (1886)
    • De dames (1886)
    • Voortreffelijke mensen (1886)
    • De overtolligen (1886)
    • Vijanden (1887)
    • Uit het dagboek van een opvliegend mens (1887)
    • De weddenschap (1888)
    • Een trieste geschiedenis (1889)
    • Paardendieven (1890)
    • Het duel (1891)
    • Mijn vrouw (1892)
    • Zaal no. 6 (1892)
    • Het verhaal van een onbekende (1893, novelle)
    • Wolodja de grote en Wolodja de kleine (1893)
    • De zwarte monnik (1894)
    • Vrouwenheerschappij (1894)
    • De viool van Rotschild (1894)
    • Witkopje (1895)
    • Anna om de hals (1895)
    • Mijn leven (1896, novelle)
    • De boeren (1897)
    • Een man in het foedraal (1898)
    • Kruisbessen (1898)
    • De dame met het hondje (1899)
    • In het ravijn (1900)
    • De bisschop (1902)
  • Drama
  • Non-fictie
    • De reis naar Sachalin (1893-'94)

Biografieën (selectie)[bewerken | brontekst bewerken]

Omdat de publicatie van de brieven en andere privédocumenten van Anton Tsjechov in de sovjettijd werd gecensureerd, zijn de meeste biografieën van voor 1990 deels verouderd.[23] Zie verder de literatuurlijst van het artikel Russische literatuur voor beknopte Nederlandstalige inleidingen tot het leven en werk van Tsjechov.

  • (en) Ernest J. Simmons, 1962, Chekhov. A Biography, Boston, Atlantic Monthly Press
  • (en) Ronald Hingley, 1976, A new life of Anton Chekhov, Londen, Oxford University Press
  • (fr) /(nl) Henri Troyat, 1984, Tchekhov, Parijs, Flammarion; vertaald als Tsjechov, 1988, Baarn, De Prom
  • (en) Donald Rayfield, 1997, Anton Chekhov. A Life, Londen, HarperCollins
  • (en) Rosamund Bartlett, 2004, Chekhov. Scenes from a Life, New York, Free Press (Simon & Schuster)

Fotoboek:

  • (nl) Peter Urban (red.); Anne Stoffel (vertaling brieffragmenten), 2015, Tsjechov. Een fotobiografie, Hoogland & Van Klaveren (oorspronkelijk verschenen in 1987 bij Diogenes Verlag AG, Zürich)

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • (nl) Michail Tsjechov, 1926 (1988), Rondom Tsjechov, Amsterdam, Arbeiderspers
  • (nl) Ronald Hingley, 1967, De Russische roman, Antwerpen
  • (en) Robert Louis Jackson (red.), 1967, Chekhov. A collection of critical essays, Englewood Cliffs (New Jersey), Prentice Hall Inc
  • (nl) Karel van het Reve, 1985 (1990), Geschiedenis van de Russische literatuur. Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov, Amsterdam, Van Oorschot
  • (nl) Maarten Tengbergen, 1991, Klassieken van de Russische literatuur, Utrecht
  • (en) A.P. Tsjechov; J. Hercher & P. Urban (red.); Stephen Mulrine (vert.), 2012, Chekhov on theatre, Londen, Nick Hern Books

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]

Wikiquote heeft een of meer citaten van of over Anton Tsjechov.
Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Антон Павлович Чехов op Wikimedia Commons.