Beleg van Venlo (1702)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het beleg van Venlo in 1702 was een beleg van een maand door de Republiek der Nederlanden op de Frans-Spaanse bezetter van de stad. Het duurde van 29 augustus tot 23 september.

In 1701 begon, wegens gebrek aan een erfopvolger, de Spaanse Successieoorlog. Koning Karel II van Spanje had Filips van Anjou tot troonopvolger benoemd en deze concludeerde dat de Spaanse Nederlanden nu hem toebehoorden. Als gevolg hiervan bezetten Franse troepen de steden Roermond, Geldern en Venlo.

Een alliantie van Engeland, Pruisen, Denemarken en de Republiek verklaarde de Frans-Spaanse koning vervolgens de oorlog. Deze alliantie veroverde, onder leiding van John Churchill, de hertog van Marlborough, eerst het Land van Kessel, daarna Weert om vervolgens na een zevendaags beleg Venlo in te nemen. Hierna volgden nog de steden Roermond en Stevensweert.

De Spaanse aanvoerder Domingo Fernandino de Amensaga, die eerst kapitein was in de vesting Stevensweert, was in ieder geval al in 1695 gouverneur van het Fort Royal van Sint-Michiel bi Venle. Toen Venlo in 1701 en 1702 hevig onder vuur lag, moest De Amensaga zich uiteindelijk gewonnen geven en het fort capituleren aan de Staatse troepen. De Staatsen lossen op 23 september, na een belangrijke overwinning elders, enkele vreugdeschoten. Deze schoten worden door de fortcommandant opgevat als een hernieuwde opvoering van de belegering. Omdat het garnizoen niet nog een aanval kan afslaan, besluit hij zich over te geven. Zo slaagt Menno van Coehoorn erin zowel vesting als fort in te nemen. Graaf Van Varo krijgt in dat jaar als gouverneur het bevel over het fort.

Uiteindelijk trokken de geallieerden zuidwaarts, om in 1704 ook Maastricht in handen te krijgen. Bij de Vrede van Utrecht (1713) kwam Roermond met een klein stuk van Opper-Gelre weer in Zuid-Nederlandse handen.