Boni (guerrillaleider)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kaart van Suriname ca 1796
A private Marine of Col. Fourgeoud's Corps

Boni (ca. 1730 - 19 februari 1793), was een vrijheidsstrijder en guerrillaleider in Suriname. Zijn vader zou een Nederlander zijn geweest die zijn moeder, een slavin, als minnares had en daarna verstootte. Zwanger vluchtte zij het bos in, naar de Marrons. Daar, bij de Cottica-Marrons, werd Boni geboren. In 1765 volgde hij Asikan Sylvester op als leider van de groep die bekend zou worden onder zijn naam: 'Boni's' (nu: Aluku). Hij trainde zijn mensen tot geduchte vijanden van de kolonisten.

Talrijke aanvallen voerden ze uit op plantages in het oosten van Suriname, vooral in het gebied van de rivier de Cottica. Veel slaven sloten zich bij hen aan. Ook namen zij slavinnen mee om zich van vrouwen te voorzien. Voor de planters betekende de marronage een aanzienlijk kapitaalverlies. Boni en zijn krijgers opereerden vanuit een groot fort met een vier meter hoge muur in een moerasachtige omgeving in de kuststreek van Commewijne, Fort Buku. Met deze naam wilden zij aangeven dat ze liever tot stof zouden vergaan dan zich overgeven. Het fort was omringd door een moeras en voorzien van geweren en een kanon. Door de overvallen en plundertochten die vanuit Boekoe werden ondernomen en de geldverslindende strafexpedities die daarop volgden, werd de vesting een grote bron van zorg voor de machthebbers. De slaven daarentegen putten er hoop uit. Door de ligging van het fort, te midden van verraderlijke moerassen, was het nagenoeg onvindbaar en onbereikbaar voor de Nederlandse huursoldaten. Diverse malen vielen onder andere kolonel Louis Henri Fourgeoud uit Genève en later Stoelman dit fort aan, zonder succes. Bekende medestrijders van Boni waren Baron en Joli-coeur. In de gelederen van Fourgeod en Stoelman vocht ook John Gabriël Stedman, die zijn ervaringen vastlegde in een boek.

Stedman beschrijft onder andere hoe kleine groepjes van vier à vijf man, door zich steeds snel te verplaatsen en te schieten, de vijand de indruk geven tegenover een zeer grote groep te staan. Dergelijke guerrillatactieken stelden Boni in staat de vijand steeds weer in verwarring te brengen en te verslaan.

Uiteindelijk beloofden de Nederlanders 300 slaven de vrijheid als ze meevochten tegen Boni en Baron. Deze vormden het legerkorps De Zwarte Jagers, ook wel Redi Moesoes genoemd, naar de rode mutsen die ze droegen als onderdeel van hun uniform. Na een belegering van zeven maanden werd in 1772 het geheime pad, dat net onder water lag en toegang gaf tot het fort, verraden. Terwijl kapitein Maryland een schijnaanval deed, vielen de vrijgekochte vrijwilligers het fort aan over het geheime pad. Het fort werd vernietigd, maar Boni ontsnapte naar het oosten en trok over de Marowijne, de grensrivier met Frans-Guyana. Hij verlegde zijn hoofdkwartier naar o.a. fort Aloekoe. In 1777 kwam Pierre-Victor Malouet langs om de kwestie van de 200 gevluchte Marrons te bespreken. Volgens hem waren er 3.000 marrons; 150 waren onderweg en hielden zich op in de bossen.

Nog 20 jaar lang ging Boni door met zijn strijd tegen de overheersers. Uiteindelijk werd hij door verraad op 19 februari 1793 gedood door Bambi, een Aukaans opperhoofd, onder grote druk van luitenant Stoelman, commandant van de Redi Moesoes.

Boni wordt meestal in één adem genoemd met Baron en Joli-Coeur, doordat John Gabriël Stedman hen in zijn boek Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana (1799-1800) met elkaar in verband bracht. Ieder van hen had echter een eigen achtergrond en inbreng.

Fort Boekoe herontdekt[bewerken]

Fort Boekoe wordt genoemd in oude verslagen van militaire veldtochten en het staat vermeld op historische kaarten, maar in de ruim twee eeuwen die op de verwoesting volgden werd het nooit teruggevonden. Pas in april 2004 heeft een Nederlands-Surinaamse expeditie in het stroomgebied van de Surinaamse Cotticarivier de resten van het fort Boekoe ontdekt. Na een zware tocht door regenwoud, moerassen, kreekjes en meertjes vonden acht Nederlanders en drie Surinaamse gidsen de restanten van het oude slavenfort op een eiland in het moeras in het kustgebied ten oosten van Paramaribo. Van het fort rest nog slechts een aarden wal. Van de metershoge houten palissaden die Fort Boekoe kenmerkten is weinig overgebleven. Hier en daar liggen daarvan nog verkoolde resten. Op de open ruimte in het centrum van het eiland moeten huisjes van de marrons hebben gestaan, totdat ze in 1772 met de grond gelijk werden gemaakt door de staatse troepen.