Cypriano de Rore

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Cypriano De Rore
Portret van Cipriano De Rore door Hans Mielich dd 1559 (Motetten (koorboek) - BSB Mus.ms. B(1, München, 1559 [BSB-Hss Mus.ms. B(1]
Portret van Cipriano De Rore door Hans Mielich dd 1559 (Motetten (koorboek) - BSB Mus.ms. B(1, München, 1559 [BSB-Hss Mus.ms. B(1]
Algemene informatie
Geboren Ronse, 1515 of 1516
Overleden Parma, 1565
Land Flag of the Low Countries.svg Habsburgse Nederlanden
Werk
Jaren actief 1542-1564
Beroep Componist
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Cypriano De Rore, of Cipriano, Cypriaan en Cyprien De Rore (Ronse, 1515 of 1516 - Parma, tussen 11 september en 20 september 1565) was een componist afkomstig uit de Nederlanden. Hij was een representatieve vertegenwoordiger van de generatie Nederlandse polyfonisten van na Josquin, wier componistenloopbaan zich eveneens in Italië afspeelde, en die bepalend was voor de ontwikkelingen van de muziekstijlen van de late Renaissance. De Rore was ook een van de meest vooraanstaande componisten van madrigalen.

Leven[bewerken]

Uit recent onderzoek is gebleken dat hij in een welgestelde familie is geboren in Ronse, een stad in Vlaanderen. Over zijn muzikale opleiding staat niets bekend. Sommige onderzoekers vermoeden een band met Margaretha van Parma, die in de jaren 1530 naar Napels trok om er te trouwen met een lid van de Medici-familie. De Rore kan haar hebben vergezeld, waarbij hij wellicht in Italië ook wat opstak van de musici daar. Het is ook mogelijk dat hij zijn opleiding veeleer in Antwerpen heeft genoten. Er is lang gedacht dat hij in Venetië bij Adriaan Willaert zou hebben gestudeerd en dat hij in de San Marcobasiliek zong, maar er is weinig wat deze bewering kan staven. In 1542 was hij in Brescia, waar hij waarschijnlijk bleef tot 1546. In die periode begon hij naam te maken als componist. Hij gaf succesrijk madrigalen uit en twee boeken met motetten.

In 1546-1547 kwam hij als zangmeester in dienst bij hertog Ercole II d'Este in Ferrara. Luca Marenzio (1553/1554-1599) en Giaches de Wert (1535-1596) waren zijn leerlingen, zo ook Luzzasco Luzzaschi, het belangrijkste lid van wat op een dag de meest avant-gardistische muzikale instellingen van het Italië van de late Renaissance zou worden. Een bedanktbrief van Albrecht uit 1557 waarin hij Ercole II d'Este uitdrukkelijk bedankt voor De Rore's Missa Praeter rerum seriem getuigt van zijn belang. In 1558-59 keerde De Rore terug naar de Nederlanden om zijn ouders te bezoeken.

Toen Ercole in 1559 stierf, bood De Rore diens opvolger Alfonso zijn diensten aan, maar de nieuwe hertog weigerde en wees Francesco dalla Viola in de plaats aan. Daarop trok de de componist naar München, waar aartshertog Albrecht V, steeds een enthousiast bewonderaar was geweest van De Rore's composities. Een prachtig versierd manuscript met uitsluitend composities van De Rore en verlucht met miniaturen van Albrecht, zijn vrouw Anna én de componist getuigen van deze bewondering. Maar aangezien Orlandus Lassus er de hofkapel leidde -sinds 1556 als zanger en sinds 1563 als kapelmeester- moest Cypriaan op zoek naar een andere broodheer. Die vond hij van 1560 tot 1563 bij Margaretha van Parma, landvoogdes der Nederlanden, in Brussel en haar echtgenoot hertog Ottavio Farnese in Parma. Deze functie heeft hij misschien te danken aan twee stadsgenoten, Hermes Van Wynghene en Karel Van der Beken die respectievelijk lid van de privé-raad van de regentes en keizerlijk secretaris waren. Toen Adriaan Willaert in 1563 stierf, werd Cypriano De Rore zijn opvolger als kapelmeester van de San Marcobasiliek, maar hij bood al in 1564 zijn ontslag aan en ging terug naar Parma, waar hij stierf.

Werken en invloed[bewerken]

De Rore is het bekendst omwille van zijn Italiaanse madrigalen, maar hij was ook een productief componist van geestelijke muziek, zowel van missen als van motetten. Josquin des Prez was zijn uitgangspunt en hij ontwikkelde vele technieken vertrekkend van de stijl van de oudere componist. Van De Rore kennen we vijf missen, ongeveer 80 motetten, verschillende psalmen, wereldlijke motetten, en een zetting van de Johannespassie.

Als componist van madrigalen verwierf De Rore echter blijvende roem. Hij was verreweg de meest invloedrijke madrigalist van het midden van de zestiende eeuw. Hij schreef er meer dan 120 verdeeld over tien afzonderlijke boeken, uitgegeven tussen 1542 en 1565; andere madrigalen werden apart gepubliceerd. Meestal zijn ze vier- of vijfstemmig, met één voor zes stemmen en één voor acht; de geest van zijn composities neigt naar het ernst, in het bijzonder in contrast met het lichtzinnige karakter van het werk van de oudere generatie madrigalisten zoals de Nederlanders, Jakob Arcadelt en Philippe Verdelot. De Rore behoorde tot de tweede generatie madrigalisten.

De Rore was een gesofisticeerd contrapuntist en wendde canonische technieken toe, imitatie, en alle mogelijkheden van de polyfonie zoals ze zich sinds de vroege zestiende eeuw hadden ontwikkeld met het doel wereldlijke teksten op muziek te zetten. De vorming van de chromatiek, later door Gioseffo Zarlino (1517–1590), de leraar van Girolamo Frescobaldi, nog intensiever toegepast, is tegelijk een neerslag van de humanistisch-antiquiserende tendens, en een nabootsing van de chromatiek en enharmoniek van de antieke Griekse muziek. In het midden van de zestiende eeuw was chromatiek het compositorische neusje van de zalm geworden. De invloed van De Rores stijl is goed aanwijsbaar in het werk van Lassus, Palestrina, Philippus de Monte en zelfs bij een veel latere componist als Claudio Monteverdi.

Volgens Alfred Einstein, in "The Italian Madrigal" (1949):

  • "De Rores werkelijke, geestelijke opvolger was Monteverdi. Rore bezit de sleutels tot de hele ontwikkeling van het Italiaanse madrigaal na 1550."

De Rore componeerde wereldlijke Latijns motetten en dat is een vrij ongewone "cross-over"-vorm in het midden van de 16de eeuw, parallel met het geestelijke madrigaal, de "madrigale spirituale". Stilistisch zijn deze motetten verwant aan zijn madrigalen.

De muziek van "il divino Cipriano', zoals hij vaak in lofrede gedichten of voorpagina's van gedrukte muziek wordt verwezen werd zelfs heruitgegeven tot het einde van de 16e eeuw. In 1595, zijnde dertig jaar na zijn dood, werd in Venetië een postume madrigaaldruk gepubliceerd, wat wijst op de moderniteit en de blijvende relevantie van zijn muziek.

Werken[bewerken]

Zijn werk werd door Bernhard Meier vanaf 1959 opnieuw volledig uitgegeven in de reeks Corpus Mensurabilis Musicae[1].

Bibliografie[bewerken]

  • Raymond van Aerde, Notice sur la vie et les oeuvres de C. de Rore (1909)
  • Josef Musiol, C. de Rore (1932, diss.)
  • Walter Weyler, Documenten betreffende de muziekkapel aan het hof van Ferrara (1939)
  • Walter Weyler, De teksten van de Rore's madrigalen, in: Vlaams Jaarboek van Muziekgeschiedenis (1939, 1942)
  • Alfred Einstein, The Italian Madrigal. Princeton, N.J. (1949)
  • A.H. Johnson, The liturgical music of C. de Rore (1954)
  • Gustave Reese, Music in the Renaissance. New York, W.W. Norton & Co. ISBN 0-393-09530-4 (1954)
  • Alvin H. Johnson, Cipriano de Rore, in The New Grove Dictionary of Music and Musicians, ed. Stanley Sadie. 20 vol. London, Macmillan Publishers Ltd. ISBN 1-56159-174-2 (1980)
  • Allan W. Atlas, Renaissance Music. New York, Norton. ISBN 0-393-97169-4 (1998)
  • Patrick Macey, Bonfire Songs: Savonarola's Musical Legacy. Oxford, Clarendon Press. ISBN 0-19-816669-9 (1998)
  1. www.corpusmusicae.com