Deutsche Demokratische Partei

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Deutsche Demokratische Partei (DDP, d.i. Duitse Democratische Partij), was van 1919 tot 1930 de benaming van de links-liberale Duitse politieke partij tijdens de Weimarrepubliek. In 1930 werd de naam veranderd in Deutsche Staatspartei (Duitse Staatspartij).

De DDP kwam voort uit de links-liberale Fortschrittliche Volkspartei, die tijdens het Duitse Keizerrijk één van de grotere politieke partijen was. Een deel van de DDP'ers was afkomstig uit de Nationalliberale Partei.

Bekende DDP'ers waren Friedrich Naumann en Walther Rathenau (minister van Buitenlandse Zaken. Een rijksdagafgevaardigde van 1933, Theodor Heuss, werd in 1949 Bondspresident. Ook Hugo Preuss, de hoofdnamelijke auteur van de grondwet van Weimar en minister van Justitie Erich Koch-Weser waren lid van de DDP. De partij nam aan bijna alle rijksregeringen van 1919-1931 deel.

De eerste jaren van de Weimarrepubliek waren succesvol voor de DDP. In 1919 werden er 75 leden van de DDP in de Nationale Vergadering van Weimar gekozen. Nadien had men te kampen met een electorale teruggang. In november 1932 werden er slechts twee DDP'ers in de Rijksdag gekozen. Bij de laatste vrije verkiezingen van Duitsland werden er in maart 1933 vijf afgevaardigden in de Rijksdag gekozen.

De DDP werd in 1933 door het nationaalsocialisme verboden. Na de Tweede Wereldoorlog werd het grootste deel van de DDP'ers lid van de liberale FDP.