Eerste boek van Henoch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Eerste boek van Henoch (I Henoch) maakt deel uit van de oud-Israëlitische literatuur en wordt als zodanig gerekend tot de pseudepigrafen. Het boek is ook bekend onder de naam 'Ethiopisch Boek van Henoch' omdat het boek volledig bekend is in die taal. De Ethiopische versie berust mogelijk op een Griekse vertaling waarvan drie omvangrijke fragmenten bekend zijn. De Griekse vertaling gaat terug op een oorspronkelijke Aramese tekst. Onder de Qumranteksten bevinden zich talrijke fragmenten van I Henoch.[1]

Indeling[bewerken]

Het boek bestaat uit verschillende onderdelen, afkomstig van verschillende auteurs en verschillende tijden.[2][3]

De volgende wetenschappelijke indeling wordt breed gesteund onder tekstcritici:[4]

  1. Wekenapocalyps, 91:12-17; 93:1-10, vroeg vóór-Makkabese tijd
  2. Fragmenten Henochitische visioenen, 12-16, vroeg vóór-Makkabese tijd
  3. Fragmenten van het Boek van Noach, 6-11; 106; 54:7-55:2; 60; 65-69:25, Laat vóór Makkabese tijd
  4. Op zichzelf staand fragment, 105, vóór Makkabese tijd?
  5. Droomvisioenen, 83-90, 165-161 v.Chr
  6. Boek van de hemellichten,72-82, 110 v.Chr
  7. Parabels, 37-71, 105-64 v.Chr
  8. Latere toevoegingen aan droomvisioenen, 91:1-11, 18, 19; 92, 105-104 v.Chr
  9. Inleidende hoofdstukken, 1-5, laat vóór-Christelijke tijd.

Er bestaan diverse literaire indelingen. Hierna volgt een recente indeling[4][5]

  1. Het boek van de Wachters (1-36)
  2. Het boek van de parabels (37-71)
  3. Het boek van de hemellichten (72-82)
  4. Het boek van de droomvisioenen (83-90)
  5. Het boek van de brief[6] van Henoch (91-107)

In een oudere indeling worden 91-104 samengenomen onder het opschrift Boek van vermaning en beloofde zegen voor de rechtvaardigen en vloek en bestraffing voor de zondaren en 106-108 onder het opschrift Fragmenten uit het boek van Noach.[7]

Canoniciteit[bewerken]

Het is mogelijk om canoniciteit te beoordelen vanuit een ruimere strekking van het begrip canoniek. Hierbij is de gedachtewereld in de canonieke geschriften uitgangspunt. De tekst van I Henoch is van grote invloed geweest op het Nieuwe Testament. In dat verband ligt het voor de hand I Henoch te beschouwen als een compositie van op zichzelf staande delen. De slothoofdstukken (91-104, 106 en 107) hebben oorspronkelijk als een apart geschrift onder de naam "Epistolè Enôch" in de oud-christelijke kerk gecirculeerd.[6] Zo waren meer onafhankelijke fragmenten van het latere I Henoch bekend. Het is niet zeker wanneer de samenvoeging van de afzonderlijke delen heeft plaatsgevonden. Slechts enkele passages (105 en 108) verraden een vroeg-christelijke redactie.[8] Losse fragmenten moeten bekend zijn geweest in de tijd van de Apostelen. In de na-exilische periode deed de apocalyptiek zijn intrede en daarom is het goed mogelijk dat de ontwikkeling tot wat wij kennen als I Henoch in die periode heeft plaatsgevonden.

De Schotse ontdekkingsreiziger James Bruce ontdekte dat in de Ethiopisch-orthodoxe Kerk I Henoch een heilig geschrift is.

Inhoud[bewerken]

Boek I: Het Boek van de Wachters

1-36

1 - 5

Indeling:

  1. De rechtvaardigen en de goddelozen (1: 1-3b).
  2. Theofanie (1:3c-9)
  3. Aanklacht (2-5:4).
  4. Uitspraak (5:1-4)
  5. Oordeel (5:5-9)

Deze inleidende hoofdstukken zijn zeer waarschijnlijk door de eindredactie aan I Henoch toegevoegd. De openingszin is kort en bondig: "De zegen van Henoch, waarmee hij de uitverkorenen en rechtvaardigen heeft gezegend, die in de dag van de rampspoed zullen leven, als alle zondaren en goddelozen weggedaan zullen worden; en de rechtvaardigen gered zullen worden."[9] De rechtvaardigen en uitverkorenen worden als de eigenlijke adressanten van het geschrift ingewijd in de openbaringen die volgen.[10] Dit introductiehoofdstuk van I Henoch bevat tevens de zinsnede (1:9) die in het Nieuwe Testament wordt geciteerd (Judas:14-15) >

En ziet! Hij zal komen met tienduizenden van Zijn heiligen. Om over allen gericht te houden. En alle goddelozen te verdelgen. En om alle vlees te straffen wegens al hun goddeloze daden die zij in hun goddeloosheid bedreven hebben. En voor alle harde woorden die goddeloze zondaren tegen hem gesproken hebben.[9]

Het citaat is niet geheel letterlijk te herleiden tot de tekst in één handschrift. De tekst doet deels denken aan een Griekse tekstvorm en deels aan een Ethiopische tekst.[11]

6 - 16

Indeling:

  1. De val van de engelen (6-11).
  2. Visioen van Henoch - pleidooi voor de Wachters (12).
  3. Pleidooi voor Azazel (13-14:7).
  4. Visioen van Henoch (14:8-16:4).

In I Henoch wordt de val van de engelen uitvoerig beschreven. Genesis 6 heeft een zeer beknopte weergave van dezelfde gebeurtenis. Er zijn parallellen met de Sumerische mythologie. Met de Nephilim van Genesis 6 wordt dezelfde categorie bedoeld als de Enakieten van Deuteronomium 2:28 en de Anunnaki van de Sumerische kleitabletten.

17 - 36

Indeling:

  1. Eerste reis (17-19)
  2. De zeven aartsengelen (20)
  3. Tweede reis (21-22)
  4. Het vuur van het westen (23)
  5. De zeven bergen in het Noordwesten en de Boom van Leven (24-25)
  6. Jeruzalem met haar bergen, dalen en beken (26)
  7. Het vervloekte Gehinnomdal (27)
  8. Reis naar het oosten (28-33)
  9. Reis naar het noorden (34)
  10. Reis naar het westen (35)
  11. Reis naar het zuiden (36)

Boek II: Het boek van de Parabels

37-71

Indeling:

  1. Inleiding (37)
  2. De eerste parabel (38-44)
    1. Het gericht over de goddelozen (38)
    2. De woonplaatsen van de rechtvaardigen (39)
    3. De vier aartsengelen (40)
    4. De Heer van de geesten en de vier stemmen (41:1-2)
    5. Astronomische mysteries (41:3-9)
    6. De woning van Wijsheid en van Onrecht (42)
    7. Astronomische mysteries (43-44)

Angologie[bewerken]

Volgens I Henoch bewonderden de engelen niet alleen de aardse vrouwen, maar leerden ze aan de mensen ook bepaalde duistere kunsten, zoals het maken van wapens. Uiteindelijk belandt hoofdengel Azazel met al zijn volgers in de Tartaros voor deze misdaden. De Tartaros geldt in I Henoch als plaats waar engelen gestraft worden. Als zodanig komt de betekenis van dit woordgebruik overeen met die in de Griekse tekst van het Nieuwe Testament (II Petrus 2:4). In I Henoch 20:3 wordt de aartsengel Uriël genoemd als de Wachter die gesteld is over de Tartaros. In de Septuagint wordt de Tartaros genoemd in Job 40:15 (20), 41:23 (24); Spr 24:51 (30:16).[12] Zie ook Hel (mythologie). Azazel benadert Henoch in een droom met als doel hem te smeken gratie voor hem en de zijnen te bepleiten bij God. Terwijl Henoch in de hemel is, krijgt hij daar een rondleiding van de aartsengel Uriël, die Henoch leert over de posities van de sterren en planeten in het heelal.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Dr. Th.C. Vriezen & Dr. A.S. van der Woude, Literatuur van Oud-Israël,Katwijk, Servire 1978 ISBN 9060772474, p.346v.
  2. Dr. Th.C. Vriezen & Dr. A.S. van der Woude, Literatuur van Oud-Israël,Katwijk, Servire 1978 ISBN 9060772474, p.347.
  3. James H. Charlesworth, The Old Testament Pseudepigrapha - Vol. I, p.6
  4. a b James H. Charlesworth, The Old Testament Pseudepigrapha - Vol. I, New York, Doubleday & Company 1983 ISBN 0385096305, p.7
  5. M.A. Knibb, Het boek Henoch, het eerste of het Ethiopische boek.
  6. a b C.P. van Andel, De structuur van de Henoch-traditie en het Nieuwe Testament, dissertatie 1955, stelling I.
  7. R.H. Charles, Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament, Volume 'Pseudepigrapha' Oxford 1913, p.260, 278
  8. Andel, C.P. van, De structuur van de Henoch-traditie en het Nieuwe Testament, p.4
  9. a b Eigen vertaling (Dies Kaashoek)
  10. Andel, C.P. van, De structuur van de Henoch-traditie en het Nieuwe Testament p.42
  11. Bolkestein, Dr. M.H., De brieven van Petrus en Judas p.227
  12. De tussen haken geplaatste nummers verwijzen naar de versnummers volgens de Septuagint-indeling zodra die afwijkt van gangbare Nederlandse vertalingen van de bijbel