Elektrode

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een elektrode is een geleider die gebruikt wordt om contact te maken met een niet-metalen deel van het circuit of met een deel van het elektrisch circuit dat niet als vast onderdeel van dat circuit gedacht wordt. Michael Faraday stelde de naam elektrode samen uit de Griekse woorden elektron (barnsteen), waar het woord elektriciteit van is afgeleid en hodos voor weg.

Zo worden elektroden gebruikt om een meetapparaat te verbinden met de te meten schakeling of met het hoofd van een patiënt voor het maken van een EEG. Bij lassen wordt één elektrode verbonden met het werkstuk en is de andere de laselektrode. In galvanische opstellingen zijn het de elektroden die contact maken met de vloeistof en in een elektronenbuis verzorgen de elektroden het contact tussen "buiten" en "binnen".

Er valt onderscheid te maken tussen een kathode, waar de reductie plaatsvindt en een anode waar de oxidatie plaatsvindt. Afhankelijk van de opstelling kan de lading verschillen: Wanneer elektroden in een elektrolyt worden geplaatst en er een stroombron op wordt aangesloten, worden de kationen (=de positieve ionen) door de negatieve kathode aangetrokken en de anionen (=de negatieve) door de positieve anode. Dit is ook zo in een elektrolytische cel. In een galvanische (voltaïsche) cel daarentegen is de anode negatief.

Elektrode-oppervlak[bewerken]

Als een elektrode zich in een elektrolyt bevindt, stapelen zich ladingen op; elektrisch gezien ontstaat daardoor een condensator. Aan de elektrodezijde stapelen zich ladingen in een dunne laag (0,01 nm) op. Aan de vloeistofzijde stapelen zich geladen ionen op.

Zie ook[bewerken]


Zoek dit woord op in WikiWoordenboek