Emile d'Oultremont

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Emile d'Oultremont

Graaf Emile Charles Désiré Antoine Joseph d'Oultremont de Wégimont ook d'Oultremont de Wégimont de Warfusée (Antwerpen, 21 juli 1787 - Saint-Georges-sur-Meuse (Kasteel van Warfusée) 4 augustus 1851) was een Belgisch edelman, lid van het Nationaal Congres, senator en diplomaat.

Levensloop[bewerken]

Emile d'Oultremont telde in de familie d'Oultremont een prins-bisschop van Luik, verschillende burgemeesters van deze stad, talrijke kanunniken en kanunnikessen. De familie was afkomstig van Warnant van waaruit verschillende leden functies uitoefenden zoals die van grootbaljuw van Bergen, burgemeester of kastelein van Hoei. De eerstbekende stamvader was Hustin de Warnant dit d’Oultremont, schepen van Hoei en Wanse in de tweede helft van de veertiende eeuw. De grafelijke titel werd in 1731 aan de familie verleend.

D'Oultremont was de zoon van graaf Charles-Ignace d'Oultremont (Leiden 1753 - Antwerpen 1802), heer van Wégimont en van de Antwerpse Anne-Henriette de Neuf, weduwe van Théodore van de Werve, die negen maal méér als bruidsschat inbracht dan het aandeel van de bruidegom. Het aanzienlijke onroerend patrimonium van de familie d'Oultremont werd aldus, ook nog door latere erfdelen, tot op ongekende hoogte gebracht. Tijdens de revolutiejaren vluchtte het gezin naar Duitsland. Emile trouwde in 1814 met zijn nicht en erfdochter barones Marie de Lierneux de Presles (1785-1850) en ze hadden twee zonen en twee dochters die voor nageslacht zorgden. Door erfenis werd hij 'de Wégimont' en in 1816 kreeg hij bij legaat 'de Warfusée' erbij.

Zijn dochter Emilie (1818-1878) trouwde met Victor van der Linden d'Hooghvorst (1813-1847), zoon van Emmanuel van der Linden d'Hooghvorst die lid was van het Voorlopig Bewind in 1830. Nadat ze weduwe was geworden stichtte ze de kloostercongregatie van de 'Soeurs de Marie Réparatrice', die in 2010 nog in 23 landen actief is (vooral Spanje, Latijns-Amerika en Verenigde Staten). In 1997 werd ze door Johannes-Paulus II zalig verklaard.

Verenigd koninkrijk en België[bewerken]

In 1816 behoorde Emile d'Oultremont tot de eersten die werden opgenomen in de ridderschap van de nieuwe Nederlandse provincie Luik en werd zijn adellijke status en zijn titel van graaf, overdraagbaar op al zijn nakomelingen, bevestigd. Hij zetelde in de provinciale staten van Luik van 1827 tot 1830, waar hij oppositie voerde tegen de regering en één van de wegbereiders was in het Luikse voor het unionisme tussen katholieken en liberalen.

In 1829 werd een 'Association Constitutionnelle' opgericht, trefpunt van de opposanten, met d'Oultremont als voorzitter. Naar aanleiding van de eerste rellen in augustus 1830 richtte de gouverneur van de provincie Luik, Sandberg, een Commissie voor de openbare veiligheid op, waarvan d'Oultremont de voorzitter werd, wat in feite die Commissie in handen van revolutiegezinden speelde.

Als plaatsvervangend lid verkozen voor het Nationaal Congres, nam hij slechts zitting op 18 mei 1831, in opvolging van Mathieu Leclercq. Die had al begin april ontslag genomen, maar rond de Paastijd was het Congres een maand met reces. Hij nam geen enkele keer het woord, maar nam deel aan de laatste belangrijke stemmingen. Hij stemde voor de kandidatuur van Leopold van Saksen Coburg en voor de aanvaarding van het Verdrag der XVIII artikelen.

Bij de verkiezing van het eerste parlement in 1831 kreeg de katholieke d'Oultremont onvoldoende stemmen in Luik en in Hoei, maar werd hij tot senator verkozen voor het arrondissement Turnhout. Hij bleef lid van de Hoge Vergadering tot in 1837. Hij stemde onder meer voor het Verdrag der XXIV artikelen. Ter ondersteuning van zijn politieke standpunten financierde hij de Gazette de Liège.

In 1839 trad hij toe tot de diplomatie en werd gevolmachtigd minister bij de Heilige Stoel en bij de regeringen van Napels en Turijn, wat hij bleef tot in 1844. Zijn twee zoons en zijn schoonzoons vergezelden hem als jonge diplomaten.

De aanzienlijke bibliotheek en de kunstcollectie van graaf d'Oultremont hadden een vleiende reputatie.

D'Oultremont was ook industrieel. Hij was de eigenaar en uitbater van de Houillères et alunières in Saint-Georges (1828). Hij was tevens concessionnaris van een koolmijn in Aiseau-Presles (1828) en in Micheroux (1837). Hij bleef anderzijds een aanzienlijk onroerend patrimonium beheren, met talrijke boerderijen en een paar duizend ha. landbouwgrond.

Weldoener[bewerken]

Zijn vrijgevigheid voor katholieke doelen kwam tot uiting doordat hij de kerk en de pastorie van Ayeneux-Wégimont bouwde, de armenzorg ondersteunde binnen het hospice d’Oultremont, dat in Hoei door zijn familie was gesticht, de bouw bekostigde van de parochiekerk van Stockay in Saint-Georges, alsook de bouw van scholen en een pastorie in die gemeente. Hij betaalde ook het grootste deel van het klooster en de kapel voor de zusters augustinessen die het militair hospitaal Saint-Laurent in Luik bedienden.

Hij was ook de steun en toeverlaat van de jezuïeten naar aanleiding van de stichting van de Universitaire Faculteiten Notre-Dame-de-la-Paix in Namen, waartegen het episcopaat en de universiteit van Leuven gekant waren.

Henriette d'Oultremont[bewerken]

Een nicht van Emile d'Oultremont, Henriette d'Oultremont (1792-1864) werd de morganatische tweede echtgenote van koning Willem I der Nederlanden.

Literatuur[bewerken]

  • U. CAPITAINE, Nécrologe liégeois pour l’année 1851, Liège, 1852, pp. 86–90
  • J.L. DE PAEPE & Ch. RAINDORF-GERARD, Le Parlement belge 1831-1894. Données biographiques, Bruddel, Commission de la biographie nationale, 1996, p. 271
  • J. d’OULTREMONT, Le comte Emile d’Outremont (1787-1851), licentiaatsthesis UCL, 1965.
  • J. d’OULTREMONT, Le comte E. d’Oultremont, ministre plénipotentiaire de Belgique à Rome, 1839-1844, in: Risorgimento, T. 9, 1966, pp. 1–78.
  • Maurice YANS, Charles-Ignace d'Oultremont, in: Biographie nationale de Belgique, T. XXXVIII, Brussel, 1973, col. 651-656.
  • Maurice YANS, Emile d'Oultremont, in: Biographie nationale de Belgique, T. XXXVIII, Brussel, 1973, col. 656-666.